Troebst viert mee in Ankara

Uiteindelijk komt Hans Tröbst aan in Ankara. Daar hoort hij begin april 1921 over de tweede slag van Inönü.

In de stad heerste een levendige opwinding over de afloop van de slag bij Inönü die voor enige dagen gestart was nabij Eskişehir. De Turkse stellingen reikten van Eskişehir tot Afyonkarahisar. Tussen beide frontlinies lag een niemandsland van honderdvijftig kilometer. Met vier divisies hadden de helden van Athene het belangrijke spoorwegknooppunt aangevallen en omdat dit de vuurdoop was voor het nieuwe Turkse leger onder leiding van de Kemalisten, kan men zich de bezorgdheid en spanning in de stad voorstellen. De wildste geruchten deden de ronden en men sprak zelfs over vijfenveertigduizend gevangenen, maar het was onmogelijk om achter de waarheid te komen.

Naar mijn gevoel was de situatie bedenkelijk, want men stuurde vanuit Ankara met de troepentreinen wat men aan soldaten elders kon missen. Grote troepen verse rekruten kwamen dagelijks te voet aan vanuit de gebieden in de Kaukasus. Vanuit Konstantinopel had men extra reserves aan Armeniërs en Grieken naar de frontlinies gestuurd, maar de kemalistische vrijkorpsen hadden deze versterkingen alle kanten op verjaagd.

Ik nam met plezier aan de feestvreugde deel als overal de rode vlaggen met de witte halve maan en de ster uitgehangen werden om de overwinning te vieren. En net nu was mijn uniform klaar. Van snit en kleur leek het op een Duits uniform, maar de rangaanduidingen waren op de kraag aangebracht zoals dat ook de gewoon,te was bij het Oostenrijks-Hongaarse leger. Dit was nu mlijn derde kokarde die ik in mijn soldatenleven droeg. Allereerst was er het heilige zwart-wit-rood, dan de Russische kokarde van het leger Avalof-Bermondt en nu dus de halve maan met ster.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

opiumroes voor Hans Tröbst

Hans Tröbst is in Kastamonu aangekomen op zijn weg naar Ankara. Daar blijft hij drie dagen lang en op zeker moment besluit hij dat het tijd is voor wat extra ontspanning.


Ik nam afscheid van mijn gezelschap, bedankte hen voor de mooie avond en zocht mijn hotel op. Hier besloot ik me een bijzonder genoegen te gunnen : een opiumroes. Een Turk had me heimelijk twee stukken bezorgd, die er als gummi uitzagen en die ik nu in kleinere stukken sneed en in vier zelfgedraaide sigaretten draaide. Dan legde ik me op bed en ik begon te roken met de bedoeling mijn hoofd zo lang mogelijk helder te houden om de effecten te observeren. Het smaakte ietwat zoet en nam de bittere smaak van de tabak weg. Na de eerste sigaret voelde ik een enorm welbehagen dat zich uitte in luid lachen. Ik wist zeer goed dat ik aan het lachen was, maar ik wist de reden niet. Na de tweede sigaret begon een ietwat versnelde hartslag en ik werd diepzinnig. Mijn denkvermogen begon achteruit te gaan en het was me onmogelijk om kleine rekenopgaven op te lossen. Na de derde sigaret had ik bij volle bewustzijn en open ogen hallucinaties. De kleine gele leeuw, die op de Belgische lucifersdoos afgebeeld was, zag ik als levensgrote figuur op bed aan mijn voeten en grijnsde mij met open tanden aan. Met moeite stak ik mijn vierde sigaret aan. Nu vielen mijn ogen toe, handen en voeten werden zwaar en geleidelijk aan verloor ik de controle over mijn ganse lichaam.

Omdat Hans Tröbst expliciet een Belgisch lucifersmerk vermeld, voegen we hier ook nog Kuifje met een opiumpijp aan toe. De tekening komt uit “de Blauwe Lotus”.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

karavaan naar Kastamonu

Nadat Hans Tröbst eindelijk zijn marsbevel naar Ankara heeft ontvangen, spreekt hij op 10 maart 1921 met een aantal reisgezellen af om eindelijk Inebolu aan de Zwarte Zee te verlaten.

We wilden met een kleine karavaan van ongeveer twintig ezelfs en muildieren afreizen. Stipt om twaalf uur hadden we afgesproken. Natuurlijk zorgde Hakki Bey op het laatste moment voor een langer oponthoud omdat hij het praktischer vond om de reis met “babouchen” te maken. Dat was een schoeisel dat in feite een stuk leer op de voet gesneden en voorzien van riemen, een beetje zoals sandalen in de riddertijd. Ik verwittigde hem want in Bulgarije had ik al gezien dat je daar enkel mlee kan lopen als je het van kindsbeen af gewoon bent.

Het was een heerlijke winterdag, met perfect weer om urenlang te marcheren. Na een uur bereikten we een wachtpost, waar de soldaten onze papieren nakeken. We namen afscheid van onze begeleiders die ons lang nawuifden en ons de zege en de hulp van Allah toewensten. Met onze gids verlieten we de straat en we begonnen aan onze klim om een kortere weg te nemen. De sneeuw reikte tot aan de knie en al na vierhonderd meter moest ik een adempauze inlassen. De zon brandde zoals in de zomer en noodgedwongen deed ik mijn mantel uit, stak de kalpak in mijn tas en ploeterde verder. Hakki begon al de steunen en te vloeken. Met zijn schoeisel schoof hij na drie stappen telkens twee stappen terug. Een uur later kwamen we met trillende knieën terug op de hoofdweg, hoog op de berg. De ontelbare ezelkaravanen hadden alle vijftig meter een diepe groef nagelaten, zodat het leek dat we op spoorstaven moesten wandelen. We zaten midden in een geweldig hooggebergtelandschap. Waar men ook zag, waren diepe dalen en hemelshoge, met sneeuw bedekte bergen waarlangs de weg zich als een slang omheen kronkelde. Uiteindelijk hadden we onze karavaan ingehaald en de halfdode Hakki klampte zich ogenblikkelijk aan een ezel vast.

Iedere tien kilometer troffen we langs de weg een zogenaamde “han”, een overnachtingsplaats, meestal een kleine schuilhut, waar je je aan de oven kon warmen en voor een paar piaster thee kon drinken. In iedere hut die we tegenkwamen, slurpten we een paar tassen thee, rookten we enkele sigaretten, en haalden dan weer de kolonne in. De weg werd echter alsmaar slechter, de wind begon te huilen, en regelmatig slipte of viel er iemand omdat je met de vallende duisternis de groeven in de weg niet meer zag. Hakki en ik hielden de handen diep in de tassen, de kalpak over de oren getrokken, de kop diep gebogen voor de sneeuwstorm, en zo zetten we urenlang stompzinnig de ene voet voor de andere. Eindelijk, rond negen uur ’s avonds, kwamen we aan onze overnachtingsplaats toe.

’s Anderendaags lieten wij de karavaan, die beduidend langzamer was als wij, al om 8 uur vertrekken. WIj sliepen tot half tien, lieten ons thee op bed brengen, gingen naar een kleine gaarkeuken waar we ons rond aten voor vijftien piaster, en trokken dan verder. Het sneeuwde voortdurend en er waren momenten dat ik dacht met Hannibal in de Alpen te zijn. Maar uiteindelijk hadden we de top van het gebergte bereikt die de Zwarte Zee afgrensde van de Anatolische hoogvlakte.

Op de derde dag komt Hans Tröbst in Kastamonu aan waar hij drie dagen zal verblijven alvorens verder te trekken naar Ankara.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Marsbevel naar Ankara

De spanning van de voorbije weken begint zich te wreken bij Hans Tröbst. Eindelijk is hij aangekomen in Inebolu, een Turkse havenstad aan de Zwarte Zee. Maar daar krijgt hij te horen dat hij weken moet wachten op verdere marsbevelen vanuit Ankara. De verveling slaat toe en ook een verkoudheid waar hij maar niet van af geraakt. Na enkele dagen in bed gelegen te hebben, wordt Hans onder zachte dwang opgenomen in een lazaret. Daar maakt hij kennis met lotgenoten die net zoals hij ook verder willen reizen naar Anatolië om te gaan vechten in dienst van de Kemalisten.

Het lazaret lag boven op een berg, vanwaaruit men een heerlijk vergezicht had op de Zwarte Zee en de bergen. En zo bracht ik veertien dagen in de ziekenzaal door met andere patiënten terwijl we met groot ongeduld wachten op ons marbevel. De ene dag duurde al even lang als de andere. Na twee weken werd ik eindelijk gezond verklaard en ik werd op staatskosten ondergebracht in een hotel.

Na vijf weken kreeg ik eindelijk het verhoopte nieuws. En wie beschrijft mijn vreugde als ik op 5 maart 1921 het langverwachte telegram uit Ankara kreeg. Wat een ongelooflijk toeval. Op 5 maart 1910 werd ik aangesteld als Fahnenjunker in het Pruisische leger en op dezelfde dag maar elf jaren later, kreeg ik de mededeling dat ik voortaan de halve maan als kokarde mocht dragen.

Men stuurde me naar de commandant, die me beloofde alles voor te bereiden, ezels te huren en me te verwittigen als alles klaar zou zijn. Jammer genoeg werd het weer slechter en de afreis was dan ook niet mogelijk. Tot mijn vreugde kreeg de goede Hakki de volgende dag zijn marsbevel en we besloten samen op te trekken. We spraken af om de tiende maart te vertrekken.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

het lange wachten in Inebolu

In het vorige bericht over Hans Tröbst hebben we gezien hoe hij er eindelijk in slaagt Constantinopel per schip te verlaten (lees meer hierover op deze pagina). Hij komt uiteindelijk aan in Inebolu aan de Zwarte Zee. Over zijn aankomst noteert hij het volgende :

Een grote mensenmassa, die me nieuwsgierig bekeek, stond op de kaai. Ik baande me een weg met mijn soldaten, waarvan er één een Franse blauwe mantel droeg (een souvenir van het Adanafront) en de andere droeg bereidwillig mijn koffers. We kwamen aan een groot gebouw, waarvan het gelijkvloers meerdere bureauruimtes omvatte. Ik werd naar een bureau begeleid en de soldaat zei tegen de burger achter de schrijfmachine een aantal zinnen, waarin ik “Alman Yüzbaşı” herkende. Dat betekent “Duitse officier”.

Ik werd door de aanwezigen met interesse bekeken. Niemand van de aanwezigen sprak Duits of Frans, maar men deed me teken dat ik mocht gaan zitten en ik kreeg sigaretten aangeboden. Later werd me verteld dat men twijfelde of de Duitse keizer was aangekomen. Dat gerucht had de ronde gedaan na mijn aankomst. De haven van Inebolu was de enige aan de ganse noordkust die door de Kemalistische regering geopend was. Na een uur verscheen er eindelijk een jongeman, buiten adem, die vloeiend Duits sprak en wel zo vloeiend en met gebruik van allerlei germanismen, dat ik hem eerst voor een landgenoot hield. Tijdens het voorbije uur had men hem gezocht als tolk en nu kon de arbeid beginnen. Ik begon mijn levensverhaal te vertellen om bij het punt te komen dat ik hier was aangekomen met de bedoeling in Turkse dienst te treden… Sensatie ! Een paar ogenblikken lang stopte de bedrijvigheid in het gebouw, beambten en klerken omringden me en vroegen de tolk mij hun vragen te vertalen.

Mijn aanvraag werd schriftelijk vastgelegd, ik ondertekende. Dan werd mijn bagage onderzocht en onder begeleiding van tolk Hakki Bey gingen we naar een ander gebouw waar men mijn papieren opnieuw nakeek. Dan vertelde de tolk me :”Men zal voor u een onderkomen zoeken. Hikmet Bey is een vertegenwoordiger van de stad, die voor u onmiddellijk een woning zal uitkiezen. Het is hier zeer druk in de stad want er zijn hier veel soldaten en officieren die op een marsbevel uit Ankara wachten om verder te reizen. Iedereen die zich hier aanmeldt, wordt telegrafisch doorgegeven aan Ankara en de regering beslist of de betreffende persoon mag verder reizen of teruggestuurd wordt. “.

Ik stelde natuurlijk de vraag hoe lang dat ongeveer zou duren voor ik weer kon verder reizen. – “Een telegram naar Ankara en terug duurt pakweg twee weken. Maar het wachten hier duurt altijd vier weken. “.

En zo begon het lange wachten voor Hans Tröbst op zijn marsbevel.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Inebolu – havenstad aan de Zwarte Zee

Hans Tröbst krijgt zijn kalpak

Hans Tröbst is aangekomen in Constantinopel om verder te reizen naar Anatolië en zich daar aan te sluiten bij het leger van Mustafa Kemal. Maar in de stad moet hij voorzichtig zijn omdat het er wemelt van Britse en Franse militairen. Hij vindt nergens een luisterend oor op de contactadressen die hem zijn doorgegeven. Maar heel toevallig ontmoet hij een voormalige Turkse kapitein die ook naar Anatolië wil. Ze spreken af om daags erna terug samen te komen om hun reis voor te bereiden. We laten Hans Tröbst aan het woord…

’s Anderendaags was ik stipt op de afgesproken plaats. Kapitein Ishan wachtte me al op en we gingen naar een koffiehuis in de buurt van het ministerie van Oorlog waar een bonte mengeling van mannen in burger en uniformen samenzaten en de tijd verdreven met spelletjes en roken. “Dit zijn allemaal officieren die uit krijgsgevangenschap zijn teruggekeerd,” wist Ishan me te zeggen, “Die willen allemaal naar Anatolië.”. We namen plaats, bestelden een koffie en na enige ogenblikken zette een man zich bij ons en groette ons. We legden hem de situatie uit, ik gaf hem mijn militaire documenten mee en hij verdween met Ishan. Na twee uren wachten was Ishan terug, maar de man durfde me niet verder helpen uit schrik dat ik een spion was.

“Blijf hier nog even wachten,”vroeg Ishan. “Hierover is het ministerie van oorlog, daar is een majoor en hij zal ons verder kunnen helpen.”. Ishan verdween opnieuw en na een half uur was hij terug met de melding dat we over 2 dagen om 2 uur met majoor Halid een afspraak hebben.

Twee dagen later is Hans Tröbst bij majoor Halid die hem in goed Duits te woord staat. Hij verwijst Hans door naar majoor Rimsey. Die is wel heel hartelijk , heeft het over zijn diensttijd onder de Duitse generaal Liman von Sanders, maar zegt ook dat hij niets kan doen en verwijst hem door naar majoor Essad. Als die derde majoor hem vraagt om maandag terug te komen, besluit Hans Tröbst om klare wijn te schenken.

Neem me niet kwalijk, majoor, maar ik ben sinds een week in Constantinopel. Iedereen die ik gesproken heb over mijn reisdoel, laat me daags erna terugkomen, om me dan te zeggen dat hij niets voor me kan doen en dan krijg ik een nieuw adres. Ik ben sinds oktober onderweg, mijn geldmiddelen zijn karig geworden. Op dit moment heb ik nog voldoende geld om zowel naar Anatolië als naar Duitsland te kunnen reizen. Daarom moet ik nu duidelijk weten : is het mogelijk om naar Anatolië te gaan, ja of neen ? Anders word ik van dag tot dag aan het lijntje gehouden om dan als mijn geld op is, te moeten vaststellen dat ik helemaal niet meer naar Anatolië kan. Dat is mijn situatie”.

De majoor begint zenuwachtig heen en weer te schuifelen, overlegt lang met een andere Turkse militair en zegt me dan :”Komt u morgen om 4 uur terug en mogelijk kan u dan maandag al afvaren.”.

Daags erna biedt Hans Tröbst zich weer aan. Hij krijgt thee en sigaretten aangeboden. En na een kwartier over allerlei zaken gesproken te hebben , heeft de majoor het verlossende bericht :”Wat ik ook nog zeggen wou, u kunt morgen meevaren. Dan vaart een Italiaans schip naar Trabzon. Kapitein en bemanning zijn Italianen, de secretaris en de tweede kapiteitn zijn Turken. ZIj zullen u in een kabine verstoppen. Kom morgen om 2 uur naar hier en dan zorgen we voor het nodig”.

De dag van vertrek is Tröbst weer in het ministerie van Oorlog waar hij door een adjudant wordt opgevangen. Na een uur wachten stopt een Turkse luitenant hem een reisbiljet in de handen. En dan krijgt hij een duidelijk teken dat het de Turken ernst is.

Weer ging een half uur voorbij. Opnieuw verscheen de luitenant, dit keer met een zwart voorwerp in zijn hand die hij mij zonder iets te zeggen overhandigde. Een kalpak ! De officierenmuts van de Kemalisten ! Alle respect ! Dat ziet er schitterend uit.

Daarna wordt Hans Tröbst door een Turk in burger naar zijn hotel begeleid waar hij zijn koffer neemt. Dan gaat het naar de Galatabrug. Daar ziet hij kapitein Ishan terug die met hem in een roeiboot instapt om naar het schip te roeien. Hans Tröbst is onderweg naar Anatolië.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

op zoek naar de juiste contactpersoon

Hans Tröbst is in Constantinopel aangekomen. Het is zijn bedoeling om zich aan te sluiten bij het Turkse leger dat tegen de Grieken vecht in Anatolië. Maar Constantinopel is bezet door de geallieerden en het wemelt er van de Franse en Engelse soldaten. Een Duitser op weg naar het Grieks-Turkse front zou zeker gearresteerd worden. Het komt er dus op aan om discreet naar de juiste contactpersoon te zoeken die hem kan helpen om in Anatolië te geraken.

Hij vindt eerst een onderkomen in een hotel waarvan de uitbater Duits spreekt. Hij merkt al snel dat de Turken hun oude Duitse bondgenoten nog zeer genegen zijn. Daarna trekt hij voor hulp bij zijn ondernemen naar het consultaat. Omdat het Duitse consultaat door de geallieerden gesloten is, wordt het noodgedwongen het Zweedse consultaat dat de Duitse belangen behartigt. Maar daar wacht hem een teleurstelling. De Zweedse consul is ziek en de dame die hem vervangt, is niet echt gelukkig als Hans Tröbst haar vertelt dat hij een Duitse officier is die dienst wil nemen bij de Kemalisten. Ze antwoordt het volgende :

U brengt ons in een netelig parket. Als iemand gezien heeft dat u hier binnen gestapt bent ! Het wemelt hier van spionnen en agenten ! Ik verzeker u dat we ons hier niet met politiek bezig houden. Dat hebben de Engelsen ons uitdrukkelijk verboden. Ik geef u daarom de goede raad zo snel als mogelijk naar Duitsland terug te keren. Hier in de gevangenis zitten al twee Duitse officieren die de Engelsen opgepakt hebben op hun reis naar Anatolië. Reis daarom zo snel mogelijk terug. We kunnen u echt niet helpen. Eigenlijk is het onze plicht u te laten arresteren.

Tröbst maakt zich nog kwaad op de dame maar begrijpt dat het vergeefse moeite is. Hij rondt het gesprek af en trekt terug de stad in. Hij besluit dan maar zich even als toerist te gedragen en de bezienswaardigheden te gaan opzoeken. En het eerste waar hij aan denkt, is de Hagia Sophia. Daar aangekomen ziet hij een Turk staan die met een droevig gezicht naar de zee staart. Hij spreekt hem aan in het Frans of hij hem wat over de omgeving kan vertellen. Zijn nieuwe metgezel leidt hem bereidwillig rond en aan het einde neemt het gesprek een andere wending. De Turk wijst in de verte en zegt :
– Ginder heb ik in de oorlog gevochten.
– Ach, u was soldaat.
– Soldaat ? Capitaine de l’infanterie !
– En wat doet u nu ?
– Ik ben afgezwaaid maar krijg geen pensioen. Drie dagen per week werk ik bij de post maar dat stelt natuurlijk niet veel voor. Ik heb nog een postzegelverzameling en die wil ik verkopen. En daarna vertrek ik.
– En waar gaat u dan heen ?
– Naar Anatolië, naar Mustafa Kemal.
– Sta me toe dat ik me voorstel : kapitein Tröbst, ik ben een Duitse officier en ik heb hetzelfde reisdoel als u. Kunt u me raad geven hoe ik dat het beste aanpak.

De Turkse oud-kapitein Ishan bekijkt Tröbst even argwanend maar wordt dan toch overtuigd als Tröbst hem zijn militaire papieren toont. Jazeker is het mogelijk om naar Anatolië te reizen. Maar Mustafa Kemal heeft ook tegenstanders in de stad en eigenlijk kan je niemand vertrouwen. De Britten hebben zelfs wervingsbureau’s opgesteld om argeloze vrijwilligers gemakkelijker te kunnen arresteren. Ishan en Tröbst spreken af daags erna mekaar te ontmoeten en dan naar de juiste persoon te zoeken,.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

de overtocht naar Constantinopel

We vinden Hans Tröbst terug in Varna, Bulgarije, aan de Zwarte Zee. Het was zijn bedoeling om zich aan te sluiten bij het Witte leger van generaal Wrangel. Maar door de verovering van de Krim door het Rode leger kan daar geen sprake meer van zijn. Door geldgebrek zit Hans Tröbst nu vast in Varna waar hij in een cementfabriek werkt om geld te sparen. Met dat geld wil hij een ticket kopen om aan boord van een schip de Zwarte Zee over te steken om zich aan te sluiten bij het Ottomaanse leger. Er is echter één groot probleem : Bulgarije is bezet door de geallieerden en een Duitse officier zal zeker worden gearresteerd, ook als hij zich in burger wil aansluiten bij de legers van Kemal Atatürk. In het boek “Band 8 : vom Baltikum zu Kemal Pascha” lezen we het volgende.

Zo waren we aan de 12e januari 1921 aangekomen. Als om me uit de dagen brachten de kranten dagelijks lange artikels over Kemal Pasja en zijn getrouwen. Aan de overkant in Anatolië werd wereldgeschiedenis gemaakt en ik zat hier in Varna om zand te zeven ! Morgen is het Russisch nieuwjaar en dan wordt er zowiezo niet gewerkt en dan zal ik de gelegenheid hebben om met Astadsjov erop uit te trekken. Maar dan zei een stemmetje in mij :”Laat dat uitgaan maar even wachten, ga liever deze avond naar Serafimov. Er hangt iets in de lucht.”. Ik had zijn huis snel terug gevonden en werd ontvangen door een dame die zich voorstelde als de stiefmoeder van kapitein Serafimov. om half 9 kwam de kapiteit eindelijk thuis en ik vroeg hem opnieuw om me op zijn zeilschip mee te nemen naar Constantinopel. Maar het was tevergeefs. Hij legde in het lang en het breed uit waarom hij me niet kon meenemen en beëindigde zijn uiteenzetting met de woorden :”En zelfs als ik het zou willen doen, dan zou het nog te laat zijn voor u want ik vertrek al deze avond om 10 uur.”.

Ik hoorde eigenlijk alleen maar dat hij diezelfde avond om 10 uur zou vertrekken. Daarmee wist ik voldoende. Het was dus nu of nooit. Ik nam snel afscheid van de kapitein, spurtte door de stad, kocht nog twee broden en wat spek en thuis schrijf ik snel een afscheidsbrief voor mijn werkgever. Ik stopte snel wat spullen in mijn koffer en vertrok weer. Omdat ik wist dat het kantoor van politie en douane continu bezet was, ging ik tot aan de marinekazerne om dan via het strand langs de vissersboten te wandelen tot ik aan de ankerplaats van de “Triton” was geraakt. Daar zag ik drie Bulgaarse agenten bij de loopplank van de Triton staan. Ze waren aan het praten met de bemanning. Ik wachtte tot de agenten weg waren, ging dan naar de kaai en riep met luide stem :”Hallo , Triton ! Hallo, bagage van kapitein Serafimov.”. Er verschenen twee matrozen die me aan boord lieten. Ik had dus juist gegokt : de kapitein was nog niet aan boord en de matrozen hielden me voor een knecht die nog bagage nabracht. Ik legde de koffer in de kabine die me werd aangewezen. Tijdens een van mijn boemelpartijen in de haven had ik gehoord dat er een Rus aan boord was die Duits kon praten en die in de machinekamer werkte. Die zou me verder kunnen helpen.

In de machinekamer stelde ik direct de vraag :”Goeienavond, heren. Spreekt iemand van jullie misschien Duits ?”. Waarop snel het antwoord kwam :”Ja, ik spreek Duits. Dat heb ik in Sint-Petersburg geleerd. Wat wenst u ?”. – “Luister even. Ik ben een Duitser en wil naar Constantinopel varen. Omdat de Fransen me de toestemming niet geven, heeft kapitein Serafimov me toegestaan zonder de juiste papieren mee te varen. Maar voor alle zekerheid heeft de kapitein gezegd dat ik me bij jullie verstop tot we de haven uit zijn.”

“Maar natuurlijk”, antwoordde de Rus. “Hier ! Kruipt u maar in mijn kooi. Daar zoekt u geen mens.”. Het volgende half uur bracht ik in spanning door. Op dek was het een drukke bedrijvigheid. Als we een tijdje aan het varen waren, ging ik aan dek. We waren al lang de haven uit, de lichten van Varna glinsterden als glimwormen in de bergen. Aan het roer stond kapitein Serafimov. Ik vond het raadzaam hem het snelste voor het voldongen feit te stellen. “Goedenavond, kapitein !” – “Wat ? bent u aan boord ? En daar weet ik niets van ?”. – “Zoals u ziet, kapitein. En zo ongezien als ik aan boord ben gekomen, zo ongezien zal ik uw schip verlaten.”.

Het schip maakt nog een tussenstop in de Bulgaarse havenstad Mesembrija en vaart dan verder naar Constantinopel. De dag is zonnig en warm en het is heerlijk lenteweer, ook al is het nog maar half januari. Hans Tröbst maakt zich zorgen over de geallieerden paspoortcontrole want de stad is bezet door Engelse en Franse soldaten. Kapitein Serafimov zegt hem dan ook :”Morgen om negen uur komen er Fransen aan boord. U moet tegen dan het schip verlaten hebben.”.

Hans Trönst trekt een blauwe machinistenkiel aan, wikkelt zich een sjaal om de hals, zet een geruite sportpet op waarin hij zijn militaire papieren verstopt. Hij bedankt kapitein Serafimov en neemt afscheid. Heel discreet verlaat hij dan het zeilschip en zet voet aan wal in Constantinopel.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Maak kennis met Hans Troebst

Tussen 2014 en 2018 heb ik bijna dagelijks een bericht gezet op deze blog die de oorlogsjaren van mijn grootvader Martinus Evers moest gedenken. Dankzij de oorlogskalender van het Davidsfonds had ik bijna iedere dag wel een bericht te vermelden. En anders waren er wel de geschiedenisboeken die ik in huis heb gehaald tijdens deze herdenkingsperiode.

Het jaar 1919 leverde ook nog vele momenten al was het maar door de verdragen die ondertekend werden en de veldslagen tussen de nieuwe staten onderling of de burgeroorlogen in de oude staten. Ook 1920 gaf de nodige inspiratie.

Het jaar 1921 belooft moeilijker te worden. En toch is ook dit een boeiend jaar. De Sovjetunie begint zijn vaste grenzen te krijgen. Het fascisme steekt zijn kop op in Italië en zoekt het conflict met het communisme. En de Grieks-Turkse oorlog is nog volop bezig. Daar is jammer genoeg niet veel over te vinden tenzij je vlot Turks kan lezen.

Misschien kunnen de dagboeken van Hanst Troebst (ook wel Tröbst geschreven) een uitweg bieden. de dagboeken van Hans Troebst zijn enkel in Kindle-editie beschikbaar op amazon. Maar ze beslaan wel een zeer lange periode gaande van 1910 tot 1923) . Hans Troebst is een van die soldaten die het moeilijk hebben het burgerleven weer op te nemen na het einde van de Groote Oorlog. Ze zijn teveel avonturier en zoeken dan maar nieuwe fronten op. Naast de boeken op amazon is er ook een facebook pagina en een twitter account. Er zijn niet veel recente berichten over Hans Troebst. En sterker nog, de meest recente berichten over Hans Troebst zijn geschreven in het Turks. Ze zijn daar blijkbaar nog niet vergeten dat een Duitse officier het uniform heeft gedragen van het leger van Kemal Atatürk. Dat geeft me de indruk dat Hans Troebst wel eens een goede gids zou kunnen zijn doorheen de twintiger jaren.