zonsopgang in Passendale

frank-hurleyIn de Angelsaksische wereld is het een van de bekendste foto’s van de eerste wereldoorlog :”de morgen na de eerste slag bij Passendale” van de Australiër Frank Hurley. We zien een apocalyptische omgeving, gewonde Australische soldaten in een naargeestig landschap. En in contrast daarmee een stralende zonsopgang.

Frank Hurley was als tweede Australische officiële oorlogsfotograaf naar Vlaanderen getrokken in de zomer van 1917. Hij zoekt naar dramatische effecten in zijn foto’s. Het is juist die combinatie die van zijn foto een icoon maakt.

bron : Guido Knopp, der erste Weltkrieg – die Bilanz in Bildern, Edel

Morning_a_Passchendaele_Frank_Hurley

de laatste brief van Horace Rex

De Australische luitenant Horace Joseph Rex schrijft een brief op 24 september 1917 aan zijn moeder vanuit Flanders Fields. Zijn laatste brief want op 7 oktober 1917 sneuvelt hij. Op de Mensenpoort staat zijn naam naast die van duizenden andere oorlogshelden zonder graf…

HoraceJosephRexJe hebt ongetwijfeld gehoord over het Australische aandeel in de grote aanval. De jongens haalden gemakkelijk al hun objectieven. In feite beklaagden ze zich dat de moffen niet wilden vechten. Een sergeant van het 10e bataljon viel een versterkte vesting aan en voor dat ze goed wisten wat er aan de hand was, staken due Hunnen de armen in de lucht en smeekten om erbarmen. Onze sergeant sloeg de eerste man neer en beval zijn mannen om komaf te maken met de rest. Wat ze ook prompt deden. Dit is natuurlijk maar een voorbeeld uit de vele.

We namen Glencorse Wood in, Nonnenbosschen Wood en vervolgens Polygon Wood. Het is werkelijk om te lachen dat ze die plekken bossen nemen. Ik kan je niet beschrijven hoe ze eruit zien : toegetakeld, verscheurd en omgewoeld alsof er om de 10 meter een aardbeving plaatsvond. Slechts hier en daar staat er nog een stronk overeind.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

PolygonWood_1917

de resten van Ieper

Kapitein Frank Hurley, officieel oorlogsfotograaf van het Australisch leger, schrijft op 3 september 1917 in zijn dagboek hoe Ieper eruit ziet.

De mooie toren is nu een zielige hoop bakstenen met littekens en vol kogelgaten. De prachtige gebeeldhouwde muren zitten vol granaatscherven waarbij geen spoor is overgebleven van het beeldhouwwerk. De beelden zijn onthoofd en de prachtige zuilen en gebeeldhouwde pilaren liggen als gevallen reuzen dwars over de verwrongen overblijfsels van daken en andere bovenbouwwerken. O, het is te erg voor woorden.

Toeristische tip : In het centrum van de vredesstad Ieper, in de ooit kapotgeschoten Lakenhallen op de Grote Markt, is nu het In Flanders Fields museum ondergebracht. Eem absolute aanrader voor iedereen die wil kennis maken met talrijke uiteenlopende aspecten van de Groote Oorlog.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Ieper1917_01

Eenzame Taube boven Ieper

De Autralische militair Viv Smythe schrijft op 23 september 1916 vanuit Flanders Fields een brief aan zijn geliefde.

Sinds we hier zijn, rusten we. In de loopgraven zijn we nog niet geweest. Ik denk taube03trouwens dat ze in een lamentabele toestand zijn en nog niet hersteld werden sinds de derde slag om Ieper. Het weer is koud en nat geweest maar
vandaag is een heerlijke dag. En dan duikt natuurlijk ook onze vriend de Taube op. We weten dat hij daar ergens moet vliegen want we horen het afweergeschut en we zien de witte wolkjes aan de hemel die het veroorzaakt. Je moet al bijzonder goede ogen hebben om zo’n Duits vliegtuigje waar te nemen. Misschien is die Taube alleen maar opgestegen voor het morele effect : om de eigen troepen wat op te peppen nu ze beslist ontgoocheld zijn dat onze vliegtuigen zo laag overvliegen terwijl de hunnen nog nauwelijks opstijgen.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

 

Kindsoldaten sneuvelen ook

Nogal wat jongeren geven een valse leeftijd op om soldaat te kunnen worden. Een van hen, de Australiër John Stanley Adams, sneuvelt op 16 augustus 1916 in Mouquet Farm, bij Pozières (Frankrijk).

In Australië is de minimum leeftijd voor soldaten 21 jaar, of 18 wanneer je de toestemming hebt van je ouders of voogd. Toen John Stanley zich in januari 1916 in Sydney aanmeldde voor legerdienst, vertelde hij dat hij 18 jaar en 1 maand oud was. Zijn vader schreef later dat hij pas 16 jaar was bij zijn overlijden.

John Stanley Adams krijgt een graf nabij de plek waar hij sterft, maar na de oorlog is zijn graf onvindbaar. Hij staat wel vermeld op het Australian Memorial in Villers-Bretonneux (ten oosten van Amiens).

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

BoySoldiersGreatWar

William Henry Dawkins sneuvelt bij Gallipoli

William Henry Dawkins sneuvelt bij Gallipoli

Sinds de landing op Gallipoli van twee weken geleden (lees meer op deze pagina) is het mooi weer geweest, zij het met koude nachten. Twee dagen geleden begon er echter een grauwe motregen te vallen. En zo is het gebleven. Door de grote hoeveelheden mensen en dieren die tussen het strand en de loopgraven op de steile heuvels heen en weer lopen, zijn de paden vertrapt tot een kleverige brij, en het is moeilijk je over de natte, glibberige klei in de ravijnen voort te bewegen. William Henry Dawkins slaapt samen met zijn korporaal in een overdekte kloof op de strandhelling. Als hij op de ochtend van 12 mei 1915 wakker wordt, plenst het.

Iedereen kan zien dat de grootse operatie is vastgelopen. In feite hebben de geallieerden maar op twee punten echte bruggenhoofden weten te slaan : op het zuidelijkste puntje van het schiereiland, en hier, aan de westzijde van Gallipoli, bij Gaba Tepe. En dat terwijl Dawkins en de anderen eigenlijk op de verkeerde plek zijn geland, ruim een kilometer ten noorden van het beoogde punt. Wat in zeker opzicht een geluk was aangezien de Ottomaanse verdediging daar ongewoon zwak was.

(…)

Dat water een probleem zou worden, vooral nu het allerwarmste jaargetijde voor de deur stond, ja, dat wist men. Daarom hadden ze toen ze aan land gingen dekschuiten bij zich gehad die geladen waren met water uit Lemnos, water om in de allereerste behoeften te voorzien totdat de genietroepen hun waterbronnen in werking hadden gebracht. En Dawkins en zijn mannen hadden snel gewerkt, ze hadden diverse putten geslagen en speciale plaatsen ingericht waar mens en dier levensreddend vocht konden vinden.

Het is een gewone ochtend, grijs en nat. Dawkins stelt zijn soldaten in de gebruikelijke volgorde op en geeft de verschillende groepen hun opdrachten voor de dag. Een ervan is verder te gaan met het ingraven van de waterleidingen. Weinig glorieus werk, zeker geen motief voor indringende reportages in geïllustreerde tijdschriften, maar evenwel noodzakelijk. Deze ochtend wacht een van de groepen een ongewoon gevaarlijke etappe. Je kunt zien waar : over een afstand van ongeveer honderd meter liggen een stuk of dertig dode muilezels, door Turkse granaten geveld. Vooralsnog is het rustig en stil. Het is kwart voor tien.

Dan horen ze het gefluit van een granaat. Het is de eerste van die ochtend. Het projectiel explodeert vlak boven de hoofden van de soldaten die bij hun waterleiding neerhurken, maar het is een granaatkartets, dus de soldaten blijven ongedeerd : de lading ronde kogels, spuit door de lucht en komt vijftien meter verderop omlaag.

Een van de soldaten, Morey, draait zich om. Hij zit nog juist hoe Richard Henry Dawkins omvalt, op die speciale manier die zo kenmerkend is voor zwaargewonden, als de val niet wordt gestuurd door de gebruikelijke mechaniek van het lichaam, maar door de eenvoudige wetten van de zwaartekracht. Ze rennen naar hem toe. Dawkins is in zijn hoofd, keel en borst geraakt. Ze tillen hem op van de natte grond, dragen hem naar een veilige plek. Achter hen explodeert nog een granaat met een korte, droge knal. Ze leggen hem neer. Bloed vermengt zich met regenwater. Hij zegt niets. Hij sterft voor hun ogen.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Ik werk op een waterbedrijf. Bovenstaande passage heeft me dan ook getroffen omdat iemand op zoek naar water voor hem en zijn medemensen daarbij het leven laat. Ik plaats daarom een extra foto bij dit bericht over Australische waterdragers op Gallipoli. 

Water_carriers_w685

William Henry Dawkins gaat aan land bij Gallipoli

Op 25 april 1915 om half vier ’s ochtends wordt de Australische luitenant William Henry Dawkins wakker en neemt een warm bad. Ondertussen vaart het schip met gedoofde lantaarns naar het noordoosten. Als de zon aan de horizon verschijnt, gooien ze het anker uit; rondom hen schaduwen van omringende schepen, voor het het langgerekte schiereiland Gallipoli. Dan volgen het ontbijt en de voorbereiding voor de ontscheping. Ondertussen beginnen de kanonnen van de oorlogsschepen te bulderen. Dawkins en zijn manschappen stappen eerst over op een torpedojager die hen dichter bij het land brengt. Van de torpedojager stappen ze vervolgens over in grote houten sloepen, door motorboten getrokken.

Golven. Ochtengloren. Luide knallen. Hij ziet de eerste gewonden. Hij ziet kogels van ontploffende granaatkartetsen in vlagen omlaagspuiten en het wateroppervlak doorboeren waarbij honderden fonteintjes ontstaan. Hij ziet het strand dichterbij komen en springt uit de boot. Om 8 uur staan al zijn mannen bij het water opgesteld. Met de bajonetten op hun geweren. Dawkins noteert in zijn dagboek :

We wachten ongeveer een uur op het strand. De generaal en zijn staf komen langs. De eerste lijkt in een uitstekend humeur, wat een goed voorteken is. Niemand weet precies wat er is gebeurd. De rest van onze compagnie gaat aan land. Ik verplaats me met een patrouille zuidwaarts over het strand, op zoek naar water. We vinden een gat met water in de buurt van een Turkse hut, de bezittingen van de bewoners liggen overal verspreid. We trekken over een heuvelrug een diep ravijn in, maar infanteristen achter ons schreeuwen en we moeten keren. IK stuur een groep op pad om een put te boren in hetzelfde ravijn, en og een om een kleine bron bij het strand te herstellen. In het ravijn, in buurt van de hut, komen zwermen kogels neer die te hoog zijn gegaan en hun doel hebben gemist. De infanteristen op de heuvel voor ons roepen almaar koortsachtig dat we beschoten worden. Natuurlijk worden we dat.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Gallipoli_Landing-2