Syrië verklaart zich onafhankelijk

Engeland en Frankrijk hebben tijdens de Groote Oorlog al afspraken gemaakt over de verdeling van de Ottomaanse provincies eenmaal de oorlog achter de rug is. Die afspraken zijn bekend als het Sykes-Picot verdrag van 1916. Syrië valt daarmee in Franse handen en is groter als wat we vandaag als Syrië kennen.

In oktober 1918 valt Damascus in handen van de Arabieren, gesteund door de Britten. Amir Faysal Ibn Husayni roept het Syrisch congres bijeen in hun nieuwe hoofdstad en vormt een regering. De Fransen letten erop dat ze Syrië onder hun controle houden. Georges Clemenceau, de Franse premier, staat wel toe dat Syrië onder leiding blijft van koning Faysal en hij staat hun redelijke onafhankelijkheid toe. De Britten maken zich wel zorgen als hij aanspraak maakt op Palestina, dat onder Brits mandaat valt. De Fransen willen van hun kant dat Libanon als een aparte staat wordt behandeld.

Op 20 januari 1920 volgt Alexandre Millerand de voormalige premier Clemenceau op en vanaf dan beginnen de relaties tussen Frankrijk en Syrië te verslechteren. Op 7 maart 1920 verklaart Syrië zich volledig onafhankelijk, verwijst het Frans mandaat naar de prullenmand en maakt aanspraak op Libanon en Palestina.

Op de conferentie van San Remo op 20 april 1920 maken Britten en Fransen hun definitieve afspraken. De Britten krijgen Palestina en Mosul, naast Mesopotamië (Irak) en daardoor krijgen de Fransen de zekerheid dat de Britten niet tussenbeide zullen komen als de Fransen tegen de Syriërs ten strijde trekken.

Bron : https://mepc.org/troubles-syria-spawned-french-divide-and-rule

Slag om Marash

Na de overgave van het Ottomaanse rijk aan de geallieerden in oktober 1918, komt de stad Marash onder gezamelijk Brits-Frans bestuur.  De Fransen sturen soldaten waaronder soldaten van het Armeense legioen die onder Franse vlag marcheren. De Fransen zorgen voor de repatriëring van Armeniërs die gedeporteerd zijn tijdens de oorlog. Na een aantal maanden zijn 150.000 Armeniërs terug in de streek van Cilicië , waaronder 20.000 voormalige inwoners van Marash.

Vanaf 4 november 1919 nemen de Fransen het volledige bestuur van Cilicië over. Kemal Atatürk is ondertussen bezig met het verzamelen van soldaten, al dan niet regulier, om het de Fransen heel lastig te maken in CIlicië. Vanaf januari 1920 komen Franse konvooien geregeld onder vuur tijdens plotse hinderlagen. Het Franse garnizoen van Marash, waaronder heel wat soldaten van het Armeense legioen, vraagt om versterking maar die versterking geraakt niet zonder moeite tot bij hen. De versterkingen onder leiding van luitenant-kolonel Robert Normand, baant zich al vechtend een weg tot Marash dat ze bereiken op 7 februari 1920. De artillerie meegebracht door de soldaten van Normand nemen de Turkse posities onder vuur. Op 8 februari maken de soldaten van Normand contact met de gevechtsposities van het Franse garnizoen van Marash. Normand brengt generaal Quérette het nieuws dat hij gekomen is om de evacuatie van Marash te begeleiden.

Op 11 februari wordt de laatste munitie in de depots onklaar gemaakt en de Fransen onder leiding van generaal Quérette wachten op de nacht om de stad te verlaten. Zo hopen ze niet gehinderd te worden door de Armeniërs die bij het zien van een evacuatie de stad ook zouden willen verlaten. Het gevolg is wel dat de Armeniërs, in de steek gelaten door de Fransen, de wraak van de Turken moeten ondergaan. De inname van Marash door de troepen van Kemal Atatürk gaat gepaard met een slachtpartij die volgens sommigen 5.000 tot 12.000 Armeniërs het leven zou kosten.

De Franse nederlaag in Marash wordt druk besproken in de Europese pers en in het Brits parlement. Ook de rol van luitenant-kolonel Normand en de vraag wie nu het bevel tot evacuatie heeft gegeven, maken onderwerp uit van een onderzoek. De grootste verrassing voor de Britten is wel dat ze niet op de hoogte waren van de sterkte van het leger van Kemal Atatürk. Voor de Turken was deze slag een overwinning en de eerste grote slag in de Turkse onafhankelijkheidsoorlog.

Bron https://en.wikipedia.org/wiki/Battle_of_Marash

het einde van Aleksandr Koltsjak

Aleksandr Koltsjak is een Russisch marineofficier met een indrukwekkende staat van verdiensten. Voor de oorlog is hij commandant van de Zwarte Zee-vloot. In 1916 is hij op 42-jarige leeftijd de jongste vice-admiraal. Na de februarirevolutie (1917) verlaat hij Rusland. Hij keert terug na de oktoberrevolutie en wordt leider van de Voorlopige Regering van Autonoom Siberië. Aanvankelijk boekt Koltsjak belangrijke successen en dringt hij door tot Omsk en Kazan bij de Wolga.

In april 1919 lijdt hij bij Samara een nederlaag tegen de Roden mede te wijten aan de veel te lange bevoorradingslijnen, onvoldoende gekwalificeerde officieren, moreel verval onder zijn troepen. In de zomer van 1919 stoot de Rode maarschalk Toechatsjevski door de Oeral en na het verlies van Omsk op 14 november 1919 trekken Koltsjaks troepen zich door Siberië heen terug naar het verre Oosten. Koltsjak en zijn gevolg verlaten de stad met de trein. Op 13 december komt de trein aan in Marinsk. Daar dwingt het Tsjechische Legioen en de Fransen onder leiding van generaal Maurice Janin de trein van Koltsjak op een zijspoor. Op dat tragere spoor strandt de trein van Koltsjak in de nabijheid van Irkoetsk. Einde 1919 breekt er muiterij uit onder de Russische soldaten en een deel schaart zich achter de rode vlag.

Op 5 januari 1920 doet de Franse generaal Janin Koltsjak het voorstel om ontslag te nemen in ruil voor een veilige aftoch. Op 6 januari 1920 wordt Koltsjak gedwongen ontslag te nemen als aanvoerder van de witte legers en zijn macht over te dragen aan generaal Denikin. De trein van Koltsjak sukkelt verder tot in het centrum van Irkoetsk. Daar wordt hij op 15 januari 1920 door Tsjechische soldaten op vraag van de Franse generaal Janin gearresteerd en overgedragen aan de socialistische muiters. Vanaf 21 januari tot 6 februari 1920 wordt hij ondervraagd. Dan volgt een terdoodveroordeling en tot slot de executie. Generaal Kappel wil met de soldaten die hem resten admiraal Koltsjak nog redden en rukt op richting Irkoetsk. Kappel lijdt echter aan tyfus en sterft onderweg. Zijn adjudant Wojciechowski zet de opmars verder maar komt te laat om de admiraal te redden. Dan begint de definitieve terugtocht van de witte legers gekend onder de naam “grote Siberische Ijsmars”.

De laatste foto van admiraal Koltsjak staat hieronder.

bronnen
https://fr.wikipedia.org/wiki/Alexandre_Koltchak
https://nl.wikipedia.org/wiki/Aleksandr_Koltsjak

protest van Franse piloten

Voor de overwinningsparade op de Champs-Élysées op 14 juli 1919 wordt de piloten gevraagd om te voet te marcheren, net zoals de infanteristen. De piloten beschouwen dit als een zwaar affront en een klein groepje besluit dit affront te beantwoorden door een vlucht onder de Arc de Triomphe. De piloot die wordt uitverkoren, is Jean Navarre, die 12 overwinningen heeft behaald en die tot de azen onder de piloten wordt gerekend. Maar Navarre sterft op 10 juli 1919 tijdens een trainingsvlucht.

De tweede keuze valt op Charles Godefroy. Die is vanaf 1914 soldaat geweest en is in 1917 overgestapt naar de luchtmacht. Met zijn vriend journalist Jacques Mortane bestudeert hij meermaals de Arc de Triomphe. Om het project geheim te houden, traint hij met een brug aan de Petit-Rhône, tussen Arles en Fourques. Mortane neemt zich voor de gebeurtenis te filmen. Men stelt de spectaculaire vlucht uit tot na de parade van 14 juli.

Op 7 augustus 1919 om 7u20, drie weken na de overwinningsparade, stijgt Chrales Godefroy op van het vliegveld van Villacoublay in zijn Nieuport 11. Hij cirkelt twee maal rond de Arc de Triomphe alvorens met grote snelheid te dalen en er onderdoor te vliegen. Veel marge heeft Godefroy niet. De hoogte van het gewelf van de Arc is 29,19 meter. Hij vliegt vlak over een tram tot grote schrik van de passagiers. Een half uur na het opstijgen is Godefroy terug op het vliegveld.

Fotografen en cineasten, verwittigd door Jacques Mortane, zijn aanwezig. Er worden foto’s en films gemaakt van de vlucht. De autoriteiten komen snel achter de naam van de piloot maar Godefroy komt ervan af met een verwittiging. Het is ook zijn laatste vlucht. Hij wijdt zich daarna aan zijn familie en zijn wijnhandel in Aubervilliers. Hij blijft lange tijd de enige piloot die erin geslaagd is om onder de Arc de Triomphe te vliegen. Pas op 18 oktober 1981 zal Alain Marchand er ook in slagen.

bron : https://fr.wikipedia.org/wiki/Charles_Godefroy

De vlucht is te zien op https://www.youtube.com/watch?v=HIZzkq5Y8q0


Luik gelauwerd door de Fransen

Op 24 juli 1919 ontvangt Luik de président van de Franse republiek Raymond Poincaré. Die komt de vurige stede een ereteken overhandigen, namelijk het teken van de Ridder van de erelegioen (“la Croix de Chevalier de la Légion d’honneur”). De president had Luik dat ereteken al toegekend op 7 augustus 1914, nauwelijks drie dagen na de Duitse inval in België. Deze beloning is toegekend aan Luik voor het verzet van de stad en zijn twaalf forten. Dit verzet had inderdaad de geallieerden de nodige tijd gegeven om zich te organiseren en de Duitse inval tegen te gaan.

bron : https://www.rtbf.be/info/regions/liege/detail_le-24-juillet-1919-liege-recevait-officiellement-la-legion-d-honneur?id=10276585

vredesverdrag ondertekend in Versailles

De Franse premier Clémenceau beslist dat het vredesverdrag zal worden ondertekend op 28 juni, precies vijf jaar nadat Gavrilo Princip in Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie neerschoot. Als locatie heeft Clémenceau de spiegelzaal van het paleis van Versailles gekozen. Het is de plaats waar in 1871 het Duitse keizerrijk werd uitgeroepen en Wilhelm I tot keizer werd gekroond. Hoeveel groter kan de vernedering voor Duitsland zijn.

In de spiegelzaal zoeken op 28 juni 1919 de afgevaardigden van meer dan dertig landen hun plaats. De onderhandelaars nemen plaats in het midden van de zaal. Recht tegenover hen is een plaats gereserveerd voor de Duitsers. Wanneer iedereen heeft plaatsgenomen, staat Clémenceau op. Het is precies 15 uur. “Faites entrer les Allemands.”, zegt hij. Achterin de zaal gaat een deur open. Twee deurwaarders stappen binnen, gevolgd door officieren uit Frankrijk, Groot-Brittannië , Amerika en Italië. Dan volgen de nieuwe Duitse minister van Buitenlandse zaken Herman Müller en de minister van transport Johannes Bell, die om 3 uur ’s ochtends vanuit Berlijn zijn aangekomen. Zodra zij hebben plaatsgenomen, neemt Clémenceau opnieuw het woord :”Messieurs, la séance est ouverte. Nous sommes ici pour signer le traité de paix.”. De Duitsers staan op, ze weten dat zij als eersten het verdrag moeten ondertekenen. In een doodse stilte zetten zij hun handtekening onder het verdrag. Terwijl de vertegenwoordigers van de andere landen opstaan om op hun beurt het verdrag te ondertekenen, gaat er een zucht van opluchting door de zaal. Buiten klinken kanonschoten een eresaluut aan de onderhandelaars, die aan meer dan vier jaar oorlog eindelijk een einde maken. Door de open ramen van de spiegelzaal is het gejoel van een juichende menigte te horen.

Bijna een uur later zijn alle documenten door de officiële vertegenwoordigers ondertekend. De Duitsers worden weer naar buiten geleid via de zijingang, de weg waarlangs zij gekomen zijn. Nog dezelfde avond keren zij terug naar Berlijn. Op de Parijse boulevards viert een gigantische mensenmenigte tot diep in de nacht het echte einde van de eerste wereldoorlog.

Onderstaande schilderij is van William Orpin, the signing of the Peace

bron : Mark de Geest, 14-18 in honderd dagen, Manteau

dreiging van een nieuwe oorlog

Duitsland is voor de vredesconferentie nadrukkelijk niet uitgenodigd. Pas eind mei 1919 vertrekt een Duitse delegatie onder leiding van minister van buitenlandse zaken graag Ulrich von Brockdorff-Rantzau uit Berlijn. De eerste contacten beloven echter weinig goeds. Wanneer de trein verwoeste gebieden in noord-Frankrijk doorkruist, laten de Fransen hem met opzet trager rijden, zodat de Duitsers nadrukkelijk met de oorlogsverwoestingen geconfronteerd worden. In Parijs leiden de Fransen de trein naar het afgelegen station Hôtel de Réservoirs in Versailles. Daarmee geeft Clémenceau een duidelijk signaal : in 1871 – na de Franse nederlaag tijdens de Frans-Pruisische oorlog – verbleven de Franse leiders tijdens hun onderhandelingen met Bismarck in hetzelfde hotel. Nu is het dus de beurt aan de Duitsers.

Na een week wachten worden de Duitsers uitgenodigd in het Trianon-paleis om daar het ontwerpverdrag te ontvangen. Daar opent Clémenceau de vergadering met :”Het pijnlijke uur van de afrekening is gekomen. U hebt om vrede gevraagd. Wij zijn hier om ze u te geven.”. Wanneer hij het verdrag doorneemt, beseft Brockdorff-Rantzau dat Duitsland voor vele jaren op de knieën wordt gedwongen. “Nu wordt verwacht dat Duitsland zich als enige schuldige van de oorlog bestempelt,” zegt hij. “Ik weiger zo’n bekentenis te doen : het zou gewoon een leugen zijn.”. Brockdorff-Rantzau tekent formeel protest aan en dringt aan op nieuwe gesprekken maar de overwinnaars weigeren te praten en blijven onverkort bij hun standpunt.

De Duitsers krijgen tot 23 juni om 19u de tijd om zich akkoord te verklaren met de vredesvoorwaarden. Is er op dat moment geen toezegging vanwege Duitsland, dan dreigt er opnieuw oorlog. In Parijs volgen dan spannende dagen. Pas op 23 juni om 15u30 – maar enkele uren voor het ultimatum afloopt – verklaren de Duitsers zich bereid om het vredesverdrag te ondertekenen.

bron : Mark De Geest, 14-18 in honderd dagen, Manteau