de Ville de Liège in Britse dienst

Vanaf 21 juni 1917 tot en met 31 december 1918 staat de Belgische maalboot Ville de Liège onder het commando van het Britse ministerie van Oorlog en doet dar dienst als hospitaalschip. In deze periode maakt het schip talloze overtochten tussen Groot-Brittannië en het vasteland waarbij het 77.194 gewonden en 36.356 valide manschappen transporteert.

In de voorafgaande oorlogsjaren, onder meer tijdens de slag aan de Ijzer (1914), vervoerde het schip gewonden en allerhande materiaal waaronder munitie, tussen het onbezette gedeelte van de Belgische kust en Frankrijk. Later werden de gewonden per trein vervoerd.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

ville de liege 03

Brits koningshuis neemt naam Windsor aan

De Engelse koning George V beslist op 19 juni 1917 – in het derde oorlogsjaar – dat de Duitse achternamen en titels van hemzelf en zijn familieleden moeten veranderen. De oorlog roep sterke anti-Duitse gevoelens op bij de bevolking. De directe aanleiding voor de beslissing is een bombardement op Londen door Duitse Gotha-vliegtuigen.

De officiële Duitse achternaam Saksen-Coburg -Gotha wijzigt in de mooi Engels klinkende naam Windsor. Bovendien is de Duitse keizer een neef van de koning en is zijn echtgenote Maria von Teck van Duitse afkomst.

Om zijn solidariteit met de Britse oorlogsinspanning te betuigen brengt de Engelse koning vervolgens verschillende bezoeken aan de Britse troepen aan het westelijk front.

Bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

VanGothaNaarWindsor

Britse versterkingen in Veurne

Via de vaart in Adinkerke arriveren vier boten elk beladen met 150 tot 200 Britse soldaten die de Fransen komen aflossen. Langs de vesten in Veurne begeven ze zich naar het front. Jozef Gesquière voegt er nog aan toe :

De jongens lijden erg onder de laaiende zon die zo onbarmhartige zit te steken tussen dikke donderwolken. De soldaten zien er, hoewel vermoeid, toch allemaal even opgeruimd uit en af en toe neuriën ze hun eigenaardig klinkende liedjes. Geen lawaai of getier maar welluidende liederen. De Schotten die begeleid worden door pijp- en doedelzak spelers krijgen natuurlijk de meeste bijval.

SchotseSoldaten_WO1

Bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Raoul Snoeck vertrekt op cursus

Na dertien maand uitstel wegens twee verwondingen ben ik uiteindelijk vertrokken naar Gaillon. Ik kijk er eerlijk gezegd niet naar uit om bevorderd te worden. Want als de oorlog voorbij is, blijf ik niet bij het leger aangezien me thuis een job wacht.

Mijn commandant spoort me al geruime tijd aan me voor te bereiden op het examen van officier. Om hem tevreden te stellen heb ik ingestemd ook omdat verschillende makkers reeds officier zijn. Ik heb geen behoorlijke kleren meer. Die zijn enkele dagen geleden opgebrand (lees daarover in dit artikel) . Mannen van de compagnie en vrienden staan me bij. De ene bezorgt me een broek, de andere een jas, nog een andere schoenen, kousen, een hemd, enzovoort. Dankzij die verschillende onbaatzuchtige leveranciers raak ik op een fatsoenlijke manier uitgedost om in Gaillon mijn intrede te doen.

(…)

Nauwelijks zijn we uit de trein gestapt of we raken weer vast in de klemschroeven van een strenge tucht. Korte bevelen weerklinken. We vormen rijen langs de weg tussen het station en Gaillon-stad. We blijven er meer dan een half uur staan onder een loden hemel in onze zware legerjas met volledige uitrusting. Eindelijk rukt de kolonne nieuwkomers op richting stad. Na een mars van vijfendertig minuten komen we bestoft en bezweet in de kazerne aan.

Ons nieuw verblijf is een heel groot vierkant gebouw  van binnen naakt en streng. Onze eerste indruk is niet gunstig, we betreuren bijna het front, het bohemerleven en de vrijheid van ons kantonnement te hebben verlaten.

bron ; Raoul Snoeck, in de modderbrij vn de Ijzervallei, uit het Frns vertaald door André Gysel

Gaillon_GrandeGuerre

De laatste avond van Fritz Krebs

Engelse jachtvliegers en bommenwerpers zijn op de terugweg van een bombardement op Moorslede als ze boven het Polygoonbos vijftien Duitse albatrossen tegenover zich krijgen. Er begint een gevecht tussen Britse en Duitse piloten.

Rond kwart voor 8 ’s avonds schiet de Britse kapitein G.H. Bowman Vizefeldwebel Fritz Krebs neer ten noorden van Zonnebeke. De pas 21-jarige Duitse piloot heeft dan acht luchtoverwinningen op zijn naam.

Fritz Krebs ligt begraven op het Deutscher Soldatenfriedhof Menen, ook bekend als Menenwald, maar de grafsteen met zijn naam erop zou zich bevinden in het museum van het vliegplein van Wevelgem. Het Deutscher Soldatenfriedhof Menen ligt aan de Groenestraat en Kruisstraat op de grens van Menen en Wevelgem. Hier rusten iets meer dan 48.000 Duitse militairen, bijna allemaal geïdentificeerd. Dat aantal maakt Menen de grootste Duitse militaire begraafplaats uit de eerste wereldoorlog. In België zijn er nog drie andere grote Duitse soldatenkerkhoven uit de eerste wereldoorlog : Hoogleden, Langemark en Vladslo.

bronnen : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
http://www.theaerodrome.com/aces/germany/krebs.php
https://www.luchtvaartgeschiedenis.be/content/albatros-bij-zonnebeke

 

Jasta6

Londen lijdt onder de Gothas

Van op een of meerdere vliegvelden in de buurt van Gent onderneemt het Duitse leger op 13 juni 1917 een eerste zwaar bombardement op Londen, resulterend in 162 doden. Een van de betrokkenen, Von Eberhardt, schrijft daarover het volgende.

Nadat we door een opening in het wolkendek de monding van de Theems herkennen, begint de bewolking dunner te worden. Vanaf Southend treedt de Britse luchtafweer in actie, maar alle schoten liggen veel te hoog. Om 12u bereiken we met zeventien toestellen de Britse hoofdstad. Ondertussen zijn we omringd door Engelse vliegtuigen, maar ze vliegen zo ongeorganiseerd dat ze geen gevaar inhouden.

Heen en weer vliegend over Londen gooien we onze bommen uit. Dokken, loodsen, spoorwegen en een brug over de Theems worden getroffen. Zodra ze van hun bommenlast zijn verlost, stijgen onze toestellen zonder problemen tot 4500 meter. Na vierenhalf uur vlucht bereiken we opnieuw onze thuishaven.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Gotha-GV-Bomber

Erich Paul Remark start frontdienst

Op 12 juni 1917 bereikt de 18-jarige student Erich Paul Remark het front tussen Torhout en Houthulst. Eind juli krijgt hij in Sint-Juliaan (Langemark) granaatsplinters in zijn lichaam en wordt terug naar Duitsland gebracht.

Later wordt hij bekend als auteur onder de naam Erich Maria Remarque. Hij was nauwelijks zes weken aan het front maar die brachten voldoende inspiratie voor zijn meest bekend boek Im Westen nichts Neues (van het westelijk front geen nieuws).

De tekening hieronder komt uit de graphic novel van Peter Eickmeyer gebaseerd op het boek van Remarque.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

EickMeyer_ImWestenNichtsNeues_Remarque