Gaston Le Roy noteert op 28 mei 1917 het volgende in zijn dagboek.
Rouw in de compagnie. Wij verliezen de heer Delannoy, onze geliefde kapitein, geliefd om zijn rechtvaardigheid.
Piloten die bij dit prachtige weer de streek overvlogen, gooiden enkele bommen, waarvan er één onze kapitein en onze chef-kok doodde. Nog anderen kwamen om het leven of raakten gewond (Fortem). Dit is het onbegrijpelijke van het noodlot : je hebt al zoveel beschietingen doorstaan in de eerste lijn en dan word je dodelijk getroffen tijdens de rustperiode, waarin je had gehoopt prettige dingen te beleven.
Ik sloop achterin binnen in het hospitaal en zag de gesneuvelde kapitein op een brancard liggen. In het kantonnement wordt over niks anders gesproken. De chef-kok ging zelden van zijn soepketel weg en zijn vriend, bij wie hij op bezoek was, is eveneens dood. John, de hond van de kapitein, loopt te treuren en is links en rechts op zoek naar zijn verloren meester.
Bron : André Gysel, Gaston le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo
De tekening hieronder is “tombes de camarades” van Jean Lefort.







Een sluipschutter maakt op 3 april 1917 nabij Bapaume een einde aan het jonge leven van Arthur Graeme West (26 jaar), schrijver en oorlogsdichter. In 1915 treedt West in dienst uit een gevoel van plichtsbesef en patriottisme, maar geleidelijk aan ontwikkelt hij een intense afkeer voor het leger, ook al omdat hij individualistisch ingesteld is en routine haat. Die toenemende afkeer verwoordt hij in twee oorlogsgedichten :”God, How i hate you” en “Night patrol”.

