op zoek naar frontdienst

Hans Tröbst is op basis van zijn pionierservaring in het Duitse leger toegewezen aan een Turkse divisie die verdedigingsstellingen graaft in afwachting van de volgende Griekse aanval. Maar hij hoopt nog altijd naar het front te kunnen gaan. En dus besluit hij op 6 mei 1921 de trein naar Eskişehir te nemen om nogmaals te vragen naar het front te mogen.

De komende veldslag was het brandpunt van al onze gesprekken. Ze werd beschouwd als de laatste beslissende veldslag. Als de Griek opnieuw slaag zouden krijgen, dan zou hij ononderbroken tot Smyrna en verder weglopen. (…) Om zeker te zijn dat ik deze veldslag niet zou missen, besloot ik naar Eskişehir naar de generale staf te gaan om mijn overplaatsing aan te vragen naar een divisie aan het front en om tenminste bevel te kunnen voeren aan het front voor de duur van de veldslag.

En dus spoorde ik per trein naar Eskişehir om opnieuw de grootstadlucht in te ademen en vooral mijn aanbeden Adèle weer zien. Al aan het eerstvolgende station hadden we een langer oponthoud omdat hier een goederenwagon moest uitgeladen worden. Ook hier zoals overal een voorbeeldige orde. De uniformen waren natuurlijk een zeer bonte samenstelling. Engelse en Franse uniformstukken vielen het meest op. Maar hieraan ziet men dat men ook zonder reglementaire uniformen oorlog kan voeren zolang de wil er maar is.

Tegen de middag kwam ik in de stad aan, haalde Erturgrul op en we besloten om de rest van de dag te vieren en ons grondig te bezuipen. Want Ertugrul had bij de Duitse keierlijke marine gediend. We bezochten samen Adèle Georgiades, Käthe Leontides en daar leerder ik nog andere Griekse godinnen kennen. Nadat we ongelooflijk veel ijs en sorbet gegeten hadden, Shira en ander spul hadden gedronken, begaven we ons naar de woning van Ertugrul die hij van een Duitse, Frau Kleinert, gehuurd had.

De dag erna ging ik met een zure snuit en een zware kop naar majoor Tefik Bey die net van de frontlinies was teruggekomen. Mijn uitdrukkelijke aandringen om me toch eindelijk naar het front te sturen, had tot gevolg dat hij me beloofde mijn vraag te bepleiten. Nu, dan was het alweer wachten.

In de namiddag ging ik op de uitnodiging van een oudere heer in, die zich als Oostenrijkse Rittmeister van de reserve voorstelde en die al 20 jaar dienst bij de spoorwegen had. Hij bewoonde met zijn Armeense vrouw een verrukkelijk huisje dat midden in een reuze fruitplantage lag. Ik beleefde bij varkensgebraad en wijn een zeer interessante namiddag bij hen. Jammer genoeg vertelde hij weinig vrolijks. Hij had de wereldoorlog aan alle fronten meegemaakt en vertelde me als oude soldaat met diepe droefheid over de toestanden in het Oostenrijkse leger.

Zo toonde hij me een omvangrijke verzameling springstoffen, waarop een datum en een kilometergetal gegraveerd stonden. Bijvoorbeeld 15.7.1915, km 495,5. Deze explosieven waren afkomstig van de kanonnen van Engelse en Italiaanse onderzeeërs die in de golf van Ismid binnengedrongen waren en negen maal geprobeerd hadden de spoorlijn naar Bagdad te verwoesten.

De spoorlijn tussen Berlijn en Bagdad waarvan hier sprake is, is een spoorlijn die door het Duitse keizerrijk gefinancierd werd. De spoorlijn werd door de Britten als een bijzonder risico ervaren omdat het de Duitsers dichter bij India bracht en ook controle gaf over de olievelden nabij Basra. Volgens sommige historici is deze spoorlijn een van de redenen waarom Groot-Brittannië tegen Duitsland ten oorlog trok.

Bronnen :
https://en.wikipedia.org/wiki/Berlin%E2%80%93Baghdad_railway

Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

De foto hieronder toont een zicht op Eskişehir in de jaren 1920.


onlusten in Jaffa

Tijdens de week van 1 tot 7 mei 1921 zijn er onlusten in en rond de stad van Jaffa, Palestina. Alles begint met een oproep van de Joodse communistische partij om een 1 mei optocht te houden. Daarvoor verspreiden de communisten op 30 april pamfletten in het Arabisch en Jiddisch. Er wordt opgeroepen om zich tegen de Britse overheersing te verzetten en een Sovjetstaat uit te roepen in Palestina. Op 1 mei houden de communisten hun optocht van Jaffa naar Tel Aviv waarvoor ze geen toelating hebben gekregen. ALs ze onderweg een optocht tegenkomen van een socialistische groepering die wel is toegelaten, breken er al snel gevechten uit tussen beide groepen. Daarbij weerklinken ook schoten.

Onder de Arabische bevolking ontstaat het gerucht dat Arabieren door Joden worden aangevallen. Daarop komt een pogrom op gang tegen de Joden. Joodse winkels worden geplunderd. Arabieren vallen Joodse huizen binnen en vermoorden de inwoners met knuppels, messen of vuurwapens. Heel wat vrouwen, ook minderjarige, worden het slachtoffer van verkrachting. Om 13u wordt een hotel aangevallen dat door de zionistische commissie gebruikt wordt om Joodse immigranten op te vangen. Als de politie toekomt, schieten ze maar niet om de menigte te verdrijven. De agenten kiezen de kant van de aanvallers en schieten gericht op de Joden die zich schuilhouden in het hotel. Het geweld reikt ook tot de omgeving van Jaffa, onder meer Abu Kabir. In dat dorp worden twee Joodse boeren vermoord op 2 mei. Van Joodse kant komt het tot wraakacties tegen de Arabische burgerbevolking. In Tel Aviv bewapent de Joodse kolonel Margolin zijn oude manschappen van het voormalige Joodse Legioen om de stad te verdedigen. De gevechten houden na 1 mei nog dagenlang aan.

De Britse gouverneur Herbert Samuel stelt de avondklok in, laat versterkingen uit Egypte komen en laat ook bombardementen uitvoeren door de Royal Air Force om de onlusten onder controle te krijgen. Daarnaast doet de gouverneur ook toegevingen om de Arabieren te kalmeren. Zo krijgen drie boten met Joodse migranten geen toestemming om aan te meren en moeten ze noodgedwongen terugkeren naar Istanboel.

Bij de onlusten komen 47 Joden en 48 Arabieren om het leven. 146 Joden en 73 Arabieren raken gewond. De meeste Arabische slachtoffers vallen door Britse pogingen om de orde te herstellen.

bronnen
https://en.wikipedia.org/wiki/Jaffa_riots
https://nl.wikipedia.org/wiki/Onlusten_in_Jaffa

per trein naar pionierswerk voor Troebst

In Ankara wacht Hans Tröbst ongeduldig op verdere marsbevelen. Na enige dagen krijgt hij nog het voorstel om les te geven aan aspirant officieren, maar dat voorstel wijst hij af. Hij wil terug aan het front zijn. Nog enkele dagen later krijgt hij zijn marsbevel en een treinticket naar Eskişehir. Daar moet hij zich bij het hoofdkwartier van generaal Ismet Pasha melden. Daar aangekomen, krijgt hij een nieuwe functie en doel toegewezen. De Turken bouwen stellingen in Sabunje-Punar om een nieuwe Griekse aanval te kunnen afslaan. Het is van het uiterste belang dat ze de spoorlijn tussen Eskişehir en Afyonkarahisar behouden. Alleen dan kunnen ze met de nodige snelheid hun reserves naar bedreigde plaatsen sturen. Omdat de slag bij Inönü heel wat Turkse officieren het leven heeft gekost, rekenen de Turken op de ervaring van Tröbst om hen bij te staan bij de bouw van de stellingen.

De officier Tefik Bey wist me te vertellen dat ze een nieuw Grieks offensief over vier weken verwachten. Daarom waren ze nu bezig met de bouw van stellingen die commandant Shükri Bey als pionierinspekteur leidde. Ik zou onder zijn commando werken en zou vandaag nog met de trein naar Sabunje-Punar afreizen. Ik aanvaardde de opdracht maar was diep ontgoocheld. Nog altijd geen frontlucht !

Het landschap was redelijk eenvormig, een breed, zeer vruchtbaar dal , aan beide zijden door ergen begrensd, waarin de trein zich over vele bruggen en door enkele tunnels heen kronkelde. Al na twee uren kwam ik op mijn eindbestemming aan en stapte uit de trein. Mijn nieuwe chef was natuurlijk uitgerekend die morgen naar Eskişehir vertrokken en ik meldde me dan maar bij zijn vervanger, majoor Hasim Bey.

Tussen de Griekse en de Turkse linies zat een niemandsland van ongeveer honderdvijftig kilometer. Men verwachtte dat de Grieken bij het volgende offensief opnieuw naar Eskişehir zouden oprukken. Daarom moesten er stellingen worden aangelegd ter bescherming van de stad. Als we aankwamen, was het bataljon al aan het werk. Het bestond bijna uitsluitend uit geïnterneerde Griekse burgers, die in Klein-Azië woonden maar Ottomaanse onderdanen waren. Omdat men hen tijdens de oorlog niet vertrouwde, waren ze niet naar het front gestuurd, maar had men hen enkel voor arbeidsdienst ingezet. Veel lust om te werken hadden ze niet, en dus werd er door de korporaals af en toe met een knuppel wat extra ijver aangemaakt.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Troebst viert mee in Ankara

Uiteindelijk komt Hans Tröbst aan in Ankara. Daar hoort hij begin april 1921 over de tweede slag van Inönü.

In de stad heerste een levendige opwinding over de afloop van de slag bij Inönü die voor enige dagen gestart was nabij Eskişehir. De Turkse stellingen reikten van Eskişehir tot Afyonkarahisar. Tussen beide frontlinies lag een niemandsland van honderdvijftig kilometer. Met vier divisies hadden de helden van Athene het belangrijke spoorwegknooppunt aangevallen en omdat dit de vuurdoop was voor het nieuwe Turkse leger onder leiding van de Kemalisten, kan men zich de bezorgdheid en spanning in de stad voorstellen. De wildste geruchten deden de ronden en men sprak zelfs over vijfenveertigduizend gevangenen, maar het was onmogelijk om achter de waarheid te komen.

Naar mijn gevoel was de situatie bedenkelijk, want men stuurde vanuit Ankara met de troepentreinen wat men aan soldaten elders kon missen. Grote troepen verse rekruten kwamen dagelijks te voet aan vanuit de gebieden in de Kaukasus. Vanuit Konstantinopel had men extra reserves aan Armeniërs en Grieken naar de frontlinies gestuurd, maar de kemalistische vrijkorpsen hadden deze versterkingen alle kanten op verjaagd.

Ik nam met plezier aan de feestvreugde deel als overal de rode vlaggen met de witte halve maan en de ster uitgehangen werden om de overwinning te vieren. En net nu was mijn uniform klaar. Van snit en kleur leek het op een Duits uniform, maar de rangaanduidingen waren op de kraag aangebracht zoals dat ook de gewoon,te was bij het Oostenrijks-Hongaarse leger. Dit was nu mlijn derde kokarde die ik in mijn soldatenleven droeg. Allereerst was er het heilige zwart-wit-rood, dan de Russische kokarde van het leger Avalof-Bermondt en nu dus de halve maan met ster.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

2e slag om Inönü

Na de eerste slag om Inönü wachten de Grieken op een volgende gelegenheid om terug op te rukken naar Eskişehir en Afyonkarahisar om de controle te krijgen over de spoorlijnen die beide steden verbinden. Op 23 maart 1921 rukken de Grieken op en op 24 maart bezetten ze Afyonkarahisar. Op 27 maart bereiken ze Inönü en ze nemen de heuvel Metristepe in. Op 31 maart krijgt Ismet Pasha de nodige Turkse versterkingen en hij zet onverwijld de aanval in. Metristepe valt diezelfde dag in Turkse handen. De Turken zetten de gevechten verder en begin april is ook Afyonkarahisar weer Turks.

De Grieken trekken zich ordelijk terug. Na deze veldslag is er een rustpauze waarbij geen van beide partijen voorlopig in staat zijn om verdere aanvallen te ondernemen. Aan de ene kant hebben de Turken hun kans verkeken om het Griekse leger te omsingelen en te vernietigen. Maar anderzijds is dit wel de overwinning waar Mustafa Kemal zo om verlegen zat. Dit is de eerste keer dat het reguliere leger onder kemalistische leiding stand houdt tegen de Grieken. De Turkse tegenstanders van Kemal in Constantinopel hadden gehoopt op zijn nederlaag. En de geallieerden zien in dat ze met Kemal en zijn regering in ANkara moeten onderhandelen.

bron : https://en.wikipedia.org/wiki/Second_Battle_of_%C4%B0n%C3%B6n%C3%BC

de Caïro conferentie

De Britten houden een conferentie van 12 maart tot 30 maart 1921 over het Midden-Oosten. De meeste bijeenkomsten worden gehouden in Caïro al zijn er ook belangrijke ontmoetingen in Jeruzalem. Doel van deze conferentie, bij de Britten gekend als “the Cairo Conference“, is de voormalige Arabische provincies van het Ottomaanse rijk een nieuwe indeling en plaats te geven in het Britse gemenebest.

De startpunten van deze conferentie waren het Sykes-Picot verdrag en de Balfour verklaring. Met het Sykes-Picot verdrag hebben Britten en Fransen in 1916 al afspraken gemaakt over de verdeling van het Ottomaanse rijk nadat ze de oorlog zouden winnen. De Balfour verklaring van 1917 verwijst naar de belofte van Arthur Balfour, staatssecretaris van Buitenlandse zaken, aan de Joden om voor hen een thuisland te stichten in het Midden-Oosten.

De hoofdpersonages van deze conferentie zijn Winston Churchill en de Britse officier Thomas Edward Lawrence, beter bekend als “Lawrence of Arabia”. Op de foto hieronder zijn ze samen te zien tijdens de Caïro conferentie. Beide mannen hebben mekaar al eerder ontmoet in 1919, maar dat had toen geen grote indruk gemaakt op Churchill. Maar tussen het verdrag van Versailles en de Caïro conferentie wijzigt Churchill van gedachten. Hij heeft het Colonial Office onder zijn hoede gekregen en heeft zo een onpopulaire oorlog in Mesopotamië (Irak) gekregen waar Britse en Indische soldaten het dagelijks aan de stok krijgen met Arabische rebellen. Om daaruit te geraken, benoemt hij T.E. Lawrence als zijn assistent. Beide mannen stellen een plan op om de voormalige Ottomaanse provincies te verdelen. Palestina wordt in tweeën verdeeld. Het westelijk deel krijgt de naam Palestina en het oostelijk deel wordt Transjordanië. Palestina blijft onder Brits mandaat en Transjordanië en Mesopotamië (het latere Jordanië en Irak) worden toevertrouwd aan de Hasjemieten, koning Hoessein en zijn zonen Faisal en Abdoellah. Faisal wordt koning van Mesopotamië en Abdoellah krijgt Transjordanië toevertrouwd.

We zijn nu honderd jaar verder en het mag duidelijk zijn dat de Britse regeling niet heeft geleid tot stabiliteit in de regio.

Bronnen
https://en.wikipedia.org/wiki/Cairo_Conference_(1921)
https://www.cliohistory.org/thomas-lawrence/cairo/
https://www.loc.gov/exhibits/churchill/interactive/_html/wc0079.html


opiumroes voor Hans Tröbst

Hans Tröbst is in Kastamonu aangekomen op zijn weg naar Ankara. Daar blijft hij drie dagen lang en op zeker moment besluit hij dat het tijd is voor wat extra ontspanning.


Ik nam afscheid van mijn gezelschap, bedankte hen voor de mooie avond en zocht mijn hotel op. Hier besloot ik me een bijzonder genoegen te gunnen : een opiumroes. Een Turk had me heimelijk twee stukken bezorgd, die er als gummi uitzagen en die ik nu in kleinere stukken sneed en in vier zelfgedraaide sigaretten draaide. Dan legde ik me op bed en ik begon te roken met de bedoeling mijn hoofd zo lang mogelijk helder te houden om de effecten te observeren. Het smaakte ietwat zoet en nam de bittere smaak van de tabak weg. Na de eerste sigaret voelde ik een enorm welbehagen dat zich uitte in luid lachen. Ik wist zeer goed dat ik aan het lachen was, maar ik wist de reden niet. Na de tweede sigaret begon een ietwat versnelde hartslag en ik werd diepzinnig. Mijn denkvermogen begon achteruit te gaan en het was me onmogelijk om kleine rekenopgaven op te lossen. Na de derde sigaret had ik bij volle bewustzijn en open ogen hallucinaties. De kleine gele leeuw, die op de Belgische lucifersdoos afgebeeld was, zag ik als levensgrote figuur op bed aan mijn voeten en grijnsde mij met open tanden aan. Met moeite stak ik mijn vierde sigaret aan. Nu vielen mijn ogen toe, handen en voeten werden zwaar en geleidelijk aan verloor ik de controle over mijn ganse lichaam.

Omdat Hans Tröbst expliciet een Belgisch lucifersmerk vermeld, voegen we hier ook nog Kuifje met een opiumpijp aan toe. De tekening komt uit “de Blauwe Lotus”.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

karavaan naar Kastamonu

Nadat Hans Tröbst eindelijk zijn marsbevel naar Ankara heeft ontvangen, spreekt hij op 10 maart 1921 met een aantal reisgezellen af om eindelijk Inebolu aan de Zwarte Zee te verlaten.

We wilden met een kleine karavaan van ongeveer twintig ezelfs en muildieren afreizen. Stipt om twaalf uur hadden we afgesproken. Natuurlijk zorgde Hakki Bey op het laatste moment voor een langer oponthoud omdat hij het praktischer vond om de reis met “babouchen” te maken. Dat was een schoeisel dat in feite een stuk leer op de voet gesneden en voorzien van riemen, een beetje zoals sandalen in de riddertijd. Ik verwittigde hem want in Bulgarije had ik al gezien dat je daar enkel mlee kan lopen als je het van kindsbeen af gewoon bent.

Het was een heerlijke winterdag, met perfect weer om urenlang te marcheren. Na een uur bereikten we een wachtpost, waar de soldaten onze papieren nakeken. We namen afscheid van onze begeleiders die ons lang nawuifden en ons de zege en de hulp van Allah toewensten. Met onze gids verlieten we de straat en we begonnen aan onze klim om een kortere weg te nemen. De sneeuw reikte tot aan de knie en al na vierhonderd meter moest ik een adempauze inlassen. De zon brandde zoals in de zomer en noodgedwongen deed ik mijn mantel uit, stak de kalpak in mijn tas en ploeterde verder. Hakki begon al de steunen en te vloeken. Met zijn schoeisel schoof hij na drie stappen telkens twee stappen terug. Een uur later kwamen we met trillende knieën terug op de hoofdweg, hoog op de berg. De ontelbare ezelkaravanen hadden alle vijftig meter een diepe groef nagelaten, zodat het leek dat we op spoorstaven moesten wandelen. We zaten midden in een geweldig hooggebergtelandschap. Waar men ook zag, waren diepe dalen en hemelshoge, met sneeuw bedekte bergen waarlangs de weg zich als een slang omheen kronkelde. Uiteindelijk hadden we onze karavaan ingehaald en de halfdode Hakki klampte zich ogenblikkelijk aan een ezel vast.

Iedere tien kilometer troffen we langs de weg een zogenaamde “han”, een overnachtingsplaats, meestal een kleine schuilhut, waar je je aan de oven kon warmen en voor een paar piaster thee kon drinken. In iedere hut die we tegenkwamen, slurpten we een paar tassen thee, rookten we enkele sigaretten, en haalden dan weer de kolonne in. De weg werd echter alsmaar slechter, de wind begon te huilen, en regelmatig slipte of viel er iemand omdat je met de vallende duisternis de groeven in de weg niet meer zag. Hakki en ik hielden de handen diep in de tassen, de kalpak over de oren getrokken, de kop diep gebogen voor de sneeuwstorm, en zo zetten we urenlang stompzinnig de ene voet voor de andere. Eindelijk, rond negen uur ’s avonds, kwamen we aan onze overnachtingsplaats toe.

’s Anderendaags lieten wij de karavaan, die beduidend langzamer was als wij, al om 8 uur vertrekken. WIj sliepen tot half tien, lieten ons thee op bed brengen, gingen naar een kleine gaarkeuken waar we ons rond aten voor vijftien piaster, en trokken dan verder. Het sneeuwde voortdurend en er waren momenten dat ik dacht met Hannibal in de Alpen te zijn. Maar uiteindelijk hadden we de top van het gebergte bereikt die de Zwarte Zee afgrensde van de Anatolische hoogvlakte.

Op de derde dag komt Hans Tröbst in Kastamonu aan waar hij drie dagen zal verblijven alvorens verder te trekken naar Ankara.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Marsbevel naar Ankara

De spanning van de voorbije weken begint zich te wreken bij Hans Tröbst. Eindelijk is hij aangekomen in Inebolu, een Turkse havenstad aan de Zwarte Zee. Maar daar krijgt hij te horen dat hij weken moet wachten op verdere marsbevelen vanuit Ankara. De verveling slaat toe en ook een verkoudheid waar hij maar niet van af geraakt. Na enkele dagen in bed gelegen te hebben, wordt Hans onder zachte dwang opgenomen in een lazaret. Daar maakt hij kennis met lotgenoten die net zoals hij ook verder willen reizen naar Anatolië om te gaan vechten in dienst van de Kemalisten.

Het lazaret lag boven op een berg, vanwaaruit men een heerlijk vergezicht had op de Zwarte Zee en de bergen. En zo bracht ik veertien dagen in de ziekenzaal door met andere patiënten terwijl we met groot ongeduld wachten op ons marbevel. De ene dag duurde al even lang als de andere. Na twee weken werd ik eindelijk gezond verklaard en ik werd op staatskosten ondergebracht in een hotel.

Na vijf weken kreeg ik eindelijk het verhoopte nieuws. En wie beschrijft mijn vreugde als ik op 5 maart 1921 het langverwachte telegram uit Ankara kreeg. Wat een ongelooflijk toeval. Op 5 maart 1910 werd ik aangesteld als Fahnenjunker in het Pruisische leger en op dezelfde dag maar elf jaren later, kreeg ik de mededeling dat ik voortaan de halve maan als kokarde mocht dragen.

Men stuurde me naar de commandant, die me beloofde alles voor te bereiden, ezels te huren en me te verwittigen als alles klaar zou zijn. Jammer genoeg werd het weer slechter en de afreis was dan ook niet mogelijk. Tot mijn vreugde kreeg de goede Hakki de volgende dag zijn marsbevel en we besloten samen op te trekken. We spraken af om de tiende maart te vertrekken.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

het lange wachten in Inebolu

In het vorige bericht over Hans Tröbst hebben we gezien hoe hij er eindelijk in slaagt Constantinopel per schip te verlaten (lees meer hierover op deze pagina). Hij komt uiteindelijk aan in Inebolu aan de Zwarte Zee. Over zijn aankomst noteert hij het volgende :

Een grote mensenmassa, die me nieuwsgierig bekeek, stond op de kaai. Ik baande me een weg met mijn soldaten, waarvan er één een Franse blauwe mantel droeg (een souvenir van het Adanafront) en de andere droeg bereidwillig mijn koffers. We kwamen aan een groot gebouw, waarvan het gelijkvloers meerdere bureauruimtes omvatte. Ik werd naar een bureau begeleid en de soldaat zei tegen de burger achter de schrijfmachine een aantal zinnen, waarin ik “Alman Yüzbaşı” herkende. Dat betekent “Duitse officier”.

Ik werd door de aanwezigen met interesse bekeken. Niemand van de aanwezigen sprak Duits of Frans, maar men deed me teken dat ik mocht gaan zitten en ik kreeg sigaretten aangeboden. Later werd me verteld dat men twijfelde of de Duitse keizer was aangekomen. Dat gerucht had de ronde gedaan na mijn aankomst. De haven van Inebolu was de enige aan de ganse noordkust die door de Kemalistische regering geopend was. Na een uur verscheen er eindelijk een jongeman, buiten adem, die vloeiend Duits sprak en wel zo vloeiend en met gebruik van allerlei germanismen, dat ik hem eerst voor een landgenoot hield. Tijdens het voorbije uur had men hem gezocht als tolk en nu kon de arbeid beginnen. Ik begon mijn levensverhaal te vertellen om bij het punt te komen dat ik hier was aangekomen met de bedoeling in Turkse dienst te treden… Sensatie ! Een paar ogenblikken lang stopte de bedrijvigheid in het gebouw, beambten en klerken omringden me en vroegen de tolk mij hun vragen te vertalen.

Mijn aanvraag werd schriftelijk vastgelegd, ik ondertekende. Dan werd mijn bagage onderzocht en onder begeleiding van tolk Hakki Bey gingen we naar een ander gebouw waar men mijn papieren opnieuw nakeek. Dan vertelde de tolk me :”Men zal voor u een onderkomen zoeken. Hikmet Bey is een vertegenwoordiger van de stad, die voor u onmiddellijk een woning zal uitkiezen. Het is hier zeer druk in de stad want er zijn hier veel soldaten en officieren die op een marsbevel uit Ankara wachten om verder te reizen. Iedereen die zich hier aanmeldt, wordt telegrafisch doorgegeven aan Ankara en de regering beslist of de betreffende persoon mag verder reizen of teruggestuurd wordt. “.

Ik stelde natuurlijk de vraag hoe lang dat ongeveer zou duren voor ik weer kon verder reizen. – “Een telegram naar Ankara en terug duurt pakweg twee weken. Maar het wachten hier duurt altijd vier weken. “.

En zo begon het lange wachten voor Hans Tröbst op zijn marsbevel.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Inebolu – havenstad aan de Zwarte Zee