Raoul Snoeck op patrouille

Raoul Snoeck noteert op 13 mei 1918 in zijn dagboek het volgende :

Op verkenning trekken is avontuurlijk, liefst zo dicht mogelijk bij de Duitse voorposten. We zijn tegelijk voorzichtig en agressief. We dwalen rond, kruipen op de buik, rukken op of trekken ons terug, zonder de juiste afstand te kennen die ons van de vijand scheidt. Soms haperen we aan prikkeldraad, schrammen de handen en scheuren de kleren. Het is zo donker dat we niet zien waar we onze voeten zetten. We vorderen tastend. De meeste tijd liggen we plat op de buik, de revolver in de ene en de dolk in de andere hand, voorbereid op elke omstandigheid. Om ons te redden moeten we soms in een obusput springen. We steken dan tot over onze buik in het water, en wachten op het gunstige ogenblik om de expeditie verder te zetten. Als de Duitsers ons horen of opmerken, dan is het man tegen man. Komen we iets over de vijand te weten, dan keren we gelukkig terug  om het onze oversten te vertellen.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervalle, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck, Ducaju en zoon

De tekening hieronder is van Léon Broquet, getiteld “patrouille surprise par la fusée”.

LeonBroquet_PatrouilleSurpriseParLaFusee

 

geen paasverlof voor Raoul Snoeck

Raoul Snoeck merkt de onrust in de eerste linies en noteert op 31 maart 1918. 

Slecht nieuws voor ons : alle verloven zijn ingetrokken en niemand weet voor hoelang, tenzij de oorlog vlug zou eindigen. Maar dat geloof ik niet, wat er ook over verteld wordt. Ik verwacht geen opheldering in de oorlogssituatie en denk dat we er nog voor lang hebben. Een vliegtuig komt bommen gooien. De paaseieren zijn jammer genoeg niet van chocolade. We volgen de vlucht van de oorlogsvogel. De projectielen gehoorzamen gelukkig aan de wet van de zwaartekracht waardoor ze gemakkelijker ontweken kunnen worden. Vijandelijke piloten bestoken ons niet alleen met bommen, al lang werpen ze over de kampen ook vlugschriften en aankondigingen uit. Ze willen ons uitnodigen tot overgave of ons mentaal klein krijgen, maar dat lukt ze niet. De moffen meten ons beslist met eigen maat. Kennen ze ons dan nog niet ?  

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon 

DuitseVliegtuigen_19180331

gifgas en tegenaanval in Sint-Jacobskapelle

Raoul Snoeck maakt op 17 maart 1918 een Duitse aanval mee in de sector Sint-Jacobskapelle.

Het kanongebulder bereikt ons eerst gedempt, dan rolt het geluid van de ontrploffingen in alle richtingen. Een soort mist trekt onze aandacht en allemaal kijken we naar de afschuwelijke explosies : de Moffen vallen heel het Belgisch front aan met stikgas. De lucht wordt zwart. Vlug zet iedereen zijn masker op. Er worden ook obussen afgevuurd met niespoeder dat door het linnen van ons masker dringt. De soldaten niezen, hun mond vult zich met slijm. Je moet een ongehoorde moed hebben om dat masker op je gezicht te houden. Het afnemen is levensgevaarlijk want je zou het dodelijke stikgas kunnen inademen. De Moffen kennen van die verfijnde wreedheden. Velen van ons hebben hun laatste gebeden opgezegd want ze dachten dat het met hen afgelopen was.

Met die grote maskers op  ons gezicht lijken we op duikers. We hebben een razende tegenaanval uitgevoerd. De mannen wentelden zich echt in het bloed, uitzinnig van woede. De Duitsers die zich in de sector bevonden, zullen thuis niet meer kunnen vertellen dat het warm was. Een kleine officier stond te pronken op een borstwering. Ik heb hem enkele kogels in de pens gejaagd. Je had zijn ogen moeten zien toen hij naar beneden tuimelde. Die zal het een paar ogenblikken erg kwaad hebben gehad. Dat zal hen leren ons met stikgas te beschieten. Je wreekt je zoals je kunt. Dat is niet mooi maar de oorlog is geen pretje. Zoveel mogelijk vijanden doden, is dat niet onze dwingendste plicht ?

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

Het schilderij hieronder is van Erik Nagels.

ErikNagels_GroteOorlog_Hoofdstraat

 

Raoul Snoeck in de dodengang

Raoul Snoeck noteert het volgende in zijn dagboek :

6 maart 1918 : Buitengewoon weer, echte maartse buien : sneeuw, zon en regen. Als het sneeuwt, is het zo koud dat je een pelsmantel kunt verdragen. Schijnt de zon, dan hebben we de neiging onze jas uit te trekken. Maar we moeten oppassen om geen kou te vatten. Alles is kalm en rustig. Het lijkt wel alsof iedereen vermoeid is na de voorbije moordpartijen. Af en toe schudt een kanonschot met oorverdovend gerommel onze stellingen dooreen.

8 maart 1918 : Mijn mannen en ik opteren voor de bezetting van de dodengang. We hebben die van in het begin zo genoemd omdat hij het dichtst bij de vijand ligt en er bijna altijd doden of gewonden vallen. Het uiteinde van onze loopgraaf ligt slechts op een vijftiental meter van de Duitse. Met de verrekijker kunnen we heel goed de bewegingen van de vijand volgen. Daar beleven we nog wat actie en voelen we ons vrijer en onafhankelijker. Geloof maar niet dat we stil praten in dat bolwerk, zelfs al waakt de vijand recht tegenover ons. Waarom zouden we ? De moffen weten dat die loopgraaf nooit leeg is. Doorheen de gangen weerklinkt soms luid gelach en gezang, onze enige toegeving aan het noodlot.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

Dodengang01

Raoul Snoeck adjudant

Raoul Snoeck noteert goed nieuws op 14 februari 1918 :

Ik word tot adjudant benoemd. Niet dat ik eerzuchtig ben maar dankzij de bevordering zal ik toch verlost zijn van voorraadzak en geweer. het is gewoonweg erg praktisch als je enkel een sabel moet dragen. Als adjudant mag je de rugzak op de wagen of op het Decauvilletreintje plaatsen.

Mijn legerzak heeft stijl. Van boven liggen mijn deken en rubbermantel. In het midden steekt keukengerei. Binnenin : ondergoed, sigaretten, chocolade, suiker, koffie, boter, kaas, schrijfpapier, een woordenboek en reservelevensmiddelen. Het geheel weegt om en bij de 30 kilo. Je kunt je voorstellen dat ik gelukkig ben die ballast niet meer achter me aan te slepen.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju en zoon

Op de foto staat een Decauvillespoor afgebeeld.

Decauville_1918_02

 

denken aan de familie in Gent

Tijdens de Kerstdagen denkt men vaak aan de familie en voor de frontsoldaten is dat niet anders. Raoul Snoeck noteert op 22 december 1917.

We kantoneren in Hoogstade en het vriest dat het kraakt. Het is verschrikkelijk koud in onze barakken. Bij gebrek aan steenkool hebben we dikwijls bevroren vingers. Voor het inslapen kijk ik elke avond liefdevol naar de foto’s van ma en zus. Helaas, die van pa en broer zijn in Stavele in de brand gebleven en ik heb nooit die foto’s ontvangen  die ze beloofd hadden op te sturen. Denken aan mijn dierbaren raak ik in mijmeringen verzonken. Terwijl zich daarbuiten loense nachtelijke drama’s afspelen, droomt de soldaat in zijn schuilplaats. Een massa vage gevoelens beklemmen hem het hart, vermengd met een weemoedige spijt om het verwoeste België.

Gelukkige zijn we jong en zijn er onder ons vrolijke lui. Ik mag van mezelf zeggen dat ik bij die lustige snaken hoor. Laat er eentje zijn kop hangen, dan komen ze me halen want ik slaag erin het voorhoofd van de sombersten te ontrimpelen. Maar als mijn geest rust krijgt, begint hij te dwalen en krijg ik zwartgallige gedachten. Als ik schrijf, redeneer ik en gaat alles beter.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju en zoon

Kerst_1917_1918

 

de taalstrijd van Raoul Snoeck

Raoul Snoeck wordt in zijn compagnie gezien als een soort van talenwonder.

Ik ben een soort secretaris van een hoop brave jongens die in Frankrijk en in Groot-Brittannië oorlogsmeters bezitten, maar de taal van het land niet kennen. Ze vragen mij dan hun brieven op te stellen.

Gisteren deelde een soldaat me mee dat hij een oorlogsmeter gevonden had in Argentinië; waar halen ze het vandaan, mijn God. Mijn vriend neemt mij voor een man die alle talen kent : ik ken geen woord Spaans.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

ComoSeDice