Duits verzet tegen Franse bezetting start

Nadat de Fransen het Ruhrgebied zijn binnengetrokken, reageert kanselier Cuno in een redevoering in de Reichstag. Voor hem gaat het Frankrijk niet om de herstelbetalingen. Frankrijk voert een brutale expansiepolitiek die al gestart is onder Lodewijk XIV en die zijn republikeinse opvolgers nu voortzetten. Alle partijen in de Reichstag reageren met de nodige bijval. Er heerst een gevoel van nationale eenheid, net zoals in de begindagen van de oorlog in augustus 1914. Alle meningsverschillen tussen de partijen zijn weggevallen.

Reeds voor de Franse inval hebben heel wat bedrijven hun hoofdkantoor naar andere streken in Duitsland verhuisd. Zo heeft het Rheinisch-Westfalische Kolensyndicaat zijn zetel in Hamburg gevestigd. Dat levert de Fransen al wat problemen op bij hun kolenvordering. En ook de spoorwegarbeiders en -bedienden hebben het werk neergelegd waardoor het kolentransport zelf ook nog bemoeilijkt wordt. Fransen en Belgen zullen zelf 11.000 man personeel van hun spoorwegen naar Duitsland brengen alvorens de kolentransporten hernemen.

De belangrijkste beslissing van de Duitse regering is de lonen van ongeveer twee miljoen arbeiders die in staking zijn, over te nemen en verder uit te betalen. Zo kan het passieve verzet tegen de Franse bezetting worden volgehouden. Maar juist deze beslissing zorgt ervoor dat de Duitse mark verder zal ontwaarden. Want deze bezetting is op zich al een economisch verlies voor het ganse land. In het Ruhrgebied en het reeds eerder bezette gebied van Rijnland en Saarland leven ongeveer twaalf miljoen mensen of twintig procent van de Duitse bevolking. De gebieden omvatten bijna 13 procent van de textielindustrie, 18 procent van de metaalindustrie en 26 procent van de chemische industrie. Maar nog veel belangrijker is dat de bezette gebieden 84 procent van de steenkolen leveren, 76 procent van het ruw ijzer en 82 procent van het ruw staal. De afscheiding van de bezette gebieden van de Duitse economie staat gelijk met een onthoofding. En toch neemt de Duitse regering de beslissing om de stakende werknemers en de gesloten bedrijven financieel te ondersteunen. Het is in feite een uitzichtloze onderneming die zware gevolgen heeft.

Op de financiële markten ziet men de gevolgenOp 10 januari 1923, de dag voor de Frans-Belgische inval, staat een dollar gelijk met 10.000 mark. Een week later kost een dollar al 19.500 mark. Op 27 januari betaal je voor een dollar 25.000 mark, op 30 januari 35.000 mark en op 31 januari zelfs 50.000 mark.

Bron : Frank Stocker, Die Inflation von 1923, FBV 2022

Franse soldaten aan Deutsches Eck nabij Koblenz

Fransen bezetten Ruhrgebied

Er is weinig verkeer op straat, alle winkels zijn gebarricadeerd en de inwoners hebben de jaloezieën naar beneden gedaan. Essen lijkt wel leeg als op 11 januari 1923 Franse soldaten de stad binnen marcheren. De soldaten zijn hun operatie ’s nachts om 2 uur begonnen en in de ochtend naderen ze het stadhuis. Daar zit Hans Luther in het bureel van de burgemeester. Kort daarvoor heeft Rijkskanselier Cuno hem tot minister benoemd. Maar daarna is Luther snel naar Essen teruggekeerd.

Als de Franse soldaten het stadhuis van Essen naderen, sturen ze een officier vooruit. Die geeft Luther het bevel om aan de ingang van het stadhuis de Franse generaal Rampond op te vangen. Luther weigert echter, en uiteindelijk moet generaal Rampond zelf binnengaan via de dienstingang in het stadhuis van Essen. Een korte maar vluchtige triomf voor Luther. Rampond verklaart dat de Franse bezettingsmacht bezit neemt van de spoorwegen, post, telegrafie en kanaalbeheer. Luther antwoordt dat hij enkel zal knielen voor militaire dwang. Maar hij heeft dus geen keuze.

De Franse premier Poincaré stuurt een commissie van 72 ingenieurs naar het Ruhrgebied, die de opdracht hebben de kolenlevering te garanderen. Voor hun bescherming worden ook nog 60.000 Franse en Belgische soldaten gestuurd met de opdracht het Ruhrgebied met 3,5 miljoen inwoners te bezetten.

bron : Frank Stocker, die Inflation von 1923, FBV

De tekening onderaan toont in het rood de Duitse gebieden die al door de Fransen bezet waren vlak na de wapenstilstand in 1918. In het groen zie je de gebieden die de Fransen in 1923 extra bezet hebben.

Britse onderschatting van Franse dreiging

De Duitse regering Cuno heeft al in november 1922 de geallieerden gevraagd om een nieuw uitstel te geven voor de herstelbetalingen. De Duitse Mark lijdt almaar verlies en de inflatie in Duitsland neemt hand over hand toe. De Duitse economie zit in een zware crisis en dan kan uitstel voor herstelbetalingen de reddingsboei betekenen die Duitsland nu nodig heeft. De Duitse regering denkt drie tot vier jaar nodig te hebben om voor stabiliteit te zorgen. Daarna kunnen de herstelbetalingen hervat worden. Maar tijdens de uitstelperiode zal Duitsland verder materialen leveren die nodig zijn voor de heropbouw in België en Frankrijk.

De Franse president Poincaré heeft hier echter geen oren naar. Hij is van mening dat Duitsland wel kan betalen maar het niet wil. Om de druk op Duitsland te verhogen laat Poincaré in de pers lekken dat het Franse kabinet erover nadenkt om twee derden van het Ruhrgebied te bezetten. De Britten zijn niet zo standvastig als de Fransen en staan wel open voor uitstel van de herstelbetalingen. De Duitse premier Cuno waagt nog een poging op de conferentie in Londen die start op 9 december 1922. Maar de geallieerden geraken het onderling niet eens over de Duitse vraag voor uitstel. Ze besluiten dat het Duitse voorstel niet voldoende is en dat ze hierover terug beraadslagen in Parijs op 2 januari 1923. Op die conferentie moeten de Duitsers dan met een nieuw voorstel komen dat aan de geallieerde vragen tegemoet komt.

Het probleem is nog ingewikkelder want niet alleen de Duitsers hebben schulden. Ook de Fransen en de Engelsen moeten hun schulden aan de Amerikanen aflossen. Als zij de Duitsers uitstel geven, moeten ze maar hopen dat de Amerikanen even clement zijn als zijzelf. Enkel de Amerikanen hebben geen af te lossen schulden maar ze zijn niet van plan om uitstel van betaling te verlenen aan hun schuldenaren.

De Britten geloven trouwens dat Poincaré bluft met zijn dreiging om het Ruhrgebied met Franse troepen te bezetten. Zou hij zijn dreiging toch uitvoeren, dan zou het tot een breuk met de Britten komen en zou Frankrijk politiek geïsoleerd zijn. Maar hierin vergissen de Britten zich schromelijk. In het nieuwe jaar 1923 zal de Duitse inflatie een dramatische fase kennen.

Bron : Frank Stocker, die Inflation von 1923, FBV

een moeilijke bevalling in de Duitse politiek

Het is eigenlijk onmogelijk. Alles is meermaals nagekeken. En toch gebeurt het. De Reichsbank wil op 14 november 1922 grote sommen baar geld van haar centrale in de Berlijnse Jägerstrasse naar andere filialen in het Rijk verzenden. Daarvoor gebruiken de beambten grauwe juten zakken. Iedere zak bevat 10 miljoen Mark in biljetten van tienduizend Mark. Iedere zak wordt in het bijzijn van Reichsbankbedienden, tellers en inpakkers, meermaals gecontroleerd. Daarna worden de zakken naar buiten gebracht en in een klaarstaande vrachtwagen ingeladen, telkens in het bijzijn van een beambte van de Schutzpolizei. In het station gekend als “Schlesien Bahnhof” worden de zakken dan in een transporttrein overgeladen . Maar als de beambten daar opnieuw tellen, volgt de ontzetting : er ontbreekt een zak. 10 miljoen Mark zijn verdwenen.

Dit gebeurt op dezelfde dag dat de regering Wirth aftreedt en het is als een parabel van de politieke gebeurtenissen. Ook de rtegering is van de ene moment op de andere verdwenen en men kan niet direct een nieuwe regering vinden. Want de politieke situatie in Duitsland is lastig. Gustav Stresemann wil een nieuwe regering samenstellen en polst bij verschillende politici of zij tot zijn regering willen toetreden. Een van hen is Wilhelm Cuno, voormalige bedrijfsleider van de Hamburg-Amerikanischen Packetfahrt-Actien-Gesellschaft (HAPAG). Maar president Ebert heeft nog een politieke rekening te vereffenen met de DVP, partij van Stresemann. De regering Stresemann eindigt dus nog voor ze goed en wel van start is gegaan.

De verrassende nieuwe Duitse kanselier wordt Wilhelm Cuno zelf. Het voordeel is de moeilijke politieke situiatie is dat Cuno in feite apolitiek is. ten tijde van het Keizerrijk heeft hij als beamte voor de Rijksschatkist gewerkt. Hij is het schoolvoorbeeld van de gedisciplineerde Pruisische beambte. Na de oorlog heeft hij de leiding van HAPAG overgenomen en er een succesverhaal van gemaakt. Daarmee heeft Cuno goede contacten gekregen in het Brits en Amerikaanse bedrijfsleven. Maar de beroepspolitici maken het Wilhelm Cuno zo moeilijk om een regering samen te stellen, dat die het ei zo na wil opgeven.

En dan komt Stresemann ter hulp. Die is niet rancuneus tegenover Cuno en slaagt erin om de goede wil bij de diverse partijen te doen zegevieren. Stresemann spreekt de profetische woorden uit :”Als Cuno door de weerstand van de partijen niet in staat is om een regering tot stand te brengen, dan kunnen we een beweging tegen het parlemantaire stelsel zien opkomen met onoverzienbare gevolgen. Dan komen we tussen bolsjewisme en fascisme.“. Hoe profetisch zijn woorden zouden worden, kon Stresemann toen nog niet weten.

Op 22 november 1922 kan Wilhelm Cuno dan eindelijk melden dat Duitsland een nieuwe regering heeft. Het is een zware bevalling geweest. En Cuno kan al direct in zijn regeringsverklaring een belangrijke paragraaf wijden aan de herstelbetalingen die Duitsland verschuldigd is aan de geallieerden. Op 14 november heeft Duitsland al een moratorium gevraagd om de herstelbetalingen op te schorten voor de komende drie tot vier jaren. In die periode hoopt de Duitse regering iets te doen aan de inflatie die hoe langer hoe zwaarder weegt op de Duitse economie. Maar de Franse president Poincaré heeft daar geen oren naar. Vraag is dus of en hoe Duitsland de inflatie kan terugdringen.

bron : Frank Stocker, die Inflation von 1923, FinanzBuchVerlag, 2022

inflatie in Duitsland

Geld heeft drie functies. Het dient natuurlijk als betalingsmiddel. Een bepaalde hoeveelheid geld wordt gegeven in ruil voor een product. Daarnaast wordt geld ook als rekeneenheid en maatstaf van waardering gebruikt. Het bedrag dat een goed kost, drukt de waarde uit dat een gemeenschap aan dat goed hecht. Ten derde is geld ook een waardeopslag. Men kan geld sparen om later voor grotere uitgaven te gebruiken.

Oorspronkelijk bestond geld uit gouden, zilveren of koperen munten. Later heeft men papieren biljetten ingevoerd dat overeenstemt met de waarde van die munten. Het papier van die biljetten is niet meer waard dan het papier zelf, maar door het vertrouwen in de munt heeft dit papier dezelfde waarde als de munten die het vertegenwoordigt.

In 1922 is het vertrouwen in de Duitse Mark ernstig geschaad. De moord op minister Walter Rathenau (lees meer in dit bericht) heeft dit vertrouwen nog verder geschaad. De Mark wordt nog gebruikt als betaalmiddel maar niet meer als waardeopslag. Niemand wou de Mark nog op zijn spaarboekje hebben en zelfs niet te lang in de portemonnee. De snelheid waarmee het geld in Duitsland omgaat neemt gedurig toe. En zo ontstaat de inflatie in Duitsland.

Om een voorbeeld te geven : een roggebrood dat in juni 1922 in Berlijn 8,15 Mark kostte, kost eind 1922 om en bij 163 Mark. De prijs van aardappelen verviervoudigde van 4,05 naar 16,65 Mark. Een kilo varkensvlees stijgt van 123 naar 1.880 Mark. Boter stijgt van 144 naar 3.050 Mark en voor een ei moet geen 5,40 maar 82 Mark betaald worden.

bron : Frank Stocker, Die Inflation von 1923, Finanz Buch Verlag

moordenaars van Rathenau gevat

Op 29 juni 1922 koppen de Duitse kranten “namen van Rathenaus moordenaars ontdekt”. Als de kranten openen met de beschrijvingen van de daders, wordt nog dezelfde dag de chauffeur van de aanslag Ernst Werner Techow gearresteerd op een landgoed bij Frankfurt an der Oder. Erwin Kern en Hermann Fischer, de moordenaars van de Königsallee, zijn weliswaar nog niet gepakt maar de landelijke verspreiding van hun signalement ondermijnt hun zelfverzekerdheid.

De vlucht van Fischer en Kern is een wilde achtervolgingsjacht kriskras door Duitse landstreken, met hectische aftochten en veel wisselingen van kleding, valse sporen, afleidingsmaneuvers en tegenwerking. Door de golg van arrestaties zijn er gaten gevallen in het netwerk van Organisation Consul en is haar kracht zodaning verzwakt dat ze de twee mannen niet meer kan opvangen.

Half juli vraagt jurist Hans Wilhelm Stein een onderhoud met de leider van het geheime verbond Hermann Ehrhardt, de beroemde “Consul”. Stein vertelt Ehrhardt dat Erwin Kern en Hermann Fischer na een dagenlange vlucht bij hem in kasteel Saaleck onderdak hebben gevonden. Maar dan laat hun intuïtie de twee vluchters op het laatste moment in de steek.

Op 16 juli 1922 melden twee vakantiegangers op het politiebureau in Halle dat ze een licht hebben gezien in de woontoren van kasteel Saaleck, terwijl de kasteelheer op reis is. Tijdens een wandeling hebben ze daar twee jonge mannen gezien die eruitzien als de mannen op de opsporingsaffiches.

Drtig politiemannen omsingelen het kasteel, belegeren de woontoren en nemen gewapend met vuurwapens hun posities in. Fischer en Kern, overrompeld doordat ze ontdekt zijn,verschansen zich op de derde verdieping en klimmen vandaaruit naar het dakplatform. Een van hen roept nog :”We weten hoe we moeten sterven, wij sterven voor onze idealen, onze opvolgers komen eraan.”. Daarna trekken ze zich terug in de toren.

Een politieman vuurt met een karabijn enkele schoten in de richting van het torenvenster op de bovenste verdieping. Kern wordt door een van de schoten in zijn hoofd getroffen en zakt met zijn rug tegen de muur op de grond. Fischer sleept zijn kameraad naar het bed en tilt hem erin. Daarna gaat hij naast hem liggen en schiet zichzelf dood. Als de politiemensen de deur naar de bovenste verdieping openbreken, komen ze terecht in een onwerkelijke mise-en-scène, die door politiefotografen is vastgelegd.

bron : Florian Huber, de wraak van de verliezers, Hollands Diep

aanslag op Walter Rathenau

Zaterdag 24 juni 1922. Alweer zo’n natte, bewolkte junimorgen in Berlijn. In de ochtendedities van de Berlijnse kranten staan berichten over de parlementszitting van de vorige dag, over Helfferichs provocaties tegen de minister van Buitenlandse Zaken Walter Rathenau, over de debatten die tot in de avond duurden. Een paar kleinere voorstellen zijn door de Rijksdag uitgesteld tot deze zaterdag.

Ernst Werner Techow is sinds zeven uur vanmorgen op de been om te kijken hoe het met de reparaties aan de Mercedes staat. Hij schat dat de auto tegen tien uur weer rijklaar kan zijn. Door het observeren van de minister weten ze dat hij om half elf in de auto zal stappen. Nog één keer bespreken ze hun aanpak, verzekeren Erwin Kern en Hermann Fischer zich ervan dat hun chauffeur zijn zenuwen de baas is.

Kort voor half elf start Ernst Werner Techow de auto en rijdt de weg op. Hij parkeert de wagen in de Joseph-Joachim-Strasse. Van hieruit hebben ze zicht op de kruising van de Koenigsallee, die maar enkele meters verwijderd is van het huis met nummer 65. Als Rathenau naar het centrum wil rijden, moeten ze zijn auto zien langskomen.

Te veel inspanning, te weinig slaap en daardoor komt Rathenau iets te laat uit zijn huis in Grunewald. De minister stapt in zijn auto. Het is kwart voor elf. Er is op deze zaterdagmorgen maar heel weinig verkeer in Grunewald, zodat Techow ver vooruit kan kijken in de straat en zonder haast de achtervolging kan inzetten. Een politiemand ziet de twee auto’s langsrijden, het kleine grijze voertuig met de rode wielen, en daarachter de donkerbruine gevechtsmachine met de drie vliegenierskappen. Techow ziet een kar waardoor de auto voor hem moet afremmen en hijzelf de kans krijgt om aan te sluiten op precies dat punt dat ze gisteravond op de stansplategrond hebben afgesproken : de s-bocht in de Koenigsallee, hoek Wallotstrasse en Erdener Strasse.

Noch Walter Rathenau, noch zijn chauffeur Prozeller hebben iets van de achtervolging gemerkt. Een bouwvakker ziet twee open auto’s tijdens een inhaalmaneuver op zich afkomen tot ze ter hoogte van hem op armlengte naast elkaar rijden. Hij hoort acht tot tien schoten kraken. Daarna gooit een van de aanvallers een voorwerp zo groot als een vuist op de achterbank van de cabriolet. De aanvallers rijden met grote snelheid weg en er weerklinkt nog een doffe knal. De handgranaat is in de voetenruimte onder Walter Rathenau ontploft.

De verpleegkundige Helene Kaiser, die op de hoek van de Erdener Strasse op de tram zat te wachten, loopt naar de rokende auto toe en kijkt in het bebloede gezicht van de minister. Ze ziet de verbrijzelde onderste gezichtshelft, zijn lichaam dat uit vele wonden bloedt, de brandende bekleding en de grote zwartrode plas op de bodem van de auto. De chauffeur, die met behulp van de slinger de motor van de auto weer op gang heeft gekregen, keert en rijdt over de Koenigsallee naar de villa, terwijl Helene Kaiser zich om de stervende Rathenau bekommert. Wanneer Walter Rathenau kort voor elf uur weer terugkeert in zijn villa, is hij dood. Hij is vierenvijftig jaar geworden.

bron : Florian Huber, de wraak van de verliezers, Hollands Diep

Walter Rathenau

Operatie Nemesis slaat weer toe in Berlijn

Operatie Nemesis is de naam die gegeven wordt aan de campagne van een groep Armeniërs die de schuldigen voor de Armeense genocide wil straffen. In 1922 beraamt men opnieuw een aanslag in Berlijn, na de moord op Talaat Pasha in Berlijn in 1921.

De Armeniërs sturen weer verkenners uit naar Berlijn om hun volgende slachtoffers te schaduwen. Eén van deze verkenners, Hrap Papazian, sluit vriendschap met Kemal, de zoon van Djemal Azmi, en met de weduwe van Talaat Pasha. Papazian doet zich natuurlijk voor als oud landgenoot maar verraadt zijn Armeense afkomst niet. Aan tafel hoort bij vaak verhalen over de vervolging van de Armeniërs tijdens de oorlogsjaren. Een andere verkenner, Arshavir Shiragian, sluit op zijn beurt vriendschap met de familie van een Duitse politieagent, herr Sack. Deze agent brengt het nodige papierwerk in orde voor Shiragian zodat hij legaal in Duitsland kan blijven.

Op de avond van 17 april 1922 besluit de groep tot de aanval over te gaan. Shiragian en Yerganian gaan na het eten een wandeling maken in de buurt waarvan ze denken dat ze hun doelwitten kunnen ontmoeten. Rond 10 uur ’s avonds zien ze hun doelwitten : Djemal Azmi, voormalig gouverneur van Trebizonde, en dokter Shakir wandelen met hun vertrouwde gezelschap langs de drukke straat. De Armeniërs vermoeden dat er ook gewapende lijfwachten in het gezelschap zijn en volgen hen daarom op een discrete afstand. Hun wandeling brengt hen langs de Uhlandstrasse, niet ver van de Kurfürstendamm. Eén van de cinema’s in de buurt speelt de film “Dr. Mabuse, der Spieler”. Er heerst een gezellige drukte. Yerganian fluistert Shiragian toe dat ze de operatie moeten afbreken wegens de aanwezigheid van twee lijfwachten en de mensenmassa’s op straat.

Shiragian maakt een kruisteken en antwoordt Yeragian dat hij zelf moet bepalen of hij meekomt of niet maar dat de aanval wat hem betreft doorgaat. Shiragian trekt zijn wapen en Yerganian volgt. De weduwe van Talaat Pasha ziet de wapens en begint te gillen. Shiragian duwt haar opzij, mikt en schiet Azmi onder zijn linkeroog. Die valt dood neer. Daarna richt Shiragian zijn wapen op dokter Shakir, vuurt en verwondt hem. Yerganian vuurt op zijn beurt op Shakir en geeft hem zo het genadeschot. Ze zetten het op een lopen, tot hun verbazing achterna gezeten door de massa toeschouwers in de straten.

Ze slagen erin om te ontsnappen en gaan later in de buurt kijken naar het resultaat van hun moordaanslag. De twee Armeniërs begrijpen dat er snel een politiecordon is opgezet. Shiragian geraakt aan de praat met een Duitse familie tussen de omstaanders en met deze Duitse familie slagen ze erin om door het cordon te wandelen zonder verder verontrust te worden.

bron : Eric Bogosian, Operation Nemesis, Back Bay Books, p.254

aanval op Otto Ballerstedt

Nu Hitler de nieuwe voorzitter is geworden van de NSDAP (lees meer daarover in dit bericht) , zet hij zijn propaganda op dezelfde manier voort als voorheen. De aanhoudende spanningen tussen Beieren en het Reich komen hem daarbij goed van pas. Nadat minister Matthias Erzberger van Financiën op 26 augustus 1921 is vermoord (meer info in dit bericht) , roept president Friedrich Ebert de noodtoestand uit. In strijd met de grondwet weigert Gustav von Kahr, minister-president van Beieren, te erkennen dat die ook in Beieren van kracht is. Zo blijft de sfeer onverminderd explosief. Materiële onvrede draagt het nodige aan de stemming bij. Met de devaluatie van de mark stijgen de prijzen. Voedselproducten zijn in 1921 bijna acht keer zo duur als vlak na de oorlog.

Om publicitaire redenen voert Hitler de provocaties aan het adres van zijn politieke vijanden en de autoriteiten verder op. Op 14 september 1921 verstoort hij de orde op een bijeenkomst in de Löwenbräukeller, waar één van zijn aartsvijanden, de voorzitter van de separatistische Bayernbund, Otto Ballerstedt, het woord zal voeren. Een groepje volgelingen van Hitler is vroeg gekomen om de zitplaatsen rond het podium te bezetten. Hitlers aankomst in de stampvolle zaal is het signaal om onder de kreet “Hitler, Hitler” het podium te bestormen. Iemand doet het licht uit in de hoop dat er dan niet gevochten zal worden. Maar dat maakt de chaos alleen maar erger. Als de lichten weer aangaan, blijken Ballerstedt en een partijgenoot gemolesteerd en gewond te zijn. De inmiddels gewaarschuwde politie moet naar het schijnt Hitlers hulp inroepen om zijn mannen tot bedaren te brengen. Dat doet hij graag. Hij heeft zijn doel bereikt. “Ballerstedt zal vandaag niet meer spreken.”, zo verklaart hij.

De zaak is daarmee niet afgefdaan. Ballerstedt dient een klacht tegen Hitler in. De rechter veroordeelt hem wegens verstoring van de openbare orde tot drie maanden cel, waarvan twee maanden voorwaardelijk, afhankelijk van goed gedrag. Zelfs zijn machtige vrienden kunnen niet voorkomen dat Hitler die ene maand moiet zitten. Tussen 24 juni en 27 juli 1922 zit hij in de Stadelheim-gevangenis in München. Hitler rekent later nog met Otto Ballerstedt af. Tijdens de nacht van de lange messen eind juni begin juli 1934 is Ballerstedt één van de duizenden slachtoffers van deze dagenlange moordpartijen.

bronnen

https://en.wikipedia.org/wiki/September_1921

Ian Kershaw, Hitler – hoogmoed 1889-1936, Het Spectrum, p. 242

Otto Ballerstedt

politieke moord in het Zwarte Woud

Het lagere aan de Rijn gelegen deel van het Renchdal wordt omzoomd door hellingen met wijngaarden en boomgaarden. Verderop in het dal gaan ze over in dichte bossen, afgelegen zijdalen en de bergketens van het middendeel van het Zwarte Woud. Vanuit het kuuroord Bad Griesbach loopt een wandelweg met nauwe bochten door een dicht woud naar de Alexanderschans op de Kniebis, een langgerekte bergrug.

Op 26 augustus 1921, na de vroegmis, maakt Matthias Erzberger zich op voor een wandeltocht met zijn partijgenoot Carl Diez, waarbij hij zijn vrouw en dochter niet meeneemt. Het is de laatste dag van de vakantie. Na het zomerreces van het parlement wil hij uit zijn politieke ballingschap terugkeren naar de bedrijvigheid van de hoofdstad van het rijk. Enkele dagen daarvoor heeft hij in Berlijn persoonlijk te horen gekregen dat de rechtszaak tegen hem wegens belastingontduiking is geseponeerd.

Met Diez, zijn vriend uit de partij, is er een en ander te bespreken voor de komende dagen. Diep in gesprek verwikkeld laten de wandelaars op de oplopende Kniebisstrasse de huizen van Bad Griesbach achter zich. Die nacht heeft het hard geregend en het druppelt nog altijd waardoor ze onderweg bijna niemand tegenkomen. Na de derde haarspeldbocht, die tussen hoge dennenbomen ligt, worden ze ingehaald door twee jonge mannen, van wie er één een landkaart bij zich heeft. Heinrich Schulz en Heinrich Tillessen hebben zich voorgenomen deze keer un opdracht wel uit te voeren en de omstandigheden lijken gunstig. Toch missen ze ook deze kans om in actie te komen. Erzberger en Diez, die achterop zijn geraakt, lopen nog maar een bocht verder tot een boswachtershut en gaan dan terug naar Griesbach. Dat is tegen elf uur ’s ochtends.

Opeens begrijpen Tillessen en Schulz dat de tijd hun door de vingers glipt. Haastig gaan ze de anderen achterna tot ze hen in de tweede haarspeldbocht inhalen. Als ze even blijven staan, verdwijnen de remmingen bij Heinrich Tillesen. “Omdat ik het gevoel had dat het de hoogste tijd was dat we iets deden, trok ik mijn pistool en sprong naar voren”, zal hij later verklaren. Erzberger staat een meter of twee, drie voor Tillessen als die meerdere schoten achter elkaar rechtstreeks van ooghoogte op hem afvuurt. “Schiet, schiet dan toch,” hoort Schulz zijn kameraad roepen, “anders zou het allemaal voor niets zijn.”. En dan richt hij op Carl Diez, die door de druk van het schot omver valt. Erzberger sleept zich ondertussen naar het struikgewas aan de rand van de weg en glijdt op zijn buik van de helling omlaag naar het dal. Ze blijven schoten op hem afvuren. Schulz springt van het talud, daarbeneden ligt Erzberger, neergevallen aan de voet van een den. Schulz buigt zich over hem en schiet twee keer op zijn hoofd. Daarna klimt hij het talud weer op. Tillessen staat daar nog. Diez ligt gewond op de weg.

Ze hebben een vluchtplan nodig. Ze willen zich dwars door de velden een weg banen naar Oppenau. Hun revolver verstoppen ze ergens in een bosje. Enkele uren later komen ze aan in het pension, doornat en doodop. ’s Middags bij de koffie horen ze van de waardin dat enkele uren eerder, maar één dorp verderop, de bekende politicus Matthias Erzberger is vermoord.

Schulz en Tillessen gaan terug naar München waar ze verslag uitbrengen bij hun meerdere Manfred von Killinger. Als in de pers de eerste uitkomsten van het onderzoek verschijnen, beveelt hij hun de wijk te nemen naar Oostenrijk, en later naar Hongarije. Het netwerk van Organisation Consul dat connecties heeft met bevriende rechtsten en nationalisten werkt soepel. Ze krijgen telkens op het juiste moment aanwijzingen en financiële middelen. De Münchense hoofdcommissaris van politie Pöhner zorgt voor de reispapieren.

Hun opdrachtgevers in München hadden de politieke moord op de volksverrader vanuit de schaduw van de anonimiteit willen uitvoeren, zonder sporen na te laten. Maar anders dan de bedoeling is, zal Organisation Consul door de moord op Matthias Erzberger in het hele Duitse Rijk bekend worden. Twee weken na Erzbergers dood vaardigt het Openbaar Ministerie van Offenburg een arrestatiebevel uit tegen Heinrich Schulz en Heinrich Tillessen.

bron : Florian Huber, de wraak van de verliezers, Hollands Diep