Thuiskomst van Gaston Le Roy

Gaston Le Roy noteert over de bevrijding het volgende in zijn dagboek.

11 november 1918 : Wapenstilstand ! Om 11 uur klaroengeschal. De wapens zwijgen. Het is zo mooi, zo wonderlijk dat we het niet kunnen geloven  en toch zijn we overgelukkig het te mogen horen. Wapenstilstand ! Gedaan met de doodsangst, het moorden, het lijden.
Tegen de middag trekken we naar Drongen. Het begint te regenen. Ik ben te moe om de stad in te trekken en rust uit. Een makker is naar Gent geweest en vertelt me over de goede ontvangst in de stad. Hij heeft mijn oom, Eduard De Graeve, ontmoet, die me zo spoedig mogelijk verwacht.

12 november 1918 : Bij oom Ward hebben ze te mijner ere het huis met bloemen versierd. Ik ben er van harte welkom. Dan trekken we samen naar Wetteren. Onvergetelijke uren.
Onderweg ontmoet ik veel kennissen en ontvang herhaaldelijke gelukwensen. De vreugde is groot en algemeen. In Melle speelt een fanfare van Wetteren die het leger tegemoet is getrokken. Ik word er vergast op een forse Vlaamse Leeuw. Als ik mijn kerktoren zie, ja, dan is het feest in mijn hart. Overal staat volk om familieleden of kennissen te zien aankomen. Veel soldaten hebben even de compagnie verlaten om hun thuis te bezoeken.
Aan het Kerkestraatje wordt de emotie me bijna te machtig. Daar komt mijn moeder als zinneloos van vreugde naar me toegelopen. Ik vind haar vermagerd. Heel de nacht ben ik thuis en bij meter. Moeder kan aan haar bewondering en liefkozingen geen eind maken. Haar soldaat ! Ik dacht dat ze gek zou worden. Er wordt gezongen, geschonken en gelachen.
Terwijl wij feesten, denk ik aan mijn vriend Robert. Hier rechtover viert men niet. Daar is verdriet in huis. Hij is niet teruggekeerd. Ondoordringbare voorzienigheid.
Om 5 uur verlaat ik Wetteren. Ik heb mijn dorp teruggezien. Ik ben gerust. Nu wacht de vrede.

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

Bevrijding_19181111

weerzien nabij moeder Lambik

Gaston Le Roy is einde september van de frontlinies weggehaald. (Lees meer daarover in dit artikel) . Hij herstelt in Frankrijk en keert daarna terug naar zijn kameraden.

1 oktober 1918 : Ik heb lange uren in dat hospitaalbedje gerust. Mijn lichaam herpakt zich, ik voel me genezen. Maar mijn voet blijft me eraan herinneren waarom ik hier ben.  Ze zeggen dat duizenden mannen zijn omgekomen. Hier liggen veel zwaargewonden. Toen ik mijn voet liet verzorgen en zwaargewonden uitgestrekt op de marmeren plaat onder het mes hoorde kermen, kreeg ik kippenvlees.

2 oktober 1918 : Er zijn hier zoveel gewonden, zoveel dat de dokters de handen meer dan vol hebben en meer doen dan in hun macht ligt. Zij kunnen diet niet blijven volhouden. Ik hou het niet langer uit en trek mankend naar Calais. De dokter neemt dezelfde tram en geeft mijn gezel en mij een berisping, maar verder laat hij ons begaan.

3 oktober 1918 : Een auto brengt mij en anderen naar Saint-Pierre waar we zonder bevel moeten uitslapen. We bezien elkaar en vragen ons af : wat nu ? Ik sta op een schoen en een kous. Eindelijk na lang wachten duikt iemand op en die beveelt ons de tram te nemen naar Guines. Daar staat een wagen die ons naar Campagne brengt. Naar verluidt zijn de barakken van de ruiterij maar ze doen dienst als hospitaal.

6 oktober 1918 : De herstelden of wie zich als zodanig beschouwt, want velen zijn nog niet helemaal genezen, verlaten Campagne en trekken naar Gravelines. Ik ben bij de besten en verlang mijn wapenbroeders terug te zien. Door regen en modder stappen we naar Guines waar we lang op de trein wachten die ons naar Calais moet brengen.

8 oktober 1918 : In de BRI in Bray-Dunes blijf ik nog genieten van enige rustdagen.

12 oktober 1918 : Ik heb mijn rustoord aan het koele zeestrand verlaten. Ik stap langs Moeder Lambik naar De Panne. Ik ben blij mijn wapenbroeders terug te zien, maar ook heel bedroefd als ik de namen verneem van hen die hun lijdensweg hebben beëindigd. Ik hoor veel vertellen over die bange veertien dagen terwijl ik er niet bij was. Veertien dagen in het rumoer zonder rust, dagen zonder eten of drinken, dagen en nachten in het water, dagen van vruchteloze hoop op aflossing. Velen beweren in de volgende strijd achter uit te zullen blijven. Ik mag hen niet beoordelen. Ik heb dit lijden, dat ik me goed kan voorstellen, toch niet beleefd. Wat zou ik gedaan hebben als ik bij hen was gebleven ?

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

MoederLambik

Gaston Le Roy wordt geëvacueerd

Gaston Le Roy maakt het begin van het bevrijdingsoffensief mee. Hij noteert het volgende in zijn dagboek :

28 september 1918 : Het Duitse geschut reageerde weinig, onze kanonnen vuurden om het hardst en verlengden hun schietbanen. Ze joegen de Duitsers in onze armen. Het waren triestige momenten voor hen. Mannen, mensen zoals wijzelf, kwamen met de handen in de lucht en bange gezichten aangelopen. Het leek wel opgejaagd wild bij klopjacht.

Het begon te regenen. Het water viel met bakken uit de hemel. Weldra sijpelde het door de kleren in de broek en mijn gewonde voet baadde in een te grote schoen. We trokken steeds vooruit, ondervonden weinig weerstand en namen honderden krijgsgevangenen. We geraakten tot voorbij Zonnebeke en Broodseinde en op de hoogte gingen we postvatten. Het was nog maar middag. Ik ben doodop. Mijn adem is afgesnoerd door het spannen van de knapzakken vol patronen. De pijn aan mijn voet wordt een foltering.

29 september 1918 : Daar ik niet meer kan stappen, word ik met een briefje “mank” achteruit gestuurd. Met kleine pasjes op een dikke stok en met veel geluk wat te kunnen rusten, eerst op een kar, dan in een auto en een tijdje op een munitiewagen kom ik, na om 6u ’s morgens te zijn vertrokken, ’s avonds om 6 uur in Zuidhuis aan.

Bij de verpleging schrik ik ervan mijn eigen voet te zien, ik kon me niet voorstellen dat hij zo gezwollen was. De dokter geeft er een snee in, reinigt de wonde en overhandigt me een briefje HEA (Hôpital d’Evacuation de l’Armée). Ik moet dus naar Frankrijk. Ondertussen brengen auto’s honderden gewonden aan.

30 september 1918 : Drinken en nog drinken. Sinds twee dagen heb ik niets gegeten en toch heb ik geen trek. Ze brengen me naar Waaienburg, want nu kan ik geen poot meer verzetten. Daar lig ik op een berrie tot een Rode Kruistrein me met honderden grotere sukkelaars meeneemt. Om 1 uur ’s nachts stopt de lijdenstrein. De meeste gewonden konden stappen, uitgenomen een metgezel en ik. Het duurt lang voor ze ons komen halen. Ze dragen me naast het station in een lokaal waar al veel volk is.

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

RodeKruisTrein_1918

 

aanvoer van de granaten

Gaston Le Roy heeft het niet gemakkelijk. Op 23 september 1918 noteert hij het volgende in zijn dagboek.

We lossen duizenden Franse 75 mm-granaten. Ik loop er krom van en mijn handen zijn gekneusd. De voorbereidingen zijn ernstig. Dolken en schoppen worden uitgedeeld. De gesprekken gaan angstig hun gang. Wat het ook wordt, we hebben twee goede kansen tegen een slechte. We zullen niet allen sneuvelen, velen zullen gewond geraken, anderen krijgsgevangen. Misschien blijven de meesten zoals we zijn. Maar wie wordt door het noodlot getroffen ? Wie ?

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

transportArtillerie_1918

Gaston Le Roy haalt doodvermoeid de tram

Oorlogsvrijwilliger Gaston Le Roy is duidelijk vermoeid op 19 augustus 1918 :

Aan de verzamelplaats stappen wij op de light railways met een vermoeid lichaam en een knorrende maag. Ons brood is op, de buiscuits bijna. Om 3u komen we aan bij Hospital Farm en hongerig vliegen de patatten de maag in. Ik vind vijf vliegen in mijn rantsoen, maar honger is de beste saus.

We zijn hier amper een uur. Ik val bijna in slaap en daar klinkt het bevel : in uniform. Ik voel me als verlamd. Mijn met zwart omrande ogen staren zwak en slaperig. We marcheren tot in Elverdinge vanwaar ons een Belgische stoomtram over Woesten, Oost– en WestVleteren, Krombeke en Roesbrugge tot in Haringe voert.

Het is 9u in de morgen. Ik ben doodop.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

ELVERDINGE         " Zicht op de Tramstatie "

stormachtige 11 juli voor Gaston Le Roy

Op 11 juli 1918 noteert Gaston le Roy het volgende in zijn dagboek :

Blauwvoet_1918Vlamingen, herdenk de Guldensporenslag ! Vliegt de Blauwvoet ! Storm op zee ! Het leven in de loopgraven nodigt niet uit tot uitbundig vreugdebetoon. Graag had ik mijn bunker met groen en veldbloemen versierd. Helaas, het weer is zo guur, de wind stormachtig dat ik maar liever binnenblijf. Rond ons kaarsje zongen we en spraken we over de helden die Vlaanderen zullen redden van de Franse dwingelandij. Naar verluidt zullen de Duitsers vannacht aanvallen. Dan moet ik in tweede lijn blijven als afgevaardigde. Welke reen zou daarachter schuilen? Ben ik onbetrouwbaar ?

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

beschuldigd van defaitisme

Gaston Leroy zit enkele weken met een beschuldiging in zijn maag.

16 mei 1918 : Ik moet bij de commandant op het rapport komen en daar word ik door de luitenant en de korporaal van de verkenners ervan beschuldigd op patrouille te zijn geweest met de gedachte me over te geven en door woorden de mannen tot overgave te hebben aangespoord. Als bewijzen brengen ze naar voren : ons gesprek voor en mijn stoutmoedige houding tijdens de patrouille. Terwijl ik ondervraagd word, onderzoekt de eerste chef mijn ransel in de bunker en trekt een adjudant naar het kantonnement om mijn “vaderlanderke” te onderzoeken.
Waarvan word ik beschuldigd ? Van verraad ! Voor de krijgsraad ! Ik zal gestraft worden : niet om te vrank of onoplettend te zijn maar omdat ik flamingant ben.

17 mei 1918 : na de beschuldiging van gisteren heb ik voorgoed adieu gezegd aan de dienst van de verkenners. Zoals vroeger ben ik weer granaatwerper in de compagnie.

23 mei 1918 : Daar ik er niets meer over hoorde, dacht ik acht dagen na de laffe beschuldiging dat men de zaak zo zou laten bij gebrek aan een ernstige reden om me te straffen. Maar nee, nogmaals wordt mijn inboedel onderzocht in aanwezigheid van een officier.

6 juni 1918 : De beschuldiging aan mijn adres duikt opnieuw op. Acht dagen gevangenis om de bevelen van de luitenant niet te hebben uitgevoerd. Hij heeft niets bevolen, dus kon ik niet weigeren. Ik vraag om bij de kolonel op het rapport te komen.

7 juni 1918 : Verhoor bij kolonel De Bruyne die weigert de onderzoekscommissie opnieuw bijeen te roepen.

9 juni 1918 : Verhoor bij de bevelhebber van de 8e infanteriedivisie, kolonel Dejuffroy. Ik vraag vruchteloos voor de krijgsraad te mogen verschijnen. Kolonel Dejuffroy bedreigde me zelfs nog met acht dagen gevangenis als ik doorging met ‘zonder reden” over mijn straf te klagen.

Krijgsraad_1918