De eerste Achelaar sneuvelt aan het Ijzerfront

Petrus Verweyen

Petrus Verweyen

Op 6 mei 1915 sneuvelt Petrus Verweyen, 22 jaar oud, door een vijandelijk schot. Hij is de eerste inwoner van Achel die sneuvel aan het Ijzerfront. Wellicht was Petrus niet meteen de grootste geluksvogel, want in de voorafgaande weken en maanden raakte hij al meermaals gewond in gevechten met de vijand. Na zijn overlijden draagt de militaire overheid Petrus Verweyen voor om een postume onderscheiding te ontvangen voor moed en zelfopoffering.

Een goed overzicht van zijn soldatenleven staat te lezen op de website van noordlimburg1914-1918.be, hieronder vermeld. Samengevat : Petrus Verweyen maakte deel uit van het 11e linieregiment met kazerne in Hasselt. Verweyen is al onder de wapens van in het begin van de oorlog. Hij maakt de gevechten rond Luik mee. Tijdens de terugtrekking van het Belgische leger geraakt hij gewond in Willebroek. Hij wordt afgevoerd naar een hospitaal in Engeland. In december 1914 keert hij terug aan het front. Daar sneuvelt hij tijdens de 2e slag om Ieper nabij Oud-Stuyvekenskerke.

bronnen

oorlogskalender 2014-2018, davidsfonds

http://www.noordlimburg1914-1918.be/index.php/mensen-en-feiten/feiten-1915/26-1915-eerste-achelse-geneuvelde-petrus-verweyen

Florence Farmborough hoort het front bij Gorlice breken

Florence Farmborough

Florence Farmborough

Florence Farmborough is een Britse vrouw die sinds 1908 in Rusland leefde, eerst in Kiev, daarna in Moskou als gouvernante. Bij het uitbreken van de oorlog meldt ze zich als vrijwilligster en wordt ingelijfd bij het verplegend personeel. In mei 1915 werkt ze in Gorlice als het Duits-Oostenrijks offensief begint. Gorlice ligt vlab bij het front. De artillerie van de Oostenrijkers beschiet de stad dagelijks, op een wat verstrooide manier, schijnbaar meer uit principe dan met een vooropgezet plan. De toren van de grote kerk is in tweeën gespleten. Veel huizen zijn al in ruïnes veranderd. Tot nu toe hebben Farmborough en de anderen van het veldhospitaal zich vooral ingezet om het lijden van de burgerbevolking te verzachten, in de eerste plaats door eten uit te delen.

De Russische artillerie beantwoordt de lukrake bombardementen van de Oostenrijkers zelden. Naar verluidt vanwege een tekort aan munitie maar verder naar achteren heeft men nog volop granaten op voorraad. De geüniformeerde bureaucraten die over dit soort zaken gaan, willen ze daar echter graag houden, in afwachting van grotere dingen. Verder naar het zuiden bereidt het Russische leger een nieuw offensief voor, gericht op de befaamde passen in de Karpaten (de deur naar Hongarije) ! Al een paar dagen heerst er een zekere onrust onder de Russische eenheden in Gorlice, er gaan geruchten dat de Oostenrijkers tegenover hen versterking hebben gekregen van Duitse infanterie en zware artillerie.

Deze zaterdag worden Florence en de anderen in het ziekenhuis al voor zonsopgang gewekt door zwaar artillerievuur. Ze rolt uit haar bed. Gelukkig is ze met kleren aan gaan slapen. Iedereen – behalve misschien Radko-Dimitriev, het hoofd van het Russische Derde Leger -) had een vermoeden dat er iets ophanden was. Het geknal in wisselende sterkte en toonaard neemt toe als de Russische artillerie om hen heen het vuur beantwoordt. Door de trillende ramen vangt Florence een glimp op van het lichtspel aan de nog donkere hemel. Ze ziet de grote, pijlsnelle mondingsvlammen van het geschut zich vermengen met de gedempte flitsen van de explosies. Dan komen de eerste gewonden.

Eerst lukte het om iedereen te helpen; daarna werden we overweldigd door hun aantal alleen al. Ze kwamen met honderden, uit alle richtingen. Sommigen konden nog zelf lopen, anderen kropen of sleepten zich over de grond voort.

De verplegers moeten in deze wanhopige situatie wel een bikkelharde selectie doorvoeren. Wie nog op zijn benen kan staan, wordt niet geholpen maar doorverwezen naar achteren, met het verzoek een van de basiseenheden op te zoeken. Het aantal mannen dat niet kan lopen is zo groot, dat ze naast elkaar in de open lucht worden gelegd, waar ze eerst een pijnstiller krijgen en daarna aan hun verwondingen worden geholpen. Florence en de anderen doen wat ze kunnen om te helpen, al hebben ze het gevoel dat het zinloos is, want de stroom kapotte, opengereten lichamen lijkt eindeloos.

De volgende cohtend, om een uur of zes, horen Florence en de anderen een nieuw, angstaanjagend geluid : een plotseling, vibrerend gebulder als van een waterval, dat afkomstig is van meer dan 900 stuks artillerie – dat is op elke vijftig meter front één – van alle denkbare kalibers die tegelijk het vuur openen. Een paar seconden later volgt de langgerekte daverende echo van de inslagen. Er zit een nieuwe onbehaaglijke systematiek in dit artillerievuur, in de manier waarop het over de Russische frontlijn raast. de technische term luidt Glocke, klok. De vuurwals verplaatst zich heen en weer, opzij en in de diepte, over de Russische linies en verbindingsloopgraven.

Eerst horen ze ,ongelovig, het woord “terugtocht”. Dan volgt het fenomeen : lange, ongelijkmatige rijen modderige soldaten met vermoeide gezichten trekken langs. Ten slotte komt de order : onmiddellijk opbreken, laat uitrusting en gewonden achter. De gewonden achterlaten ? Ja, de gewonden achterlaten. “Snel, snel, de Duitsers staan voor de stad”.

gorlice_01bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Duitse doorbraak bij Gorlice Tarnow

De Duitsers proberen niet alleen een doorbraak bij Ieper met hun eerste gasaanval op het westelijk front. Ook aan het oostfront willen ze doorbreken. Meer zelfs, volgens sommige bronnen is de aanval op Ieper enkel aan afleidingsmaneuver. Hiermee willen de Duitsers de Russen de indruk geven dat ze hun aandacht op het westen richten.

Niettemin hebben de Duitsers vooral grote zorgen in het Oosten, en dan vooral door toedoen van hun Oostenrijks-Hongaarse bondgenoot. Die is een groot deel van Galicie kwijt geraakt. En daarmee staan de Russen aan de poorten van Hongarije. Als de Russen erin slagen verder door te dringen, zullen een aantal andere landen in de verleiding komen om mee oorlog te voeren samen net de geallieerden tegen de centrale mogendheden: Zo wachten Bulgarije, Roemenie en Italie nog wat af om mee de oorlog in te stappen, al is niet van elke land nu al geweten aan wiens kant.

Het is dus van groot belang om Galicie te heroveren op Rusland. De Duitsers plannen de ganse operatie. Von Falkenhayn informeert zijn Oostenrijkse tegenhanger Conrad von Hötzendorf zelfs niet over de aanvalsplannen tot drie weken voor de startdatum. Nochtans doen heel wat soldaten van het Oostenrijks-Hongaars leger mee. Reden van deze achterdocht is ook het feit dat Rusland voor de oorlog al succesvol het Oostenrijks-Hongaarse leger bespioneerd had, dankzij dubbelspion Alfred Redl.

Von Mackensen

Von Mackensen

Op 2 mei 1915 beginnen de Duitsers en hun Oostenrijks-Hongaarse bondgenoten aan het offensief waarvan het zwaartepunt zich situeert tussen Gorlice en Tarnow. Vooral de legergroep onder leiding van August von Mackensen zal de speerpunt in deze aanval vormen. Bij het eerste daglicht begint de Duits-Oostenrijkse artillerie aan een bombardement dat 4 uur zal duren. Daarna rukken de soldaten op naar de Russische loopgraven waar ze maar weinig tegenstand ondervinden.

Binnen de 48 uren zijn ze door de defensie van het Russische 3e leger. De Russen hebben zich aan deze aanval niet verwacht en hebben daarom al heel wat troepen samengetrokken aan de Karpaten, met het oog op de invasie van Hongarije zodra het lenteweer dat toelaat. De Russen in de Karpaten kunnen hun kameraden in Gorlice – Tarnow niet te hulp snellen. Erger nog, ze moeten voorkomen dat ze worden afgesneden van hun bevoorradingslijnen die bedreigd worden door de Duitse opmars. Het instorten van de Russische defensie in de regio Gorlice-Tarnow heeft dan ook een domino-effect. Nadat de Russen rond Gorlice tot 10 kilometer per dag terugtrekken, zullen de Russen aan de Karpaten zich eveneens richting de Sanrivier terugtrekken. In de eerste week na het begin van het offensief verliezen de Russen 140.000 soldaten aan krijgsgevangenschap. Het zijn er zoveel dat de Duitsers stoppen met de gevangenen te tellen. Deze Grote Terugtocht zal ook de komende weken nog doorgaan, tot de Oostenrijks-Hongaarse garnizoenstad Przemysl weer van de Russen bevrijd wordt.

GorliceTarnow_mei1915

bronnen

Michael Neiberg & David Jordan, The Eastern Front 1914-1920, Amber Books

http://historypath.pl/en/articles/63-battle-of-gorlice

http://ww1blog.osborneink.com/?p=7593

https://ww1live.wordpress.com/2015/05/02/gorlice-tarnow/

De Duitsers veroveren het Polygoonbos

Op 3 mei 1915 moeten de Britten het Polygoonbos, ten zuiden van de dorpskern van Zonnebeke, aan de Duitsers laten. Niet zozeer de oppervlakte van het Polygoonbos, wel zijn ligging op een West-Vlaamse heuvelrug. Het bos combineert een degelijke beschutting met een prima uitzicht.

Het is niet voor het eerst of het laatst dat dit niet zo grote bos van bezetter wisselt. Britse troepen hielden het Polygoonbos bezet van oktober 1914 tot 3 mei 1915. Dan blijven de Duitsers er tot en met de zomer van 1917 en leggen er een kerkhof aan dat in 1955 ontruimd wordt. Australische troepen verdrijven de Duitse en leggen ook Polygon Wood cemetery aan. Nieuw-Zeelanders lossen hen af en zij moeten in februari 1918 het bos weer aan de gezamenlijke vijand laten. Op 28 september 1918 verwerft een Schotse divisie het veelvuldig verwoeste bos. Ditmaal definitief.

Toeristische tip : Het Polygoonbos is nu een leuke plek om te wandelen, voorzien van wandelpaden. Aan de rand is er niet alleen Polygon Wood Cemetery, maar ook Buttes New British Cemetery en het Memorial of the 5th Australian Division.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Polygoonbos_Terugtocht_mei1915

Britse heldenmoed nabij Ieper

John Lynn is een van de velen die recht hebben op een plaatsje in het grote heldenboek van deze oorlog. Helaas voor hen geen standbeelden : die zijn weggelegd voor koningen en generaals, die meestal ver achter het front vertoeven.

Op 2 mei 1915 hervat het Duitse leger zijn aanvallen in de buurt van Ieper, onder meer op de stellingen van het 2e bataljon van de Lancashire Fuseliers nabij Shell Trap Farm, in de buurt van het gehucht Wieltje in de Ieperse deelgemeente Sint-Jan.

De Duitsers trekken op achter een wolk van chloorgas die in de richting van de Britten drijft. Aan een van de Britse mitrailleurs staat John Lynn. Hij blijft vuren door de gaswolk omdat hij daarachter de vijand weet en heeft geen tijd om zijn gasmasker op te zetten. Wanneer de gaswolk zo dicht is dat het zicht nul wordt, klimt John op de borstwering van zijn schuilplaats om een beter overzicht te hebben. Zo slaagt hij erin de tegenstrever terug te dringen.

Eerst helpt hij nog zijn kameraden, maar dan valt hijzelf neer, zwaar aangetast door het chloorgas. In de loop van de volgende uren, op 3 mei 1915 sterft hij. Hij zal postuum het Victoria Cross krijgen.

Toeristische tip : Op Grootebeek British Cemetery (Vlamertingseweg, Reningelst) staat een gedenksteen ter nagedachtenis van John Lynn.

De oorlogskalender van het Davidsfonds vermeldt dat John Lynn geen standbeeld heeft. Dat klopt, maar de Britten zijn hun held niet vergeten. In “The War Illustrated” wordt er een tekening aan zijn actie gewijd. En John Lynn heeft een eigen wikipediapagina.

John Lynn in

John Lynn in “The War Illustrated”

bronnen

oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

http://en.wikipedia.org/wiki/John_Lynn

met zicht op een dode kameraad

Eduard Offenbacher, een van de vele student-vrijwilligers in het Duitse leger, bevindt zich ergens in de heuvels van Notre-Dame-de-Lorette nabij Vimy.  Hij schrijft begin mei 1915 over het harde leven in de loopgraven.

Ik ben hondsmoe. Geen wonder. Twee dagen onafgebroken in een half ingestorte loopgraaf, iedere man in opperste waakzaamheid op zijn post. Dag en nacht, bajonet op het geweer. Daarginds 20 meter bij ons vandaan, loert de vijand. Loopgraven gaan die kant uit, maar ze zijn met barricades versperd. Een berg handgranaten ligt klaar voor een warme ontvangst.

Midden op die barricades, maar voor ons onbereikbaar, ligt een kameraad. Zijn gebroken oog is naar het westen gericht, in de ene hand zijn trouwe geweer, de andere klaar voor de afzet om te springen. Zijn blonde haar is nu donkerrood gekleurd. Zo liggen er tallozen, in de loopgraaf en daarbuiten, vriend en vijand. Niemand begraaft ze, niemand heeft tijd.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

gefallener-deutscher-01

Lange Max gaat aan de slag in Klerken

De voorbije dagen loste Lange Max al wat proefschoten, maaar op 28 en 29 april 1915 gaat het reusachtige kanon echt aan de slag met de beschieting van Duinkerke, dat ongeveer 40 kilometer verderop ligt.

Deze versie van Lange Max staat bij de Steenstraat in Klerken en is ook bekend onder de naam Pommern-batterij. Het enorme kanon heeft een positie tussen enkele heuvels en is daardoor moeilijk waarneembaar voor de tegenstrever. Toch slagen de Fransen erin het kanon na veelvuldige beschietingen te beschadigen. In augustus 1915 zwijgt deze Lange Max voorgoed, maar op dat ogenblik zijn de Duitsers al enige tijd bezig een nieuwe Lange Max  te installeren op de Leugenboom in Koekelare. Volgens sommigen was de Koekelaarse Lange Max de ‘echte’, maar uiteindelijke is dat een volkse naam, geen officiële.

Het reusachtige kanon in Klerken had een loop die ruim 17 meter lang was en 77 ton woog. Het kon twee soorten granaten afvuren, respectievelijk 400 en 750 kilogram zwaar. Na een aantal schoten was de loop zwaar aangetast en moest die vervangen worden.

Opmerking : de oorlogskalender van het Davidsfonds vermeldt dat de Lange Max Diksmuide beschiet, dat ongeveer 40 kilometer verder ligt. Dit kan niet kloppen, gezien de afstand Klerken – Diksmuide slechts 7 km is. Volgende het artikel op wikipedia waren de Duitsers  in 1915 al bezig met de beschieting van Duinkerke. Alleen spreekt dit artikel van de Predikboombatterij en niet de Pommern-batterij.

Onderstaande foto geeft een goed idee van de grootte van de granaten en het bijbehorende kanon op de achtergrond.

LangeMax

bronnen

oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

http://nl.wikipedia.org/wiki/Lange_Max

William Henry Dawkins gaat aan land bij Gallipoli

Op 25 april 1915 om half vier ’s ochtends wordt de Australische luitenant William Henry Dawkins wakker en neemt een warm bad. Ondertussen vaart het schip met gedoofde lantaarns naar het noordoosten. Als de zon aan de horizon verschijnt, gooien ze het anker uit; rondom hen schaduwen van omringende schepen, voor het het langgerekte schiereiland Gallipoli. Dan volgen het ontbijt en de voorbereiding voor de ontscheping. Ondertussen beginnen de kanonnen van de oorlogsschepen te bulderen. Dawkins en zijn manschappen stappen eerst over op een torpedojager die hen dichter bij het land brengt. Van de torpedojager stappen ze vervolgens over in grote houten sloepen, door motorboten getrokken.

Golven. Ochtengloren. Luide knallen. Hij ziet de eerste gewonden. Hij ziet kogels van ontploffende granaatkartetsen in vlagen omlaagspuiten en het wateroppervlak doorboeren waarbij honderden fonteintjes ontstaan. Hij ziet het strand dichterbij komen en springt uit de boot. Om 8 uur staan al zijn mannen bij het water opgesteld. Met de bajonetten op hun geweren. Dawkins noteert in zijn dagboek :

We wachten ongeveer een uur op het strand. De generaal en zijn staf komen langs. De eerste lijkt in een uitstekend humeur, wat een goed voorteken is. Niemand weet precies wat er is gebeurd. De rest van onze compagnie gaat aan land. Ik verplaats me met een patrouille zuidwaarts over het strand, op zoek naar water. We vinden een gat met water in de buurt van een Turkse hut, de bezittingen van de bewoners liggen overal verspreid. We trekken over een heuvelrug een diep ravijn in, maar infanteristen achter ons schreeuwen en we moeten keren. IK stuur een groep op pad om een put te boren in hetzelfde ravijn, en og een om een kleine bron bij het strand te herstellen. In het ravijn, in buurt van de hut, komen zwermen kogels neer die te hoog zijn gegaan en hun doel hebben gemist. De infanteristen op de heuvel voor ons roepen almaar koortsachtig dat we beschoten worden. Natuurlijk worden we dat.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Gallipoli_Landing-2

Rafael de Nogales Mendez maakt de belegering van Van mee

Rafael_de_Nogales_MendezRafael de Nogales Méndez is een Venezolaans avonturier die je vaak vindt waar er oorlog is. Tijdens de Groote Oorlog dient hij in het Ottomaanse leger. Op 25 april 1915 bevindt hij zich aan de rand van de oude Armeense stad Van, die in een van de noordoostelijke provincies van het Ottomaanse rijk ligt, vlakbij Perzië en in noordelijke richting niet meer dan ruim 150 kilometer van de grens met Rusland. In de stad is een opstand gaande. De Nogales maakt deel uit van de troepen die worden ingezet om die te onderdrukken.

De situatie is gecompliceerd. De Armeense opstandelingen hebben het oude ommuurde deel van de stad en de voorstad Aikesdan in handen. De troepen van de Turkse gouverneur beheersen de citadel op de rots boven de stad en de rest van de omliggende bebouwing. En ergens in het noorden bevindt zich een Russische legerkorps, op het moment tegengehouden door de moeilijk doordringbare bergpas bij Kotur Tepe, maar in elk geval in theorie minder dan een dagmars verderop. Aan beide kanten pendelt de stemming tussen hoop en wanhoop, tussen angst en vertrouwen. De christelijke Armeniërs hebben geen keuze; ze weten dat ze moeten volhouden tot het Russisch korps arriveert. En hun islamitische tegenstanders weten dat de strijd gewonnen moet worden voor de Russen zich aan de horizon vertonen en belegeraars en belegerden van plaats wisselen.

Dit verklaart deels de wreedheid van de gevechten. Geen van de partijen maakt gevangenen.(…) De opdracht om Van te onderwerpen is lastig. De Armeniërs verdedigen zich met de wilde, wanhopige moed van hen die weten dat nederlaag en dood synonieme begrippen zijn. Tegelijkertijd zijn veel van de vrijwilligers in De Nogales’ eenheid ongedisciplineerd, onervaren, eigenzinnig en gedeeltelijk volstrekt onbruikbaar in echte gevechten. Tot overmaat van ramp is het oude Van een regelrecht labyrint van bazaars, nauwe steegjes en huizen met lemen muren, even moeilijk te overzien als lastig te doordringen. Het onderwerpen van de stad is daarom in veel opzichten overgelaten aan de Ottomaanse artillerie.

Van_April_1915_cannons_captured_by_the_Armenians

De Nogales staat naast de gouverneur van de provincie, Cevdet Bey, en ziet hoe een dorp nabij Van bestormd wordt. Hij ziet hoe 300 Koerden te paard de vluchtwegen van de Armeniërs afsnijden. Hij ziet hoe de Koerden de overlevenden met een mes afmaken. Plotseling suizen er kogels door de lucht vlak naast De Nogales en de gouverneur. De schoten zijn afkomstig van een paar Armeniërs die op de grote Sint-Pauluskathedraal in het oude Van zijn geklommen. Tot nu toe hebben beide partijen dit oude heiligdom gerespecteerd, maar nu geeft de gouverneur het bevel de kathedraal aan stukken te schieten. Het kost 2 uur van vuren met kanonskogels voordat de hoge, oeroude dom instort in een wolk van stof. Op dit moment zijn er ook Armeense sluipschutters op de minaret van de grote moskee geklommen. Ditmaal is de gouverneur niet even snel met het geven van het bevel tot vuren. De Nogales twijfelt echter niet en geeft bevel tot vuren. “Op deze manier”, vertelt de Nogales, “zijn in de loop van één dag de twee voornaamste tempels van Van verwoest, die al negen eeuwen tot de beroemdste historische monumenten van de stad behoorden.”.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Odon mag de 1e linie verlaten

Odon Van Pevenaege is samen met zijn wapenmakkers van de grenadiers betrokken bij de gevechten rond Steenstrate, na de eerste Duitse gasaanval nabij Ieper. Meer informatie over die gevechten waarbij Odon betrokken is, vind je terug op de pagina’s van 22-23 april en van 23-24 april.  op 24 april 1915 worden de grenadiers afgelost door het 3e linieregiment. Behalve het peloton van Odon want dat peloton vinden ze ’s avonds niet terug. Over zijn laatste dag in de eerste linie noteert Odon het volgende.

25 april 1915
De ochtend van zondag 25 april 1915 kwam er bevel van de majoor dat we mochten vertrekken. Op mijn horloge was het 7 uur. De adjudant zei dat we weg mochten, maar de plaats waar we zaten, was erg gevaarlijk. We zaten op amper 200 meter van de vijand. Velen zeiden :’Ik blijf zitten tot de avond valt.’. Het was gevaarlijk om weg te gaan en ik vond dat ook. Toch zag men er hier en daar een wegsluipen. Dat maakte op de anderen grote indruk. Een Antwerpenaar kwam bij mij en zei :’Zijt gij ook nog niet weg ?’. (…) We maakten ons klaar om te vertrekken. Er werd juist nog een zoeaaf getroffen door een kogel, vlak naast mij. Hij vroeg ons om hem naar een poste de secours te brengen. We zeiden dat hij maar met ons mee moest, we moesten er toch langs.

Odon_19150425Langzaam kropen we door de gracht. (…) Ik liep voorop en om het de vijand moeilijk te maken, liep ik zo hard ik kon. Toen ik zo’n 200 meter gelopen had, hoorde ik plots een schreeuw. Ik draaide me om en zag mijn makker Dens op de grond vallen. Ik liet de Fransman verder gaan naar de poste de secours, zo’n 220 meter verderop. De kreten van mijn vriend waren als een dolk in mijn hart. Ik ontdeed me van mijn ballast en kroop terug naar hem. Hij vroeg me meteen een dokter of een aalmoezenier te halen. Maar toen hij mij zag vertrekken, riep hij mij terug en zei :’Clairon, ge moogt mij niet verlaten !’. Het was wreed, maar ik kon die jongen op geen enkele manier helpen. Opeens begon hij te wenen en riep :’Clairon, ik ga sterven !’. Toen ik dat hoorde, kon ik mijn tranen niet meer bedwingen. (…) Intussen kroop er nog een karabinier tot bij ons. Ik vroeg hem om bij mijn kameraad te blijven zodat ik brancardiers kon gaan halen. Gebukt liep ik het veld oor. Toen ik aan het einde kwam, vond ik een peloton piotten van het 3e linieregiment. Ik vroeg drie mannen van goeie wil om met mij mee te gaan. Onmiddellijk kwamen ze mee en we droegen de gewonden in een zeil naar de poste de secours. (…) Mijn kameraad werd naast een dode gelegd, uit plaatsgebrek. Na hem te hebben aangemoedigd, zei ik de jongen vaarwel. Zijn laatste woorden waren :’Clairon, de complimenten aan al mijn makkers en tot weerziens in het andere leven.’. Een uur nadat ik weg was, blies hij in helse pijnen zijn laatste adem uit. (…)

Ik stapte verder naar Oostvleteren. De versterking van de Fransen was geweldig groot. Er waren zelfs Engelsen bij. Een Engelse officier liet me op een open auto zitten die naar Oostvleteren reed. Onderweg werd ik gefotografeerd. Het was rond de middag dat ik in deze gemeente aankwam. Ik was blij dat ik in mijn kantonnement eens goed kon uitrusten. Tegen de avond ging ik naar de kerk om God te bedanken.

bron :  Ivan Adriaenssens, Odon – oorlogsdagboek van een Ijzerfrontsoldaat, Lannoo