beschuldigd van defaitisme

Gaston Leroy zit enkele weken met een beschuldiging in zijn maag.

16 mei 1918 : Ik moet bij de commandant op het rapport komen en daar word ik door de luitenant en de korporaal van de verkenners ervan beschuldigd op patrouille te zijn geweest met de gedachte me over te geven en door woorden de mannen tot overgave te hebben aangespoord. Als bewijzen brengen ze naar voren : ons gesprek voor en mijn stoutmoedige houding tijdens de patrouille. Terwijl ik ondervraagd word, onderzoekt de eerste chef mijn ransel in de bunker en trekt een adjudant naar het kantonnement om mijn “vaderlanderke” te onderzoeken.
Waarvan word ik beschuldigd ? Van verraad ! Voor de krijgsraad ! Ik zal gestraft worden : niet om te vrank of onoplettend te zijn maar omdat ik flamingant ben.

17 mei 1918 : na de beschuldiging van gisteren heb ik voorgoed adieu gezegd aan de dienst van de verkenners. Zoals vroeger ben ik weer granaatwerper in de compagnie.

23 mei 1918 : Daar ik er niets meer over hoorde, dacht ik acht dagen na de laffe beschuldiging dat men de zaak zo zou laten bij gebrek aan een ernstige reden om me te straffen. Maar nee, nogmaals wordt mijn inboedel onderzocht in aanwezigheid van een officier.

6 juni 1918 : De beschuldiging aan mijn adres duikt opnieuw op. Acht dagen gevangenis om de bevelen van de luitenant niet te hebben uitgevoerd. Hij heeft niets bevolen, dus kon ik niet weigeren. Ik vraag om bij de kolonel op het rapport te komen.

7 juni 1918 : Verhoor bij kolonel De Bruyne die weigert de onderzoekscommissie opnieuw bijeen te roepen.

9 juni 1918 : Verhoor bij de bevelhebber van de 8e infanteriedivisie, kolonel Dejuffroy. Ik vraag vruchteloos voor de krijgsraad te mogen verschijnen. Kolonel Dejuffroy bedreigde me zelfs nog met acht dagen gevangenis als ik doorging met ‘zonder reden” over mijn straf te klagen.

Krijgsraad_1918

 

Rondsluipen in niemandsland

Sinds eergisteren is Gaston Le Roy in Reigersvliet. Op 27 april 1918 maakt hij een verkenning in niemandsland.

We zwerven eerst lange tijd rond onze stellingen en met de eerste klaarte vorderen we een honderdtal meter in de richting van de vijandelijke linies. Niets te bespeuren. Van links sluipen we naar de sector rechts. Het wordt klaarder en je kunt gemakkelijk 300 meter ver kijken. De afstand tussen de frontlinies bedraagt enkele honderden meters. We nemen zelf een vooruitgeschoven punt in. De Duitsers geven geen teken van leven. Er wordt geen schot gelost.

Wat verder doen we een lugubere ontdekking. In de grootste wanorde liggen daar drinkflessen, schoppen, knapzakken, helmen kogels, geweren… en een lichte mitrailleur naar onze posten gericht. Daarbij ligt een dode Duitser uitgestrekt op de rug.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

GesneuveldeDuitseSoldaat

gemor in de loopgraven

Gaston Le Roy noteert op 30 maart 1918 het volgende in zijn dagboek.

Het offensief van de Duitsers werkt op ieders gemoed. Want al schrijven de kranten dat het moreel uitstekend is, nooit eerder waren de soldaten zo ontmoedigd. De Duitsers hebben Amiens en Albert veroverd, wel, geen enkele soldaat die daarover verontrust is, wel integendeel, want je hoort niks anders dan het kan ons niet schelen. 

Dat ze Amiens innemen ! 

Dat ze de baas zijn op zee ! 

Dat ze ons omsingelen. 

Dat ze ons krijgsgevangen nemen, als wij er maar vanaf zijn ! 

De jongens worden het moe als slaven behandeld te worden. 

Bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo 

TrancheesBelges_Barbier

 

Gaston Le Roy onder Duits vuur

Gaston Le Roy noteert op 18 maart 1918 

Bij een Duitse aanval hebben we veel mannen en enkele gevechtsposten verloren. Na de middag in volle daglicht rukken de karabiniers op om wat verloren ging te heroveren. De kanonnen vuren om het hardst, zowel de onze als de Duitse. Het is helder weer en de steenweg is van ver zichtbaar. Eén enkele weg leidt naar Nieuwpoort. Niet te verwonderen dat we duchtig beschoten worden als wij achter de karabiniers ee steenweg optrekken. Natuurlijk hebben de Duitsers de troepenbeweging gemerkt. Nieuwpoort is in een kruitwolk gehuld. Onze compagnie wordt uiteengeslagen en we krijgen bevel op eigen gevoel op te rukken en ’s avonds bijeen te komen aan de Pelikaanbrug. 

Eerst doorkruis ik een veld en stoot op een kanonnenbatterij die zelf onder vuur ligt. Ten einde raad neem ik toch maar de steenweg. Zoals steeds als het er warm aan toegaat, troost ik me met de gedachte : dood is dood, je sterft maar eens. De wagens van het Rode Kruis die af en aan rijden, worden niet ontzien, voor en achter ontploffen granaten. Ik slaag er toch in ongedeerd de verzamelplaats te bereiken. De beschieting houdt niet op. 

Boven onze hoofden voeren piloten acrobatentoeren uit. Dikke shrapnels ontploffen rond de vliegtuigen, de sierlijk in beweging blijven. Na de aanval maken zij enige loopings als om te groeten na hun welvervulde taak. 

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger , Lannoo

ArtillerieBelgeEnAction_191803

 

Gaston Le Roy weer in de frontlijn

Gaston Le Roy noteert het volgende in zijn dagboek :

16 februari 1918 : Ramskapelle. Het is alweer een tijd geleden dat we nog in de eerste lijn waren. Gedreven door nieuwsgierigheid en uit op nieuwe sensaties trek ik er met blij gemoed heen. Van Booitshoeke tot aan de voorpost lopen we op vlonders, het is om duizelig te worden.

Ramskapelle is één ruïne. Van aan het onherkenbare station strekt zich zover het oog reikt het water uit. Alleen een loopbruggetje leidt over dit kunstmatige meer naar de voorposten. Het vriest stevig en de nacht is helder verlicht door een kwartmaan. We brengen de nacht door rond een houtvuur, steeds stampvoetend, soms bradend vooraan en bevriezend achteraan.

18 februari 1918 : Een lachend zonnetje vrolijkt ons gemoed op. Aan de toegang tot de schuilplaats is het lekker goed. Prachtige lijn, sterk verdedigd en gerieflijke schuilplaatsen.
In de verte vertoont Nieuwpoort een indrukwekkend zicht van verwoestingen. De overeind gebleven muren zijn als kantwerk zo eigenaardig afgebrokkeld. Ik breng de nacht door op de voorpost en heb onbeschrijflijke ijskoude voeten.

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger , Lannoo

Het schilderij hieronder is van André Lynen, kunstschilder en oorlogsvrijwilliger.

AndréLynen_Ramscappelle

net op tijd uit de abri

Uit het dagboek van Gaston Le Roy 

10 november 1917 : Het blijft regenen. We vertrekken naar de loopgraven langs vuil bemodderde wegen. De paden en de loopgraven vertonen diepe inslagen en getuigen van intense beschietingen. We pletsen door de modderpap. Er zijn geen schuilplaatsen meer. Toch vinden we nog een oud verlaten hok. 

 11 november 1917 : Het water druppelt me op de voeten, wat niet belet dat ik van tijd tot tijd inslaap. Het regent fel en de kanonnen donderen nog feller. Granaten van alle slag exploderen. Alles trilt, wij ook, niet enkel van schrik, maar nog meer van ijskoude voeten. Onze kanonnen bestoken het kasteel, terwijl de Duitsers onze eerste lijn willen vernietigen. 
Niettegenstaande projectielen in de borstwering terechtkomen, blijven we in de schuilplaats : we weten niet zo best wat te doen. Ikzelf blijf liever hier, maar op aandringen van mijn makkers en omdat er nog een granaat in de borstwering ontploft, verlaten wij onze zogenaamde bunker. We zijn net tijdig buiten om dat hok in de lucht te zien vliegen.
Als de beschieting wat luwt, bezoeken we onze schuilplaats of liever het puin ervan. Ik vind mijn bezittingen stukgeslagen, mijn geweer, kapotjas, drinkfles, broodzak… alles is vernietigd. Ik raap op wat me nog van dienst kan zijn. Ik ben niet de enige die alles kwijt is. Gelukkig leven we nog. Hadden mijn makkers naar mij geluisterd, dan waren we van de aardbodem weggeveegd. Een dag vol nijpende emoties. 

bron : André Gysel, Gaston le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

Loopgraaf_Abri

doodsangst voor Gaston Le Roy

Gaston Le Roy noteert het volgende in zijn dagboek op 11 september 1917.

Beschieting. Nooit zag ik de dood zo nabij als vandaag. Ik hield de wacht op een drie meter hoog heuveltje. Het was mooi weer en ik genoot van een schoon vergezicht op onze stellingen en op de Duitse. Tevreden omdat het moorden zo veraf leek, rookte ik dromerig een sigaretje, tot ik tot de werkelijkheid werd teruggeroepen door een dubbele ontploffing in de Duitse lijnen.

benieuwd keek ik naar de stofwolk die uit de grond opsteeg. De Duitsers schieten in hun eigen lijnen, dacht ik. Helaas, daar ontplofte er al één bij mijn heuveltje en één achter de wachtpost. Twee aan twee volgden de granaten rond mijn stelling, hoe langer hoe sneller, de wachtpost was het mikpunt. Mijn toestand werd hachelijk. Ik wou voor de dood mijn post niet verlaten en trachtte me moedig te houden, hoe bang ik ook was. (…) Voor, achter, links en rechts regende het granaten. (…)

Een makker die onder dit satanisch geweld de schuilplaats onder de heuvel had verlaten (een dwaasheid) en bij mij was gekropen, kon niet meer terug en deelde een tijd mijn doodsangst. (…) Zo wachtten we twee eeuwigdurende uren op de dood, die gelukkig niet kwam. We zaten van kop tot teen onder stof en modder.

bron : André Gysel, Gaston le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

de tekening is van Jacques Tardi.

Tardi_01.jpg