Pelt verliest een zoon nabij Passendaele

In een reactie op één van mijn berichten op Facebook maakt Davy Hermans me attent op het feit dat er ook een Overpeltenaar het leven heeft verloren tijdens het bevrijdingsoffensief op 28 september 1918. Het gaat om onderluitenant Alfons Roothans, geboren in Overpelt op de nationale feestdag van 1890. De moment van bestorming is ook beschreven in het dagboek van dokter Lievens (zie dokter Lievens dient de eerste zorgen toe) .

Tegen de middag bereiken we de Bayernstellung. Nu komen we in de vlakte voor de hoogte van Passchendaele en we rusten een uurtje uit. Het artillerievuur is stilgevallen want de mannen verplaatsen onze kanonnen, omdat onze sprong vooruit te groot is geweest en ze nu niet ver genoeg meer reiken. De bodem waar de zware stukken overheen moeten, is echter te drassig en ze verzinken er bijna in. Nieuwe balkenwegen worden aangelegd, maar het duurt te lang voor ze klaar zijn en we krijgen bevel de hoogte te bestormen zonder artillerievoorbereiding.

Om boven te geraken moeten wij twee en een halve kilometer afleggen tegen een moerassig helling zonder andere schuilplaats dan met water gevulde granaatputten. Met kleine groepejes van vijf tot zes man zetten we ons in beweging. Maar bij de eerste stappen al ratelt de hele berg met een knetterend mitrailleurvuur en regen het kogelballen op ons.

Bij die bestorming is Alfons Roothans overleden.

bronnen
http://blog.seniorennet.be/frverbaenen/archief.php?startaantal=420

André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo

 

AlfonsRoothans_19180929

 

 

dokter Lievens dient de eerste zorgen toe

Dokter Lievens is erbij als het bevrijdingsoffensief start. Hij maakt alles mee vanaf de eerste minuut. We geven hieronder zijn uitgebreid verslag van de eerste dagen van het bevrijdingsoffensief verkort weer.

28-9-1918 : Om 2u30 begint een helse artillerievoorbereiding op heel het front van mijn divisie, en links bij de IXe divisie waar Jules zal vechten en rechts bij de XIIe infanteriedivisie. Dit trommelvuur duurt drie uur, dan start het rollend vuur en vooruit : naar de dood of de bevrijding ! Het is 5u30 en al schemerklaar.

Bij onze eerste stappen in het niemandsland komen we terecht in een welgevoed mitrailleurvuur, uitgespuwd vanuit sterk gebetonneerde schuilkoten. Maar we omsingelen ze in een oogwenk en verdelgen de Duitsers tot de laatste man. Onsze vuurpijlen stralen hoog hun sterrenvinken in de lucht om aan te artillerie duidelijk te maken dat de eerste lijn, de Frankenstellung, is ingenomen. Meteen daarna bewegen de knetterende explosies van onze granaten zich in een logge lijn vooruit voor een verdere aanval. Onze karabiniers lopen er zo dicht mogelijk achter zodat velen door scherven gewond raken en vallen. Ze zijn razend, niet alleen van de pijn, maar ook omdat ze de strijd moeten opgeven. Ik verzorg ze samen met mijn brancardier en laat ze dan liggen voor de volgende medische ploeg.

Daarna valt ook de Preussenstellung in onze handen. In Poelkapelle komen we bij een Duitse hulppost waar een vijandelijke geneesheer zijn gewonden aan het verzorgen is. Wij laten hem verder werken en met enkele van onze brancardiers verzorgt hij ook onze gewonden. Tegen de middag bereiken we de Bayernstellung en onze buit wordt groter bij elke stap zonder dat we zelf buitengewone verliezen lijden. Nu komen we in de vlakte voor de hoogte van Passchendaele en rusten een uurtje uit. Het artillerievuur is stilgevallen want de mannen verplaatsen onze kanonnen omdat onze sprong vooruit te groot is geweest en ze nu niet ver genoeg meer reiken. Het duurt lang voordat ze klaar zijn en we krijgen bevel de hoogte te bestromen zonder artillerievoorbereiding.

Bij de eerste stappen al ratelt de hele berg met een knetterend mitrailleurvuur en regent het kogelballen op ons. Ik moet me op mijn buik leggen om de gewonden te verzorgen en hun aantal groeit snel. Hoewel onze jongens sinds dagen geen enkele rust meer hebben, kruipen ze vooruit en bereiken tegen de avond de Flandernstellung op vijfhonderd meter van de hoogte van Passchendaele. Daar graaft elke man zich een putje en werpt de aarde als bortswering en dijk voor zich.

De regen maakt plaats voor een kille huilende wind en het slagveld schijnt eenzaam en dood. Daar klinkt een schreeuw uit het struikgewas :”Dokter ! Docteur !”. Ik dwaal in de richting vanwaar de roep lijkt te komen en weldra weerklinkt van alle kanten een afschuwelijk gehuil. Het zijn de stervenden en gewonden die om hulp en lafenis smeken. Ik zwerf van punt naar put om hen te bieden wat ik kan : een verband, een inspuiting, een teugje water. Waar blijven de mannen die hen moeten wegdragen ? Onze helden liggen doornat in ijskoud water, uitgepunt van de zware inspanningen, verstijfd door kou en bloedverlies. Ze overleven het niet als ze zo de nacht moeten doorbrengen. We dragen er zoveel mogelijk een duizendtal meter achteruit. Maar daar ziet er niemand meer naar hen om en hun gekerm klinkt altijd maar hoger en luider.

29-9-1918 : Meteen herbegint ons dolen over het doodsterrein. Wat ik gevreesd had, is uitgekomen. Talloze gewonden van gisteren vind ik nu bezweken van de kou en paars terug. Anderen liggen nog te sterven en hervatten hun geweeklaag. En er is nog niemand te zien om hen hier weg te brengen. Ik huil erbij als een kind omdat ik niets meer voor die rampzaligen kan doen…

bron : André Gysel, Dokter Lievens – dagboek van een arts , Lannoo

Onderstaande tekening is van Pierre Paulus, premiers pansements

PierrePaulus_PremierPansement

 

 

 

 

 

 

 

Raoul Snoeck sneuvelt

De laatste woorden in het dagboek van Raoul Snoeck worden geschreven door adjudant Van Nuffel. Hij noteert over 28 september 1918 het volgende.

Tegen twee uur ’s morgens bereiken we de stellingen van waaruit we zullen starten voor het grote offensief. Het is de nieuwe gevechtslijn aan de Kwadebeek, een positie die nauwelijks enkele dagen geleden op de vijand werd veroverd. Schuin rechts tegenover ons strekt zich het bos van Houthulst uit. Om half drie richt een lichtbaken een heldere straal de ruimte in. Op hetzelfde ogenblik barst een oorverdovend gedonder los uit duizenden vuurmonden. Onmogelijk je verstaanbaar te maken : het is een hels kabaal. Na een uur hebben we de Duitse kanonnen het zwijgen opgelegd. Alleen onze artillerie gaat onvermoeibaar door met haar vernietigend bevrijdingswerk. Eindelijk, na drie uur koortsachtig wachten, wippen we over de eerste stroken prikkeldraad op weg naar de overwinning… of de dood.

Tegen negen uur, na drie uur strijd, ontmoet ik Raoul met de rest van zijn peloton. We drukken elkaar warm de hand, tevreden nog te leven, en verzamelen onze mannen om er een nieuw peloton van te maken onder leiding van Raoul. We zijn al zeven, acht kilometer gevorderd, ondanks de Duitse mitrailleursposten. Tegen tien uur ’s morgens ligt de weg Diksmuide – Houthulst die parallel loopt met de heuvelrug van Klerken, binnen ons bereik.

We speuren alle kreupelhout en elke greppel af naar het minste rookwolkje, dat de verborgen mitrailleur moet verraden. Plots grijpt Raoul me bij de arm, wijst in de richting van een groep struiken en toont me een nest dat we nu heel duidelijk onderscheiden. Tegelijk beveelt hij me de rechtse mitrailleur in stelling te brengen, terwijl hij zich met de linkse gaat bemoeien. Ik spring in de kuil naast me, richt de loop en geef tegelijk instructies aan mijn mannen. Maar ik hoor geen mitrailleurbuien die het schieten van mijn mannen moet begeleiden. Waarom geeft Raoul zijn bevelen niet ? Instinctmatig draai ik me om.

Nooit in mijn leven was ik pijnlijker getroffen : in de bomtrechter naast me hangt het bovenlichaam van Raoul. Twee beekjes bloed sijpelen langs weerszijden van zijn hoofd. Ik trek hem uit het gat en druk hem tegen de boord, terwijl ik zijn hoofd recht houd. Vlug maak ik zijn bovenkleding los en mijn bevende hand zoekt zijn hart : nog vier slagen en dan niets meer. Zijn ogen, die een ogenblik geleden nog schitterden van opgewektheid, kijken me star aan. Ik begin te snikken, ik heb een echte vriend verloren.

Tijdens onze lange vriendschap beloofden we mekaar dat als het lot een van ons beiden zou vellen, de ander alle persoonlijke spullen zou meenemen voor zijn familie. Traag neem ik zijn portefeuille, zijn polshorloge, de portretten van zijn moeder en zus die hij altijd bij zich droeg.

Dan heb ik traag de ogen van Raoul gesloten. terwijl ik voor het nog warme lichaam afscheid van hem nam, heb ik gezworen hem te wreken… Ik heb woord gehouden.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck – Ducaju & Zoon

De tekening hieronder komt uit de graphic novel van Ivan Petrus Adriaenssens, afspraak in Nieuwpoort, Lannoo

RaoulSnoeck_19180928

 

 

soldaten maken zich klaar voor de grote aanval

Veel rusten is er niet bij aan het front, horen we op 27 september 1918 van Jerome Delamane.

’s Morgens om 2u kom ik in Elzendamme aan, na zes dagen tranchée (loopgraaf) gedaan te hebben. Onze strozakken zijn nat geregend. In een schuur slapen we tot 7u30.
Om 18u moeten we ten aanval trekken. Te voet gaan we naar Oostvleteren, waar de tram ons naar Steenstrate-brug brengt. We trekken verder naar Woesten : veel piotten zingen en maken een hels kabaal. Aan de post Draaibank krijgen we enkele uren rust in een loopgraaf maar tussendoor sjouwen we nog met munitie. Ondertussen is het middernacht en de dag van de aanval breekt aan.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Eindoffensief1918_01

de laatste notities van Raoul Snoeck

Raoul Snoeck schrijft voor de laatste keer in zijn dagboek en noteert het volgende op 27 september 1918.

Ik ben erg vermoeid. We zijn het allemaal. Viermaal in tien dagen hebben we aangevallen. Morgen opnieuw : het bevel is gegeven. De koning heeft tot het leger de volgende toespraak gericht :”Soldaten, we zullen een krachtige aanval uitvoeren op de vijandelijke stellingen. Zoals altijd komt het erop aan te winnen of te sterven. Toon u waardig tegenover de geallieerden die aan uw zijde vechten. Het is uw taak de indringer te verdrijven, die sinds meer dan vier jaar uw broeders verdrukt. Overal trekt Duitsland zich terug, de overwinning is aan u !”.

Dit keer is het menens. Met een waar genoegen vernemen we dat we in het offensief gaan. Vannacht moeten we Zarren en Klerken aanvallen. Het moreel van de mannen is bewonderenswaardig. We hebben de vaste overtuiging dat het deze keer moet lukken. Allen leggen niet alleen de beste wil aan de dag maar ook de vurigste moed en het zuiverste enthousiasme. Ze willen niet alleen vechten maar ook oprukken, niet enkel naar Gent maar tot in Berlijn.

Ik vrees niettemin dat ons leger nog harde noten te kraken krijgt. Maar laten we er niet meer aan denken : plicht voor alles. Sterven stelt niets voor, we moeten en zullen overwinnen. En nu aan het werk met de voorbereidingen, instructies en aanbevelingen. Ik schrijf mijn marraine dat ze niet ongerust moet zijn, als ik haar enkele dagen zonder nieuws laat. We zullen verschillende dagen in de strijd betrokken zijn.

Hier eindigen de notities van Raoul Snoeck. De tekening hieronder komt uit de graphic novel van Ivan Petrus Adriaenssens, afspraak in Nieuwpoort, Lannoo

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck – Ducaju & Zoon

AfspraakNieuwpoort_Eindoffensief19180927

 

 

Jeugdherinneringen voor Sulzbach

Herbert Sulzbach, luitenant bij de Duitse artillerie, heeft een tijdje tussen hoop en vrees geleefd om zijn verlof te behouden. Hij behoort tot een Eingreifdivision dat in de achterste linies blijft tenzij er moet ingegrepen worden.

12 september 1918 : Mijn verlof is goedgekeurd. Ik heb vier bladzijden instructies neergeschreven voor Seebach, mijn stafofficier, zodat hij volledig op de hoogte is. Daarna heb ik recht op 21 verlofdagen en vier dagen reistijd.

12 september – nacht : Mijn vreugde overmijn verlof is over. We hebben marsorders gekregen :”Divisie moet toch klaar houden om linies ten oosten van Epoye in te nemen. ’s Anderendaags blijkt dat de vijand toch niet aanvalt en krijg ik alsnog toestemming om op verlof te gaan.

14 september : Na een nacht met artilleriebeschietingen vertrekt ik om 6u30 in een kleine wagen naar Le Chatelet waar ik de trein neem. Om 2u kom ik aan in een hotel in Brussel waar de portier me herkent van een strandvakantie in Nederland voor de oorlog.

17 september : ’s ochtends kom ik aan in Keulen waarna ik doorreis naar Frankfurt. Hoe aangenaam is het langs de Rijn te reizen. ’s Avonds kom ik thuis aan waar het weerzien des te ontroerder is omdat ze me niet hadden verwacht na de voorbije weken van gevechten aan het westelijk front.

25 september : ik ontmoet een oude schoolkameraad en we halen samen jeugdherinneringen op. Hoe onschuldig waren we toen. Het is daar dat we gingen kijken naar de parades ter gelegenheid van de verjaardag van de keizer. We keken onze ogen uit naar de soldaten van het 81e regiment in hun mooie uniformen en nu zijn we zelf al ervaren soldaten. Ondertussen bereikt ons het nieuws van hevige gevechten aan het westelijk front. Er komen ook alarmerende berichten uit Bulgarije waar premier Malinov de Entente gesprekken aanbiedt over een wapenstilstand, zonder met zijn eigen of onze regering te overleggen.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword Military

DuitseSchool_VoorOorlog

 

aanvoer van de granaten

Gaston Le Roy heeft het niet gemakkelijk. Op 23 september 1918 noteert hij het volgende in zijn dagboek.

We lossen duizenden Franse 75 mm-granaten. Ik loop er krom van en mijn handen zijn gekneusd. De voorbereidingen zijn ernstig. Dolken en schoppen worden uitgedeeld. De gesprekken gaan angstig hun gang. Wat het ook wordt, we hebben twee goede kansen tegen een slechte. We zullen niet allen sneuvelen, velen zullen gewond geraken, anderen krijgsgevangen. Misschien blijven de meesten zoals we zijn. Maar wie wordt door het noodlot getroffen ? Wie ?

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

transportArtillerie_1918

Heimwee naar Gent

Raoul Snoeck verlangt hoe langer hoe meer naar zijn geboortestad Gent. Maar na meer dan 4 jaar aan het front heeft hij nog altijd vechtlust om de vijand van de vaderlandse bodem te verdrijven.

8 september 1918 : Ik verlang ernaar om weldra naar Gent terug te keren. De hunker naar mijn geliefde stad wordt steeds sterker naarmate de hindernissen die me van haar scheiden, zich opstapelen en de duur van mijn ballingschap langer wordt. Vanuit mijn observatiepost domineer ik het ganse slagveld. ’s Nachts betrek ik met Xantipe, Van Nuffel en adjudant Wauters een stevig gebouwde Duitse schans. Ik droom van een verrekijker die voldoende sterk is om me het Belfort, de massieve toren van Sint-Baafs en andere vertrouwde monumenten te laten bekijken. Wat een verbeelding ! Ga ik ze nog in werkelijkheid terugzien. Chi lo sa ? , wie weet, zou mijn Italiaanse marraine zeggen.

12 september 1918 : Ik zou wel een beetje willen vertellen wat er is gebeurd maar de tijd ontbreekt me. We zijn overwerkt en ik begrijp niet hoe onze mannen nog weerstaan aan de vermoeidheid. Het is middag en we moeten opnieuw aanvallen om twee uur. We hebben allemaal zin om de vijand een ferme oplawaai te geven. Weg ermee !

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

RaoulSnoeck_191809

Raoul Snoeck 1918

 

dodendans aan het Ijzerfront

Op 29 augustus 1918 noteert Raoul Snoeck het volgende in zijn dagboek :

Wat ik de laatste dagen meemaakte, overtreft alles in wreedheid van wat ik tot nog toe heb ervaren. Toen de oorlog begon, waren we mensen, stilaan werden we soldaten, maar de Duitsers hebben van ons moordenaars gemaakt. Oorlog is geen pretje. Onze jongens zijn ten aanval gestormd met bijlen van de Genie. Van de Duitsers die ze meebrachten, bleef slechts gehakt over : rompen, armen en benen. Ze stonden in bewondering voor een vormloze massa mensenvlees. Ze grimlachten want ze hadden zich gewroken.

Nooit zal mijn pen kunnen beschrijven welke ijselijke verschrikkingen ik gezien heb. Wie niet aan deze homerische worsteling deelnam, kan zich geen idee vormen van de waarheid. De oorlog is afschuwelijk. Waarom zou men de oorlog menselijker maken ? Wie hem te wreed vindt, moet hem afschaffen. De vijand voert oorlog op een verfoeilijke manier, wij betalen hem met gelijke munt terug.

Sinds verscheidene weken en maanden moorden we zonder ophouden. Ik heb hopen levenloze onherkenbaren wezens gezien. Enkele uren voordien waren dat nog levenden de konden nadenken en beminnen. In deze wrede oorlog heb ik afgrijselijke dingen meegemaakt.

bron : Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck – Ducaju & Zoon

De tekening hieronder is van de Duitse kunstenaar Otto Dix die zelf ook aan het front gevochten heeft. De titel is “Totentanz”.

OttoDix_Totentanz

 

griep op zee

Het Nieuw-Zeelandse troepenschip Tahiti is onderweg naar Europa wanneer de Spaanse griep toeslaat. Een van de soldaten aan boord die de ziekte overleeft, houdt een dagboek bij. Op 2 september 1918 is het schip bijna twee maanden onderweg.

Een mooie dag, de zee spiegelt als glas. Er treedt somberheid in wanneer ons verteld wordt dat er weer drie doden zijn. Om 11 u worden vier mensen begraven. De kolonel verzorgde de uitvaartdienst die erg ontroerend was. In de namiddag zijn er weer twee begrafenissen en er is ondertussen nog iemand overleden. Ook op de andere schepen van de vloot was men bezig met begrafenissen.

Een van de doden is de klarinettist van de muziekband op ons schip : wat een muzikant was hij ! Het vreemde aan de ziekte is dat grote sterke mannen er het ergst aan toe zijn, terwijl zij ook als eersten sterven.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Burial_At_Sea_1918