sergeant Stubby

Op 5 februari 1918 ging hij de loopgraven van de Chemin des Dames in, ten noorden van Soissons. Hij lag meer dan een maand dag en nacht onder vuur. De herrie en stress die een aanslag vormden op de zenuwen van vele van zijn kameraden, tastten Stubby’s stemming niet aan. Zeker was hij zich bewust van het gevaar. Zijn boze gehuil als de slag voortduurde en zijn razende geblaf terwijl hij van de ene kant van de loopgraven naar de andere rende, toonden dat wel aan. Maar hij scheen te weten dat de grootste verdienste die hij kon leveren, het brengen van troost en vrolijkheid was.

Zo begint in 1926 het in memoriam voor sergeant Stubby, de meest gedecoreerde hond van de eerste wereldoorlog. Stubby (Stompje), zo genoemd vanwege zijn staartje, is uit de VS meegemsokkeld door korporaal Robert Conroy. Stubby verblijft de rest van de oorlog bij zijn baasje, hoewel de hond meerdere malen gewond raakt door granaatscherven en bij gasaanvallen. Hij is zo geliefd dat hij in het ziekenhuis van het Rode Kruis bijna als een mens behandeld wordt. Stubby treedt op als verzorgingshond die het slagveld afzoekt naar gewonde soldaten om hun troost te bieden, dan wel om de hospikken te waarschuwen. Na de bevrijding van Château-Thierry maken de vrouwen van de stad speciaal voor hem een geitenleren dekje, waar zijn medailles en lintjes aanhingen.

bron : Roel Tanja, een korte geschiedenis van de eerste wereldoorlog, BBNC uitgevers

SergeantStubby_1918

dood in krijgsgevangenschap

Luitenant-kolonel Neville Elliot-Cooper overlijdt op 11 februari 1918 in Hannover in Duitse krijgsgevangenschap. In 1917, als hij op 28-jarige leeftijd tijdelijk luitenant-kolonel is, ontvangt hij het Victoria Cross, de hoogste Britse militaire onderscheiding. Hij dankt die eer aan zijn heldhaftige optreden in La Vacquerie, tijdens de slag van Cambrai.

Tijdens dat gevecht slaagt hij erin om een vijandelijke aanval af te breken en hen vervolgens 500 meter terug te drijven. Wanneer hij vaststelt dat zijn manschappen in de minderheid komen, zorgt hij ervoor dat ze kunnen ontkomen, wetende dat hijzelf dan krijgsgevangen zou worden.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

neville-bowes-elliot-cooper

 

drukke tijden voor Belgische spionnen

Het is in januari 1918 voor de spionnen meer dan ooit zaak om de transporten over de Duitse spoorwegen te traceren. Typisch voor de groeiende achterdocht bij de inlichtingenofficieren is de nieuwsbrief van 8 januari 1918. Deze keer gaat het om een deserteur uit de Elzas, een soldaat van de 187e infanteriedivisie. Hij heeft in het station van Gent Oostenrijkse troepen en artillerie en ook Bulgaren gezien. Die vreemde troepen moesten daar van de trein met het oog op hun inzet aan het front in Vlaanderen.

Er wordt geschat dat er midden januari 1918 al vijftien divisies zijn bijgekomen aan het westelijke front. Ze zijn in uitstekende staat en goed bewapend. De divisies die vertrokken, zijn ofwel middelmatig van kwaliteit ofwel zwaar toegetakeld tijdens de recente Britse offensieven. De rapporten van de daarop volgende dagen wijzen evenwel uit dat de meeste nieuwe Duitse divisies naar het westen worden gevoerd via de Franse oost-west spoorlijnen die via Luxemburg, Thionville en Straatsburg lopen. Slechts drie van de negentien getraceerde divisies gebruikten het Belgische spoorwegnetwerk. Dat verschil is zo opvallend dat de Belgen zich afvragen of er soms ernstige problemen zijn op de spoorlijn via Visé naar Tongeren.

De Duitse legerleiding kiest er voor om de beste en jongste elementen uit de divisies in het oosten af te romen en ze als individuen naar het westen te sturen. Voor een groot deel van die mannen is een tijdelijk oponthoud voorzien in Leopoldsburg of een ander opleidingscentrum in Limburg. Het zijn deze soldaten die via de spoorlijnen door Luik en Visé naar het westen komen. Het aantal soldaten in opleiding in Limburg neemt daardoor fors toe. De aangroei is zo opvallend dat sommige spionnen in de streek het cijfer 150.000 laten vallen als ze willen aangeven hoe groot de Duitse militaire aanwezigheid in de kampen en op de oefenterreinen wel is.

de tekening hieronder is van de Duitse schilder Albert Leistner en is getiteld “Abfahrt ins Feld von Leipzig am Ostersonntag, 1916”

bron : Luc Vandeweyer, Koning Albert en zijn soldaten, Manteau

AlbrechtLestner_AbfahrtInsFeld

 

dood van John McCrae

John McCrae, onvergetelijk omwille van zijn gedicht “in Flanders Fields” overlijdt op 28 januari 1918 aan een longontsteking in het Canadese militaire hospitaal in Boulogne, waar hij dienstdoende commandant is. Zijn graf bevindt zich enkele kilometers buiten de stad.

Hij schreef zijn wereldvermaarde gedicht in een bunker in Boezinge. De eerste strofe zoals hij die schreef op 8 december 1915 (vertaling P. Ostyn)

Op Vlaamse velden bloeien klaprozen
in rijen tussen witte kruisen
die onze plaatsen wijzen; en in de hemel
vliegen leuweriken en zingen dapper
maar onhoorbaar door het kanongebulder

Toeristische tip : Nabij Essex Farm cemetery (Diksmuideweg, Boezinge) is de bunker waarin John McCrae zijn onsterfelijk gedicht schreef. Op de site staan diverse informatieborden.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

JohnMcCrae_1918

de Gotha van Wulveringem

Prominent op de voorpagina van de Legerbode van 24 januari 1918 staat een bericht over een Gotha die het Belgische leger heeft neergeschoten. Het vliegtuig was enkele dagen eerder van een vliegplein ergens in Vlaanderen opgestegen om Duinkerken te bombarderen. Onderweg kwam het in Belgisch spervuur terecht waarbij de motoren door granaatscherven getroffen werden. Ook werd een van de schroeven afgerukt. Het toestel kon landen in Wulveringem waar de vier manschappen gevangen genomen werden.

De Gotha is een van de grootste bombardementsvliegtuigen van de Duitse luchtmacht, met een vleugelwijdte van 26 meter. Het toestel kan een gezamenlijke vracht van 1200 kilogram tillen : bemanning, brandstof en bommen.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Gotha_Absturz

Jagdstaffel 43 op jacht

Jagdstaffel 43 voert op 23 januari 1918 haar eerste gevechtsvluchten uit en blijft actief tot het einde van de oorlog. In die periode behaalt het eskadron 35 overwinningen in de lucht. Aan de negatieve kant van hun balans noteren we 6 dode manschappen, 5 gewonden en 1 krijgsgevangene. Alhoewel operationeel sinds 18 december 1917 was het wachten tot vandaag op een eerste gunstige gelegenheid om actief aan de oorlog deel te nemen.

Jagdstaffel 43, afgekort tot Jasta 43, is een zogenaamde jachtgroep binnen de Luftstreitkräfte, de voorloper van de Luftwaffe. Tijdens de oorlog worden in totaal 67 van deze gespecialiseerde gevechtseenheden opgericht. Vanaf begin 1917 worden steeds meer gevechtsvliegtuigen beschilderd. Manfred von Richthofen bijvoorbeeld, de meest befaamde Duitse gevechtspiloot, vliegt met een rood toestel.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Jasta43_1918

slechte nacht voor de Gotha’s

De grootvader van schrijfster Lut Ureel verhaalt op 20 januari 1918 in zijn dagboek hoe de avond ervoor een Duits bombardementsvliegtuig werd neergehaald.

Gisteren is er een Gotha neergeschoten te Wulveringem omstreeks 6u30. De vier manschappen aan boord (een officier, twee onderofficieren en een soldaat) zijn krijgsgevangen gemaakt. Van het vliegtuig werd de schroef afgenomen.

Sowieso is dit een barslechte nacht voor de vliegtuigen van dit type : ook in Pervijze, Duinkerke en Veurne zijn Gotha’s neergeschoten. Over dit laatste exemplaar schrijft onderwijzer Jozef Gesquière onder meer :

De bemanning werd door Belgische soldaten aangehouden en naar de stadsgevangenis gebracht. Daar zitten ze nu waarschijnlijk te mediteren over de afschuwelijkheid van hun nachtelijke moordtochten op een weerloze burgerbevolking.

De foto hieronder toont de Gotha die is neergehaald nabij Duinkerke. Het wrak werd tentoon gesteld aan het standbeeld van Jan Bart.

bron
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Gotha_Dunkerque_1918