de bloemmolens van Diksmuide

Dokter Lievens noteert het volgende in zijn dagboek.

28 november 1915
Ik fotografeer de brug en de Bloemmolens van Diksmuide (ook bekend als de Minoterie). Dat laatste had me het leven kunnen kosten, want de kogels fluiten om me heen. Gelukkig heb ik me onmiddellijk op de grond gegooid na het kiekje. Enkele minuten later op tien meter van me af krijgt in een loopgraaggang een sergeant van het 8e linie een kogel in het hart. ’s Avonds wordt bij André Brayeur door een kogel een vinger geamputeerd.

29 november 1915
Het regent, dat belooft voor de aflossing. Jean Blocquions krijgt een kogel in het been. Om 19 uur verlaat ik mijn post en volg de weg van het decauvillespoor. Dit parcours is niet aan te bevelen, want je loopt zonder de minste dekking. Maar deze weg is veel korter dan de gewone weg KaaskerkeOude BarrièreLampernisseOeren. Dat is een goede vijftien kilometer te voet. Ik kom aan tegen middernacht, totaal vermoeid. Een goede maaltijd brengt me weer op krachten. Daarna ga ik op het stro liggen, waar ik onmiddellijk inslaap.

bronnen
André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo
foto komt uit Daniël Vanacker, België in de grote oorlog, Roularta Books

 

Diksmuide_Minoterie

zicht op de bloemmolens of minoterie te Diksmuide vanuit Belgische loopgraven

koude dagen voor Gaston Le Roy

Gaston Le Roy heeft het vooral over de koude tijdens de laatste novemberdagen.

17 november 1915
Bij onze kepie krijgen we een kaki geverfde helm, voorzien van een leeuwenkop, net als op het wasstijfselmerk Amidon Remy. Wat hebben we lol… we zien eruit als politiemannen met die metalen pot op ons hoofd.

21 november 1915
Met de helm op verlaten we het luizennest om tweemaal zes dagen piket te doen. We genieten veel bijval, iedereen vindt ons leuk met ons nieuwe hoofddeksel.

22 november 1915
Halfzes… opstaan ! Na de koffie gaan we werken. Het is bitter koud, de weiden rondom de houten barak zijn berijmd. Het grootste deel van mijn vrije tijd breng ik bij M. van mijn gemeente door, bij een gloeiend kacheltje. Het doet zo’n deugd warm te hebben dat ik het ding wel zou kunnen omhelzen…

28 november 1915
Eerste sneeuw. Vannacht vriest het zo hard, dat het onmogelijk is te slapen. Ik rol mijn voeten in een doek en leg er stro, een deken en mijn kapotjas op maar het blijven ijsklompen. Met enkelen staan we op en trachten de voeten te verwarmen met rond te lopen. Wat zijn we blij als de ochtend aanbreekt en we warme koffie kunnen drinken.

bron : André Gysel, Gaston Le Roy dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger , Lannoo

IjzerfrontSneeuw

dokter Lievens onder vuur

Dokter Lievens noteert in zijn dagboek op 26 november 1915 het volgende.

Hevige beschietingen van onze loopgraven met groot kaliber. De granaten vallen op ongeveer honderd meter van mijn schuilplaats. Terwijl ik aan het kijken ben, komt ineens een man in paniek aangelopen en zakt op tien meter van mij in mekaar. Ik haast me naar hem toe, onderzoek hem en stel vast dat hij in de dijven verschillende diepen wonden heeft, veroorzaakt door granaatscherven. Hij zegt me dat hij sergeant is bij de Genie en dat er mannen bedolven liggen (zijn naam was Brien Hubert). Een adjudant van de Genie, Hermes Fernand, hoort dat er soldaten in de problemen zitten en roept me, terwijl hij al in de richting loopt. Ik verbind haastig mijn gewonde, laat hem wegbrengen en spoed me dan ook in de richting van de beschieting, die al de hele tijd voortduurt.

De laatste granaat valt er als ik op dertig meter van het onheil ben. Bij onze aankomst vinden we daar geen levende ziel. Maar plots ontdek ik dan een met vettige aarde overdekte arm die uitsteekt. De aarde die net omgewoeld is, laat zich gemakkelijk verwijderen en ik haal er een onherkenbare man uit. Hij ademt niet meer. Dan bemerk ik wat verder een andere, half zittend, half liggend, met het hoofd geleund tegen een scherpe steen. Een dun straaltje bloed tekent een rode streep van zijn haarlijn tot de kin. Ik herken Hermes, die vijf minuten eerder bij mij was weggegaan. Naast hem ligt een andere figuur die wreedaardig is toegetakeld met een enorm gat in het hoofd, de uitgeslagen hersenen liggen rondom hem. Op het identiteitsplaats lees ik “Cornelis Jozef“, een man van mijn eskadron. Nog wat verder sterft een ander slachtoffer van wie de schedel is stukgeslagen door een granaatscherf. Al die ongelukkigen zijn al een geworden met de aarde waarin ze zijn opgenomen.

bron : André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo

EclatObus02

Deens verjaardagsfeest in Lens

Kresten Andresen is een Deen, die de pech heeft in voormalig Deens gebied in Sleeswijk-Holstein te wonen. Sinds de tweede Duits-Deense oorlog (1864) is het gebied van Denemarken naar Duitsland verhuisd. En dus kent het Duitse leger ook heel wat Deenstaligen. Peter Englund heeft de brieven en dagboeken van Kresten Andresen gelezen en noteert voor 27 november 1915 het volgende verhaal.

Koude regen en storm. Kale, leeggeblazen bomen. Grijs, grijs, alles is grijs : het weer, hun uniformen, de steeds meer aangelengde koffie. Maar deze dag is een vrije dag. Pas vannacht zal hij weer op zijn plek moeten zijn, dus Andresen maakt van de gelegenheid gebruik om een paar vrienden van thuis uit de 2e compagnie te bezoeken. Het is al lang geleden dat hij Deens met iemand heeft kunnen spreken. Hij heeft zich eenzaam gevoeld. (…)

Op het moment zijn ze ingekwartierd in Lens, een middelgrote mijnstad. dat bevalt hem wel, aangezien er meer te zien en meer te doen is dan op het platteland. Andresen loopt door de Rue de la Bataille als het gebeurt. Granaten.

Her en der komen projectielen naar beneden suizen.? Een ongewoon zwaar stuk slaat in een huis even voor Andresen, en hij ziet hoe het grootste deel van het dak een meter of tien de lucht in wordt getild. Hij ziet mensen uit het belendende huis komen rennen. Hij ziet een grote granaatsplinter neerslaan in de goot. Hij ziet water opspatten. Eeerst is hij verlamd maar dan zegt hij tegen zichtzelf :”Je moet rennen.”. En hij rent door de hete, dichte luchtlagen van de drukgolven, door het geluid van nieuwe ontploffingen die van beide kanten over hem heen slaan. En hij bereikt dekking.

Als hij zich weer buiten waagt, is het al gaan schemeren. Het is inmiddels stil (…) Ten slotte bereikt Andresen de 2e compagnie. Een van de Denen daar, Lenger, is jarig, en hij trakteert op koffie en zelfgebakken koekjes. Eindelijk kan Andresen weer Deens praten. Helaas moet hij al snel weer weg.

Wie de brief van Kresten Andresen wil lezen, kan terecht op deze link : http://www.denstorekrig1914-1918.dk/27-november-1915-kresten-andresen/

Het Duitse leger kende ook zijn taalconflicten. Deenstalige soldaten werd afgeraden Deens te praten. Daarover kan je lezen op http://www.denstorekrig1914-1918.dk/3-april-1915-loejtnanten-vil-forbyde-soldaterne-at-tale-dansk-men-hvad-siger-kaptajnen/

De beide links verwijzen naar een Deense website. Google Chrome stelt voor deze website te vertalen. Het is geen perfecte vertaling maar geeft wel een goed idee over de beide onderwerpen

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

DuitseSoldaten_DeenseKranten

soldaten in Duits uniform met Deense kranten

 

 

March of the Dungarees

In Brisbane (Australië) eindigt op 25 november 1915 de meest bekende March of the Dungarees. Naar schatting dertigduizend mensen verwelkomen de toekomstige soldaten.

Nadat de hoge aantallen gesneuvelde, gewonde en vermiste Australische manschappen bekend raakten, deed de Australische eerste minister Billy Hughes een oproep tot meer vrijwilligers voor het leger.

Een van de meest originele manieren om nieuwe strijdkrachten te recruteren, waren de Marches of the Dungarees, waarvan er tien gehouden werden. Op een tiental plaatsen begon een groepje kandidaat-rekruten aan een mars naar Brisbane. Onderweg sloten andere vrijwilligers zich aan en marcheerden mee. Bij aankomst werden de marcheerders opgewacht door vele duizenden mensen, zodat deze marsen ook iets kregen van een patriottisch volksfeest.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Dungarees_March_in_Warwick,_1915

Dungarees March in Warwick 1915

 

de slag bij Ctesiphon

De slag bij Ctesiphon woedt in de periode van 22 tot 26 november 1915. De Britten vallen de Turken aan bij Ctesiphon op zo’n 32 kilometer ten zuiden van hun hoofddoel Bagdad. Aanvankelijk breken ze door het Turkse front, maar de Britse bevelhebber, generaal sir Charles Townshend, beschikt over onvoldoende reserves om zijn succes uit te buiten en de Turkse tegenaanvallen stabiliseren de situatie.

Wanneer de Turken versterkingen krijgen, beveelt Townshend een terugtrekking naar Kut-el-Amara op de 25e november. De Turken hebben 6.200 manschappen verloren, Townshends veel kleinere leger 4.600. De Turken zetten de achtervolging in en de uitgeputte Britten bereiken op 3 december 1915 Kut-el-Amara.

Ctesiphon1915

Raoul Snoeck krijgt de Leopoldsorde

In zijn dagboek noteert Raoul Snoeck het volgende :

RidderLeopoldsorde20 november 1915 : Na drie weken behandeling ben ik bijna genezen. Over veertien dagen ben ik weer op de been en dan krijg ik nog veertien dagen herstelverlof. Daarna keer ik terug naar het front, waar ik misschien wel voor de derde maal gewond raak. Alle goede dingen bestaan uit drie, zegt men, twee is niet genoeg. Het leven is hier eentonig, zelden is er nieuws : of je nu kranten leest of niet, je wordt niets wijzer. De stilte regeert over de hospitaalbedden, er zijn veel meer zieken dan gewonden.

22 november 1915 : Zojuist heb ik in een nummer van ‘Vaderland’ het heuglijke nieuws gelezen dat ik benoemd ben tot  Ridder in de Leopoldsorde, een mooie verrassing. Ik ben fier en gelukkig, vooral voor mijn ouders. Ik verwacht mijn decoratie in het hospitaal, waar ze me die komen opspelden,, een gelegenheid om een klein feestje te bouwen. Ik zou thuis willen zijn om samen met mijn paatje op stap te gaan en te pronken met mijn decoratie. Ik heb altijd gezegd dat ik iets anders nodig heb dan een anjer in mijn knoopsgat

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck – Ducaju & zoon