Waar is Hans Tröbst ?

Het laatste bericht van Hans Tröbst, Duitse officier in Turkse dienst, dateert alweer van 9 juli. Na een tactische terugtocht tot aan de Sakarya rivier, zijn de Turken erin geslaagd om de Grieken een halt toe te roepen. Van 23 augustus tot 13 september 1921 woedt de slag tussen Turken en Grieken aan de Sakarya rivier. Daarna is het Griekse leger op de terugtocht. Maar waar is Hans Tröbst gebleven ? We volgen hem aan de hand van enkele uittreksels uit zijn dagboek. Op 15 augustus 1921 heeft het bataljon van Hans Tröbst bevel gekregen om naar Ankara te marcheren. Daar vinden we Tröbst terug.

De Grieken waren weer in opmars vanuit Eskişehir. Rijkelijk vier weken had de Griek laten voorbijgaan voor hij terug besloot een nieuwe aanval te wagen. Een onschatbare tijdswinst voor de Turken die in deze periode soldaten mobiliseerde. Ik had de indruk dat de Griek weer op een gedisciplineerde en strijdlustige troepenmacht zou stoten. Toch zag men de komende gebeurtenissen met zorgen tegemoet. De officiersfamilies kregen het bevel de stad te verlaten en terzelfdertiojd werden voorbereidingen getroffen om het oorlogsministerie en de regering naar Kayseri in Cappadocië te verhuizen. Wij bleven tot 24 augustus in de stad tot we op 25 augustus het bevel kregen om naar Jokshahan aan de rivier Kizil Irmak te marcheren. We rekenden op drie dagen tot Jokshahan. Vanaf de tweede dag kreeg het landschap weer een bergachtig karakter. Jokshahan was met Akara verbonden door een weg die tijdens de Groote Oorlog geouwd werd en tot Erzurum had moeten leiden tot de gebeurtenissen de bouw stopzette. Hier had men alle materialen uit Kutachia, Eskişehir en Ankara verzameld om ze in karavanen naar Josgad en Kayzeri te transporteren. Ware bergen van munitie, machineonderdelen en levensmiddelen waren in een bonte verzameling opgestapeld. In de vroege namiddag braken we onder een tropische hitte weer op aan de vijftig meter brede, visrijke rivier Kisil Irmak. s’ Avonds kwam weer het bevel dat het bataljon terug naar Ankara zou moeten keren. Omdat we haast moesten maken, keerden we per trein terug en na dertien uren sporen waren we weer in Ankara.

Wat voor mij bijzonder onaangenaam was, was dat men me niet aan het front liet en als Etappist beschouwde ik mezelf als soldaat tweede klasse. (De Duitsers gebruikten de term Etappengebiet voor de streek onder militair bevel achter de frontlinies en het landsgedeelte onder burgerlijke overheid. Tijdens de Groote Oorlog was Gent hoofdstad van het Etappengebiet in België). Ik besloot een laatste poging te wagen en me tot generaal Refet Pasha te wenden. Alsof het lot mijn gedachten kon lezen, kreeg ik bij aankomst in Ankara het bevel om ’s anderendaags om twee uur bij het kabinet van de oorlogsminister te verschijnen. ’s Anderendaags zag ik mijn bataljon vertrekken om stellingen te bowuen op zeventig kilometer ten zuidwesten van Ankara. Enkel één compagnie bleef achter in de stad. Om 2 uur stapte ik in de werkkamer van de generaal. Met bijzondere vriendelijkheid beloofde hij me van alles en hij smeekte me om nog enkele dagen in Ankara te blijven.

De slag aan de Sakarya duurde al twaalf dagen en ik had weinig hoop om daar nog iets van te beleven. De Turk vocht tegen een driemaal talrijkere vijand die de modernste militaire materialen had die hij van zijn Engelse vrienden had gekregen. Het was stil in de stad. De meeste families hadden Ankara al verlaten. Ikzelf lag met een zware malaria-aanval in bed. Zodra ik weer op de been was, kreeg ik de melding dat ik zo snel mogelijk naar mijn bataljon moest gaan om een commando over te nemen. Op 12 september 1921 vertrokken we. Het bataljon zou in het dorp Karagedik nieuwe stellingen moeten bouwen. Want de vijand had zijn omsingelingspogingen nog niet opgegeven, en de nieuwe linie zou de Griekse opmars tot staan moeten brengen.

bron : Hans Tröbst – Mit den Kemalisten Kreuz und Quer durch Anatolien – (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

de Grieken komen !

Hans Tröbst, voormalig Duits officier, heeft zich na de oorlog bij de Kemalisten in Anatolië aangesloten. Daar wacht hij op de verwachte veldslag met de Grieken begin juli 1921.

Het was al laat als we weer in ons dorp Güwem aankwamen. Daags erna kwam overste Shükri Bey aan met het nieuws dat piloot verkenners gemeld hadden dat onze tegenstanders in twee kolonnes vanuit Uşak en Gedis onze richting uitkwamen. De sectie bij Güwem was twintig tot vijfentwintig kilometer lang. De stellingen lagen op zacht glooiende hellingen die kaal waren en een mooi uitzicht boden op het schootsveld. Ongeveer in het midden van de stellingen was een drie kilometer breed woud, voorzien van de nodige ravijnen en dat schrijlings op onze stellingen aansloot. Maar men had niets gedaan om zich hier tegen verrassingsaanvallen te verdedigen. Ik deelde mijn bedenkingen met mijn overste maar hij verklaarde rotsvast overtuigd van het eigen gelijk :”De Griek vermijdt de bossen bij de aanval en wij vermijden ze bij de verdediging en dus moeten we hier geen versterkingen voorzien.”.

Omdat ook andere Turkse officieren van het pioniersbataljon mijn bedenkingen deelden, reed ik met luitenant-kolonel Heireddin langs onze verdediging om toch minstens één linie te voorzien. Voor meer verdedigingswerken hadden we niet voldoende manschappen.

Als de eerste berichten over de naderende vijand binnenkwamen, was er maar een klein deel van de stellingen klaar. Gelukkig kwam er op dat ogenblik een konvooi ossenwagens aan met het nodige gereedschap, zodat we niet alleen de pioniers maar ook de infanteristen zelf aan het werk konden zetten. Maar om het rampzalige woud bekommerde zich niemand.

Tegen de avond was de Griekse kolonne die vanuit Gedis kwam (een infanteriedivisie met sterke cavalerie) nog maar twintig kilometer verwijderd. Onze divisiecommandant was de linies langsgereden en zag tot zijn ontzetting dat er voor de verdediging van het woud nog niet het minste was gedaan. Als de vijand daags erna zou aanvallen, dan zaten onze soldaten op een stenige bodem in kniediepe loopgraven zonder verdere hindernissen en met officieren die geen voorkennis hebben van het niemandsland voor de linies. Het gebrek aan communicatieapparatuur, de moeilijke bevelvoering, de weinig geschikte inrichting van de loopgraven, een zwakke artillerie, al dat en nog duizend andere zaken stemden me zeer zorgelijk.

De dag erna was even zonnig als alle andere voorgaande. Maar er hing iets onbestemd in de lucht. De artillerie schoot zich verder in en de granaatinslagen riepen in de bergen een veelvoudige echo op. De soldaten verzamelden zich, stafmedewerkers en boodschappers galoppeerden over en weer. Maar voor de rest heerste er in de drukkende hitte de rust van een kerkhof.

Enkel in het dorp weerklonk gehuil en geweeklaag. Het bevel tot evacueren was aangekomen. Maar ook zonder dat bevel zou het resultaat hetzelfde geweest zijn. De melding “De Grieken komen eraan !” was voldoende om een volksverhuizing in gang te zetten in richting van de achterste linies.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Griekse cavalerie in opmars – Klein Azië – 1921

op zoek naar frontdienst

Hans Tröbst is op basis van zijn pionierservaring in het Duitse leger toegewezen aan een Turkse divisie die verdedigingsstellingen graaft in afwachting van de volgende Griekse aanval. Maar hij hoopt nog altijd naar het front te kunnen gaan. En dus besluit hij op 6 mei 1921 de trein naar Eskişehir te nemen om nogmaals te vragen naar het front te mogen.

De komende veldslag was het brandpunt van al onze gesprekken. Ze werd beschouwd als de laatste beslissende veldslag. Als de Griek opnieuw slaag zouden krijgen, dan zou hij ononderbroken tot Smyrna en verder weglopen. (…) Om zeker te zijn dat ik deze veldslag niet zou missen, besloot ik naar Eskişehir naar de generale staf te gaan om mijn overplaatsing aan te vragen naar een divisie aan het front en om tenminste bevel te kunnen voeren aan het front voor de duur van de veldslag.

En dus spoorde ik per trein naar Eskişehir om opnieuw de grootstadlucht in te ademen en vooral mijn aanbeden Adèle weer zien. Al aan het eerstvolgende station hadden we een langer oponthoud omdat hier een goederenwagon moest uitgeladen worden. Ook hier zoals overal een voorbeeldige orde. De uniformen waren natuurlijk een zeer bonte samenstelling. Engelse en Franse uniformstukken vielen het meest op. Maar hieraan ziet men dat men ook zonder reglementaire uniformen oorlog kan voeren zolang de wil er maar is.

Tegen de middag kwam ik in de stad aan, haalde Erturgrul op en we besloten om de rest van de dag te vieren en ons grondig te bezuipen. Want Ertugrul had bij de Duitse keierlijke marine gediend. We bezochten samen Adèle Georgiades, Käthe Leontides en daar leerder ik nog andere Griekse godinnen kennen. Nadat we ongelooflijk veel ijs en sorbet gegeten hadden, Shira en ander spul hadden gedronken, begaven we ons naar de woning van Ertugrul die hij van een Duitse, Frau Kleinert, gehuurd had.

De dag erna ging ik met een zure snuit en een zware kop naar majoor Tefik Bey die net van de frontlinies was teruggekomen. Mijn uitdrukkelijke aandringen om me toch eindelijk naar het front te sturen, had tot gevolg dat hij me beloofde mijn vraag te bepleiten. Nu, dan was het alweer wachten.

In de namiddag ging ik op de uitnodiging van een oudere heer in, die zich als Oostenrijkse Rittmeister van de reserve voorstelde en die al 20 jaar dienst bij de spoorwegen had. Hij bewoonde met zijn Armeense vrouw een verrukkelijk huisje dat midden in een reuze fruitplantage lag. Ik beleefde bij varkensgebraad en wijn een zeer interessante namiddag bij hen. Jammer genoeg vertelde hij weinig vrolijks. Hij had de wereldoorlog aan alle fronten meegemaakt en vertelde me als oude soldaat met diepe droefheid over de toestanden in het Oostenrijkse leger.

Zo toonde hij me een omvangrijke verzameling springstoffen, waarop een datum en een kilometergetal gegraveerd stonden. Bijvoorbeeld 15.7.1915, km 495,5. Deze explosieven waren afkomstig van de kanonnen van Engelse en Italiaanse onderzeeërs die in de golf van Ismid binnengedrongen waren en negen maal geprobeerd hadden de spoorlijn naar Bagdad te verwoesten.

De spoorlijn tussen Berlijn en Bagdad waarvan hier sprake is, is een spoorlijn die door het Duitse keizerrijk gefinancierd werd. De spoorlijn werd door de Britten als een bijzonder risico ervaren omdat het de Duitsers dichter bij India bracht en ook controle gaf over de olievelden nabij Basra. Volgens sommige historici is deze spoorlijn een van de redenen waarom Groot-Brittannië tegen Duitsland ten oorlog trok.

Bronnen :
https://en.wikipedia.org/wiki/Berlin%E2%80%93Baghdad_railway

Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

De foto hieronder toont een zicht op Eskişehir in de jaren 1920.


per trein naar pionierswerk voor Troebst

In Ankara wacht Hans Tröbst ongeduldig op verdere marsbevelen. Na enige dagen krijgt hij nog het voorstel om les te geven aan aspirant officieren, maar dat voorstel wijst hij af. Hij wil terug aan het front zijn. Nog enkele dagen later krijgt hij zijn marsbevel en een treinticket naar Eskişehir. Daar moet hij zich bij het hoofdkwartier van generaal Ismet Pasha melden. Daar aangekomen, krijgt hij een nieuwe functie en doel toegewezen. De Turken bouwen stellingen in Sabunje-Punar om een nieuwe Griekse aanval te kunnen afslaan. Het is van het uiterste belang dat ze de spoorlijn tussen Eskişehir en Afyonkarahisar behouden. Alleen dan kunnen ze met de nodige snelheid hun reserves naar bedreigde plaatsen sturen. Omdat de slag bij Inönü heel wat Turkse officieren het leven heeft gekost, rekenen de Turken op de ervaring van Tröbst om hen bij te staan bij de bouw van de stellingen.

De officier Tefik Bey wist me te vertellen dat ze een nieuw Grieks offensief over vier weken verwachten. Daarom waren ze nu bezig met de bouw van stellingen die commandant Shükri Bey als pionierinspekteur leidde. Ik zou onder zijn commando werken en zou vandaag nog met de trein naar Sabunje-Punar afreizen. Ik aanvaardde de opdracht maar was diep ontgoocheld. Nog altijd geen frontlucht !

Het landschap was redelijk eenvormig, een breed, zeer vruchtbaar dal , aan beide zijden door ergen begrensd, waarin de trein zich over vele bruggen en door enkele tunnels heen kronkelde. Al na twee uren kwam ik op mijn eindbestemming aan en stapte uit de trein. Mijn nieuwe chef was natuurlijk uitgerekend die morgen naar Eskişehir vertrokken en ik meldde me dan maar bij zijn vervanger, majoor Hasim Bey.

Tussen de Griekse en de Turkse linies zat een niemandsland van ongeveer honderdvijftig kilometer. Men verwachtte dat de Grieken bij het volgende offensief opnieuw naar Eskişehir zouden oprukken. Daarom moesten er stellingen worden aangelegd ter bescherming van de stad. Als we aankwamen, was het bataljon al aan het werk. Het bestond bijna uitsluitend uit geïnterneerde Griekse burgers, die in Klein-Azië woonden maar Ottomaanse onderdanen waren. Omdat men hen tijdens de oorlog niet vertrouwde, waren ze niet naar het front gestuurd, maar had men hen enkel voor arbeidsdienst ingezet. Veel lust om te werken hadden ze niet, en dus werd er door de korporaals af en toe met een knuppel wat extra ijver aangemaakt.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Troebst viert mee in Ankara

Uiteindelijk komt Hans Tröbst aan in Ankara. Daar hoort hij begin april 1921 over de tweede slag van Inönü.

In de stad heerste een levendige opwinding over de afloop van de slag bij Inönü die voor enige dagen gestart was nabij Eskişehir. De Turkse stellingen reikten van Eskişehir tot Afyonkarahisar. Tussen beide frontlinies lag een niemandsland van honderdvijftig kilometer. Met vier divisies hadden de helden van Athene het belangrijke spoorwegknooppunt aangevallen en omdat dit de vuurdoop was voor het nieuwe Turkse leger onder leiding van de Kemalisten, kan men zich de bezorgdheid en spanning in de stad voorstellen. De wildste geruchten deden de ronden en men sprak zelfs over vijfenveertigduizend gevangenen, maar het was onmogelijk om achter de waarheid te komen.

Naar mijn gevoel was de situatie bedenkelijk, want men stuurde vanuit Ankara met de troepentreinen wat men aan soldaten elders kon missen. Grote troepen verse rekruten kwamen dagelijks te voet aan vanuit de gebieden in de Kaukasus. Vanuit Konstantinopel had men extra reserves aan Armeniërs en Grieken naar de frontlinies gestuurd, maar de kemalistische vrijkorpsen hadden deze versterkingen alle kanten op verjaagd.

Ik nam met plezier aan de feestvreugde deel als overal de rode vlaggen met de witte halve maan en de ster uitgehangen werden om de overwinning te vieren. En net nu was mijn uniform klaar. Van snit en kleur leek het op een Duits uniform, maar de rangaanduidingen waren op de kraag aangebracht zoals dat ook de gewoon,te was bij het Oostenrijks-Hongaarse leger. Dit was nu mlijn derde kokarde die ik in mijn soldatenleven droeg. Allereerst was er het heilige zwart-wit-rood, dan de Russische kokarde van het leger Avalof-Bermondt en nu dus de halve maan met ster.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

opiumroes voor Hans Tröbst

Hans Tröbst is in Kastamonu aangekomen op zijn weg naar Ankara. Daar blijft hij drie dagen lang en op zeker moment besluit hij dat het tijd is voor wat extra ontspanning.


Ik nam afscheid van mijn gezelschap, bedankte hen voor de mooie avond en zocht mijn hotel op. Hier besloot ik me een bijzonder genoegen te gunnen : een opiumroes. Een Turk had me heimelijk twee stukken bezorgd, die er als gummi uitzagen en die ik nu in kleinere stukken sneed en in vier zelfgedraaide sigaretten draaide. Dan legde ik me op bed en ik begon te roken met de bedoeling mijn hoofd zo lang mogelijk helder te houden om de effecten te observeren. Het smaakte ietwat zoet en nam de bittere smaak van de tabak weg. Na de eerste sigaret voelde ik een enorm welbehagen dat zich uitte in luid lachen. Ik wist zeer goed dat ik aan het lachen was, maar ik wist de reden niet. Na de tweede sigaret begon een ietwat versnelde hartslag en ik werd diepzinnig. Mijn denkvermogen begon achteruit te gaan en het was me onmogelijk om kleine rekenopgaven op te lossen. Na de derde sigaret had ik bij volle bewustzijn en open ogen hallucinaties. De kleine gele leeuw, die op de Belgische lucifersdoos afgebeeld was, zag ik als levensgrote figuur op bed aan mijn voeten en grijnsde mij met open tanden aan. Met moeite stak ik mijn vierde sigaret aan. Nu vielen mijn ogen toe, handen en voeten werden zwaar en geleidelijk aan verloor ik de controle over mijn ganse lichaam.

Omdat Hans Tröbst expliciet een Belgisch lucifersmerk vermeld, voegen we hier ook nog Kuifje met een opiumpijp aan toe. De tekening komt uit “de Blauwe Lotus”.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

karavaan naar Kastamonu

Nadat Hans Tröbst eindelijk zijn marsbevel naar Ankara heeft ontvangen, spreekt hij op 10 maart 1921 met een aantal reisgezellen af om eindelijk Inebolu aan de Zwarte Zee te verlaten.

We wilden met een kleine karavaan van ongeveer twintig ezelfs en muildieren afreizen. Stipt om twaalf uur hadden we afgesproken. Natuurlijk zorgde Hakki Bey op het laatste moment voor een langer oponthoud omdat hij het praktischer vond om de reis met “babouchen” te maken. Dat was een schoeisel dat in feite een stuk leer op de voet gesneden en voorzien van riemen, een beetje zoals sandalen in de riddertijd. Ik verwittigde hem want in Bulgarije had ik al gezien dat je daar enkel mlee kan lopen als je het van kindsbeen af gewoon bent.

Het was een heerlijke winterdag, met perfect weer om urenlang te marcheren. Na een uur bereikten we een wachtpost, waar de soldaten onze papieren nakeken. We namen afscheid van onze begeleiders die ons lang nawuifden en ons de zege en de hulp van Allah toewensten. Met onze gids verlieten we de straat en we begonnen aan onze klim om een kortere weg te nemen. De sneeuw reikte tot aan de knie en al na vierhonderd meter moest ik een adempauze inlassen. De zon brandde zoals in de zomer en noodgedwongen deed ik mijn mantel uit, stak de kalpak in mijn tas en ploeterde verder. Hakki begon al de steunen en te vloeken. Met zijn schoeisel schoof hij na drie stappen telkens twee stappen terug. Een uur later kwamen we met trillende knieën terug op de hoofdweg, hoog op de berg. De ontelbare ezelkaravanen hadden alle vijftig meter een diepe groef nagelaten, zodat het leek dat we op spoorstaven moesten wandelen. We zaten midden in een geweldig hooggebergtelandschap. Waar men ook zag, waren diepe dalen en hemelshoge, met sneeuw bedekte bergen waarlangs de weg zich als een slang omheen kronkelde. Uiteindelijk hadden we onze karavaan ingehaald en de halfdode Hakki klampte zich ogenblikkelijk aan een ezel vast.

Iedere tien kilometer troffen we langs de weg een zogenaamde “han”, een overnachtingsplaats, meestal een kleine schuilhut, waar je je aan de oven kon warmen en voor een paar piaster thee kon drinken. In iedere hut die we tegenkwamen, slurpten we een paar tassen thee, rookten we enkele sigaretten, en haalden dan weer de kolonne in. De weg werd echter alsmaar slechter, de wind begon te huilen, en regelmatig slipte of viel er iemand omdat je met de vallende duisternis de groeven in de weg niet meer zag. Hakki en ik hielden de handen diep in de tassen, de kalpak over de oren getrokken, de kop diep gebogen voor de sneeuwstorm, en zo zetten we urenlang stompzinnig de ene voet voor de andere. Eindelijk, rond negen uur ’s avonds, kwamen we aan onze overnachtingsplaats toe.

’s Anderendaags lieten wij de karavaan, die beduidend langzamer was als wij, al om 8 uur vertrekken. WIj sliepen tot half tien, lieten ons thee op bed brengen, gingen naar een kleine gaarkeuken waar we ons rond aten voor vijftien piaster, en trokken dan verder. Het sneeuwde voortdurend en er waren momenten dat ik dacht met Hannibal in de Alpen te zijn. Maar uiteindelijk hadden we de top van het gebergte bereikt die de Zwarte Zee afgrensde van de Anatolische hoogvlakte.

Op de derde dag komt Hans Tröbst in Kastamonu aan waar hij drie dagen zal verblijven alvorens verder te trekken naar Ankara.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Marsbevel naar Ankara

De spanning van de voorbije weken begint zich te wreken bij Hans Tröbst. Eindelijk is hij aangekomen in Inebolu, een Turkse havenstad aan de Zwarte Zee. Maar daar krijgt hij te horen dat hij weken moet wachten op verdere marsbevelen vanuit Ankara. De verveling slaat toe en ook een verkoudheid waar hij maar niet van af geraakt. Na enkele dagen in bed gelegen te hebben, wordt Hans onder zachte dwang opgenomen in een lazaret. Daar maakt hij kennis met lotgenoten die net zoals hij ook verder willen reizen naar Anatolië om te gaan vechten in dienst van de Kemalisten.

Het lazaret lag boven op een berg, vanwaaruit men een heerlijk vergezicht had op de Zwarte Zee en de bergen. En zo bracht ik veertien dagen in de ziekenzaal door met andere patiënten terwijl we met groot ongeduld wachten op ons marbevel. De ene dag duurde al even lang als de andere. Na twee weken werd ik eindelijk gezond verklaard en ik werd op staatskosten ondergebracht in een hotel.

Na vijf weken kreeg ik eindelijk het verhoopte nieuws. En wie beschrijft mijn vreugde als ik op 5 maart 1921 het langverwachte telegram uit Ankara kreeg. Wat een ongelooflijk toeval. Op 5 maart 1910 werd ik aangesteld als Fahnenjunker in het Pruisische leger en op dezelfde dag maar elf jaren later, kreeg ik de mededeling dat ik voortaan de halve maan als kokarde mocht dragen.

Men stuurde me naar de commandant, die me beloofde alles voor te bereiden, ezels te huren en me te verwittigen als alles klaar zou zijn. Jammer genoeg werd het weer slechter en de afreis was dan ook niet mogelijk. Tot mijn vreugde kreeg de goede Hakki de volgende dag zijn marsbevel en we besloten samen op te trekken. We spraken af om de tiende maart te vertrekken.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

het lange wachten in Inebolu

In het vorige bericht over Hans Tröbst hebben we gezien hoe hij er eindelijk in slaagt Constantinopel per schip te verlaten (lees meer hierover op deze pagina). Hij komt uiteindelijk aan in Inebolu aan de Zwarte Zee. Over zijn aankomst noteert hij het volgende :

Een grote mensenmassa, die me nieuwsgierig bekeek, stond op de kaai. Ik baande me een weg met mijn soldaten, waarvan er één een Franse blauwe mantel droeg (een souvenir van het Adanafront) en de andere droeg bereidwillig mijn koffers. We kwamen aan een groot gebouw, waarvan het gelijkvloers meerdere bureauruimtes omvatte. Ik werd naar een bureau begeleid en de soldaat zei tegen de burger achter de schrijfmachine een aantal zinnen, waarin ik “Alman Yüzbaşı” herkende. Dat betekent “Duitse officier”.

Ik werd door de aanwezigen met interesse bekeken. Niemand van de aanwezigen sprak Duits of Frans, maar men deed me teken dat ik mocht gaan zitten en ik kreeg sigaretten aangeboden. Later werd me verteld dat men twijfelde of de Duitse keizer was aangekomen. Dat gerucht had de ronde gedaan na mijn aankomst. De haven van Inebolu was de enige aan de ganse noordkust die door de Kemalistische regering geopend was. Na een uur verscheen er eindelijk een jongeman, buiten adem, die vloeiend Duits sprak en wel zo vloeiend en met gebruik van allerlei germanismen, dat ik hem eerst voor een landgenoot hield. Tijdens het voorbije uur had men hem gezocht als tolk en nu kon de arbeid beginnen. Ik begon mijn levensverhaal te vertellen om bij het punt te komen dat ik hier was aangekomen met de bedoeling in Turkse dienst te treden… Sensatie ! Een paar ogenblikken lang stopte de bedrijvigheid in het gebouw, beambten en klerken omringden me en vroegen de tolk mij hun vragen te vertalen.

Mijn aanvraag werd schriftelijk vastgelegd, ik ondertekende. Dan werd mijn bagage onderzocht en onder begeleiding van tolk Hakki Bey gingen we naar een ander gebouw waar men mijn papieren opnieuw nakeek. Dan vertelde de tolk me :”Men zal voor u een onderkomen zoeken. Hikmet Bey is een vertegenwoordiger van de stad, die voor u onmiddellijk een woning zal uitkiezen. Het is hier zeer druk in de stad want er zijn hier veel soldaten en officieren die op een marsbevel uit Ankara wachten om verder te reizen. Iedereen die zich hier aanmeldt, wordt telegrafisch doorgegeven aan Ankara en de regering beslist of de betreffende persoon mag verder reizen of teruggestuurd wordt. “.

Ik stelde natuurlijk de vraag hoe lang dat ongeveer zou duren voor ik weer kon verder reizen. – “Een telegram naar Ankara en terug duurt pakweg twee weken. Maar het wachten hier duurt altijd vier weken. “.

En zo begon het lange wachten voor Hans Tröbst op zijn marsbevel.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Inebolu – havenstad aan de Zwarte Zee

Hans Tröbst krijgt zijn kalpak

Hans Tröbst is aangekomen in Constantinopel om verder te reizen naar Anatolië en zich daar aan te sluiten bij het leger van Mustafa Kemal. Maar in de stad moet hij voorzichtig zijn omdat het er wemelt van Britse en Franse militairen. Hij vindt nergens een luisterend oor op de contactadressen die hem zijn doorgegeven. Maar heel toevallig ontmoet hij een voormalige Turkse kapitein die ook naar Anatolië wil. Ze spreken af om daags erna terug samen te komen om hun reis voor te bereiden. We laten Hans Tröbst aan het woord…

’s Anderendaags was ik stipt op de afgesproken plaats. Kapitein Ishan wachtte me al op en we gingen naar een koffiehuis in de buurt van het ministerie van Oorlog waar een bonte mengeling van mannen in burger en uniformen samenzaten en de tijd verdreven met spelletjes en roken. “Dit zijn allemaal officieren die uit krijgsgevangenschap zijn teruggekeerd,” wist Ishan me te zeggen, “Die willen allemaal naar Anatolië.”. We namen plaats, bestelden een koffie en na enige ogenblikken zette een man zich bij ons en groette ons. We legden hem de situatie uit, ik gaf hem mijn militaire documenten mee en hij verdween met Ishan. Na twee uren wachten was Ishan terug, maar de man durfde me niet verder helpen uit schrik dat ik een spion was.

“Blijf hier nog even wachten,”vroeg Ishan. “Hierover is het ministerie van oorlog, daar is een majoor en hij zal ons verder kunnen helpen.”. Ishan verdween opnieuw en na een half uur was hij terug met de melding dat we over 2 dagen om 2 uur met majoor Halid een afspraak hebben.

Twee dagen later is Hans Tröbst bij majoor Halid die hem in goed Duits te woord staat. Hij verwijst Hans door naar majoor Rimsey. Die is wel heel hartelijk , heeft het over zijn diensttijd onder de Duitse generaal Liman von Sanders, maar zegt ook dat hij niets kan doen en verwijst hem door naar majoor Essad. Als die derde majoor hem vraagt om maandag terug te komen, besluit Hans Tröbst om klare wijn te schenken.

Neem me niet kwalijk, majoor, maar ik ben sinds een week in Constantinopel. Iedereen die ik gesproken heb over mijn reisdoel, laat me daags erna terugkomen, om me dan te zeggen dat hij niets voor me kan doen en dan krijg ik een nieuw adres. Ik ben sinds oktober onderweg, mijn geldmiddelen zijn karig geworden. Op dit moment heb ik nog voldoende geld om zowel naar Anatolië als naar Duitsland te kunnen reizen. Daarom moet ik nu duidelijk weten : is het mogelijk om naar Anatolië te gaan, ja of neen ? Anders word ik van dag tot dag aan het lijntje gehouden om dan als mijn geld op is, te moeten vaststellen dat ik helemaal niet meer naar Anatolië kan. Dat is mijn situatie”.

De majoor begint zenuwachtig heen en weer te schuifelen, overlegt lang met een andere Turkse militair en zegt me dan :”Komt u morgen om 4 uur terug en mogelijk kan u dan maandag al afvaren.”.

Daags erna biedt Hans Tröbst zich weer aan. Hij krijgt thee en sigaretten aangeboden. En na een kwartier over allerlei zaken gesproken te hebben , heeft de majoor het verlossende bericht :”Wat ik ook nog zeggen wou, u kunt morgen meevaren. Dan vaart een Italiaans schip naar Trabzon. Kapitein en bemanning zijn Italianen, de secretaris en de tweede kapiteitn zijn Turken. ZIj zullen u in een kabine verstoppen. Kom morgen om 2 uur naar hier en dan zorgen we voor het nodig”.

De dag van vertrek is Tröbst weer in het ministerie van Oorlog waar hij door een adjudant wordt opgevangen. Na een uur wachten stopt een Turkse luitenant hem een reisbiljet in de handen. En dan krijgt hij een duidelijk teken dat het de Turken ernst is.

Weer ging een half uur voorbij. Opnieuw verscheen de luitenant, dit keer met een zwart voorwerp in zijn hand die hij mij zonder iets te zeggen overhandigde. Een kalpak ! De officierenmuts van de Kemalisten ! Alle respect ! Dat ziet er schitterend uit.

Daarna wordt Hans Tröbst door een Turk in burger naar zijn hotel begeleid waar hij zijn koffer neemt. Dan gaat het naar de Galatabrug. Daar ziet hij kapitein Ishan terug die met hem in een roeiboot instapt om naar het schip te roeien. Hans Tröbst is onderweg naar Anatolië.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie