In Kut el amara zijn de omsingelde Britten allang zowel trekpaarden als muilezels aan het slachten, maar ze hebben de rijdieren welbewust gespaard. Nu gaat dat niet langer. Er lijkt weer een poging tot ontzet te zijn gestrand. Er is een order gekomen om de laatste paarden af te maken, zodat ze als voedsel kunnen dienen voor het ingesloten en bijna verhongerende garnizoen.
Luitenant Edward Mousley plukt vers gras. Daarna gaat hij naar de plaats waar de paarden staan opgesteld. Zijn paard Don Juan herkent zijn eigenaar natuurlijk en begroet hem enthousiast, zoals hij dat het dier heeft geleerd. Mousley geeft hem het gras te eten.
Daarna begint de slacht. Een onderofficier schiet de paarden af. Geknal. Een voor een zakken de grote, zware dierenlichamen in elkaar. Bloed vloeit. Mousley kijkt eerst toe, ziet dat ook de paarden trillend volgen wat er gebeurt, terwijl ze hun beurt afwachten. Don Juan stampt net als de andere onrustig, maar verder is hij volkomen stil. Als het bijna zover is, kan Mousley niet langer toekijken. In plaats daarvan vraagt hij de onderofficier met het geweer om nauwkeurig te richten en het hem te zeggen als alles achter de rug is. Daarna kust hij het dier op de wang en vertrekt. Hij ziet nog hoe het paard zich omdraait en hem nakijkt.
Dan klinkt er nog een knal.
Het avondeten bestaat die avond uit het hart en de nieren van Don Juan. Deze delen van het paard zijn altijd gereserveerd voor de eigenaar. Mousley heeft ook Don Juans zwarte staart gekregen. Het is uiteraard een vreemd gevoel, maar hij vindt het niet verkeerd. Hij schrijft in zijn dagboek :”Ik weet zeker dat hij het liefst had gehad dat ik het deed, en niet iemand anders.”.
bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Broesilov gelooft dat hij een goed recept heeft voor een geslaagde aanval. Hij wil aanvallen op een breed front van honderden kilometers zodat Oostenrijk-Hongarije niet met zijn troepen kan schuiven om gaten te dichten. Hij kiest er ook voor om geen lange voorbereidende artilleriebeschietingen te doen die elk verrassingseffect vergallen. Niets laat hij aan het toeval over. Het vijandelijke loopgravennet wordt eerst netjes in kaart gebracht met luchtfoto’s en daarna nagebouwd in het Russische achterland. De belangrijkste aanvalseenheden repeteren hun aanval op de nagemaakte stellingen. De troepen in lijn krijgen de opdracht om grote schuilplaatsen te maken waar de aanvalstroepen veilig kunnen wachten in de laatste uren voor de aanval. Broesilov probeert ook zijn aanvalssectoren te beperken tot zones met een smal niemandsland zodat de aanvallers een reële kans hebben om de oversteek naar de vijandelijke linies te overleven. Waar dit nodig is, graaft de infanterie diepe naderingsloopgraven naar de Oostenrijks-Hongaarse eerste linie om zo de vertreklijn voor de aanval zo veel mogelijk naar voren te verleggen.






Gustaaf Mus, een rijkswachter afkomstig uit Dudzele, wordt op 30 maart 1916 voor de eerste maal aangehouden, maar weet te ontsnappen. Alles speelt zich af in de pastorij van priester Octaaf Declercq, een medespion. Daags daarna (31 maart 1916) wanneer Gustaaf Mus een koerier in Gent wil ontmoeten, wordt hij definitief gearresteerd.