Schoten afgevuurd door Belgische militairen treffen Renaat de Rudder op 17 december 1917 terwijl hij een verkenningsopdracht maakt door de frontzone. Wat later sterft hij aan de opgelopen verwondingen in een militair hospitaal.
Vier dagen nadien wordt hij begraven op het militair kerkhof van Westvleteren. Zijn stoffelijke resten blijven daar tot ze op 21 juli 1932 tijdens de dertiende Ijzerbedevaart worden bijgezet in de crypte onder de Ijzertoren. Renaat De Rudder is dan uitgegroeid tot een van de symbolen van de Vlaamse beweging.
Renaat de Rudder, geboren in Oostakker, meldde zich kort na het begin van de oorlog als vrijwilliger. Aan het front beschreef hij de situatie van de Vlaamse soldaten in het vooral door Franstalige officieren gedomineerde leger. Zijn inzet voor de Frontbeweging werd hem dan ook niet in dank afgenomen.
Korporaal Henry Fayerbrother is op 16 december 1917 bij Langemark net op weg om een breuk in de telefoonlijn te herstellen wanneer granaatsalvo’s eraan komen. Hij rent terug om te schuilen in de seinput,maar er is geen plaats meer omdat anderen er schuilen, onder meer artillerist John Walker. Fayerbrother moet tevreden zijn met een schuilplek achter een bunker. Hij beschrijft wat er gebeurt enkele seconden na een enorme explosie.
John Walker komt naar me toe, blindweg in de lucht tastend. Het onderste deel van zijn hoofd is weggeblazen. Ik leid hem naar onze schuilplaats en terwijl hij sterft, komen de vreselijkste geluiden uit zijn verbrijzelde keel.
Iedereen in de seinput is dood, nu ook John Walker. Hij wordt begraven in de buurt van de granaattrechters aan de kant van de weg. De manschappen die omkwamen in de seinput, rusten nu zij aan zij op Cement House Cemetery, Boezingestraat 148, Langemark.
Na de slag bij Caporetto hebben de Fransen en de Britten troepen gestuurd om hun Italiaanse bondgenoten bij te staan. Nu de Duitse en Oostenrijks-Hongaarse legers tot staan zijn gebracht, krijgen sommige Franse soldaten de kans om hun verlof met kerstmis thuis door te brengen.
In de nacht van 12 op 13 december 1917 komt een Franse militaire trein terug uit Italië met soldaten die verlof hebben gekregen. Vanaf Modane zal de trein de militairen naar Chambéry brengen, aan de rand van de Franse Alpen. De trein bestaat uit twee locomotieven met 19 houten rijtuigen, een lengte van 350 meter en een gewicht van 526 ton, te zwaar voor de remkracht van de locomotieven. De machinist protesteert dan ook tegen het aantal wagons maar een Franse kapitein dwingt hem, met de revolver in de hand, om het station te verlaten.
Na Modane begint de reis normaal, maar op de vrij steile helling naar beneden neemt de snelheid sterk toe en wordt de trein oncontroleerbaar. In plaats van de toegestane 40 km/h bereikt de trein maar liefst 135 km per uur. Kort voor het station van Saint-Michel-de-Maurienne ontspoort de trein bij een snelheid van 102 km per uur. Omdat het elektrische licht van de trein niet werkt, hebben de soldaten kaarsen aangestoken, en de rijtuigen vatten daardoor snel vlam terwijl ze in elkaar schuiven. Ook zijn er granaten en andere explosieven aan boord, die de militairen als souvenir hebben meegenomen.
Volgens de officiële telling waren er 982 dienstplichtigen aan boord. Door het intense vuur zijn er honderden lichamen zodanig verbrand dat ze niet meer herkenbaar zijn. De tol wordt geschat op 500 tot 800 doden. De Franse autoriteiten duwen dit ongeluk in de doofpot en in de pers wordt er niets over geschreven. Maar de overlevende machinist zal het ongeluk toch nog na de oorlog in de openbaarheid brengen.
14 december 1917 is een van die dagen dat Duitse duikboten bijzonder actief zijn.
Het Britse vrachtschip SS Hare wordt getorpedeerd door de U-62 terwijl het onderweg is van Manchester naar Dublin.
De UB-65 torpedeert het Noorse vrachtschip Nor, onderweg tussen Caen en Glasgow met alleen maar ballast aan boord. Twee doden.
Het Britse koopvaardijschip SS Volnay wordt getroffen door een mijn gelegd door de UC-64 terwijl het onderweg is tussen Montreal en Plymouth. Geen slachtoffers.
De Franse kruiser Chateaurenault zinkt door twee torpedo’s die de UC-38 afvuurde net buiten het Kanaal van Korinthië. Geen slachtoffers.
De U-64 brengt het Britse SS Coila tot zinken. Het schip is met een lading steenkool onderweg van Glasgow naar Livorno. Drie doden.
Raoul Snoeck wordt in zijn compagnie gezien als een soort van talenwonder.
Ik ben een soort secretaris van een hoop brave jongens die in Frankrijk en in Groot-Brittannië oorlogsmeters bezitten, maar de taal van het land niet kennen. Ze vragen mij dan hun brieven op te stellen.
Gisteren deelde een soldaat me mee dat hij een oorlogsmeter gevonden had in Argentinië; waar halen ze het vandaan, mijn God. Mijn vriend neemt mij voor een man die alle talen kent : ik ken geen woord Spaans.
Dinsdag 14 juli 1914 is een heuglijke dag voor Maria Hendrika Vandebroek uit Neeroeteren. Ze trouwt met Hendrik Loos uit Meeuwen. Maar terwijl de twee in het huwelijksbootje stappen, stapelen de donderwolken boven de wereldpolitiek zich op. Drie weken later is België in oorlog. Voor Hendrik Loos, een rijkswachter in Heers, breekt een helse tijd aan. Enkele dagen na de Duitse inval bereiken de eerste vijandelijke cavaleriepatrouilles Zuid-Limburg. Loos belandt uiteindelijk in het neutrale Nederland. De oorlog is voor hem voorbij. Voor Hendrika “Drika” Vandebroek is de oorlog helemaal niet voorbij. Ze mist haar man maar kan hem amper bezoeken.Grenspassen worden maar sporadisch uitgereikt.
vanaf juni 1915 starten de werken aan de draadversperring aan de grens. Vanaf dan wordt het voor Drika haast onmogelijk om haar man te bezoeken. De vrouw wordt verscheurd door verlangen en wil drie jaar na haar trouwdag eindelijk haar huwelijk consumeren. Daarom besluit ze in augustus1917 definitief te vluchten naar Nederland. Ze krijgt hulp van enkele grensbewoners die haar bij Kinrooi door de draad willen helpen, maar Hendrika wordt gearresteerd door alerte Duitse grenswachters.
Drie weken lang wordt ze opgesloten in de kazerne in Maaseik, waarna ze tot een half jaar cel wordt veroordeeld. Om onbekende redenen moet ze die straf niet helemaal uitzitten. Drie maanden na haar eerste vluchtpoging staat Drika opnieuw aan de elektrische draad, dit keer in Molenbeersel. Samen met haar hondje kruipt ze heel voorzichtig door een opening in de elektrische versperring. Het hondje is al aan de overkant maar wanneer Drika halverwege is, besluit het beestje plots terug te keren. De hond raakt de elektrische draad en via de leiband wordt ook Drika zelf geëlektrocuteerd. Ze is op slag dood. Het lijkt wordt door toegesnelde Duitsers in de tramstelplaats in Molenbeersel opgebaard. Daar kan haar familie Drika identificeren. “Ze zag zo blauw als een lei” noteert een kennis.
Musketier Egon Keller vertelt over zijn belevenissen onderweg naar het front op 13 december 1917, ergens in de buurt van Westrozebeke.
Ik moet mij een weg banen tussen prikkeldraad en stukgeschoten bomen, de rugzak op de schouders, het geweer en de munitiekisten in de handen geklemd. Mijn uniform is zo beslijkt dat het dezelfde kleur heeft als de grond. Op 40 meter van onze stelling val ik plots in een bomput gevuld met slijk. Ik wil mij snel loswrikken, maar zink tot op borsthoogte in de modder. De compagnie heeft niets gezien of gehoord en is verder gemarcheerd in het pikdonker.
Bij het ochtendgloren ben ik door de koude zo verstijfd dat ik mijn benen niet meer voel. Twee koeriers vinden mij toevallig en willen mij uit de modder losmaken, maar dat lukt niet zomaar. Uiteindelijk kunnen ze mij met de lange steel van een schop uit mijn netelige positie bevrijden.
Tijdens de voorbije drie oorlogsjaren werden er geen Nobelprijzen voor de Vrede toegekend. De achterliggende redenering is dat er geen waardige kandidaten zijn.
In 1917 is er ondanks de oorlog toch een Nobelprijs voor de Vrede : die wordt op 10 december 1917 toegekend aan het Internationale Rode Kruis. Het Nobelprijscomité waardeert de inspanningen die de organisatie doet voor de krijgsgevangenen en voor de communicatie tussen de krijgsgevangenen en hun familie. Ook prijst het comité het werkt dat het Rode Kruis levert om gewonde militairen via Zwitserland naar hun thuisland te transporteren.
In 1918 is er evenmin een Nobelprijs voor de Vrede terwijl die van 1919 naar de Amerikaanse president Woodrow Wilson gaat.
Jeruzalem valt op 9 december 1917 na een gevecht van enkele dagen in Britse handen. De Britten krijgen daarbij steun van troepen uit Nieuw-Zeeland en Australië. Aanvankelijk werd de aanval van Jeruzalem gezien in het kader van een breder tactisch plan dat de Turken tot vrede zou dwingen. Maar de wijzigende oorlogsomstandigheden leiden ertoe dat de inname van deze stad vooral een belangrijke opsteker is voor de moraal van de geallieerde troepen.
Een paar dagen later, op 11 december 1917, doet de Britse commandant sir Edmund Allenby zijn intrede : te voet, uit respect voor de heilige stad. Het is eeuwen geleden dat troepen van christelijke oorsprong de stad in handen hebben.
Halifax, Nova Scotia, is een belangrijke haven en marinebasis in Canada. Tijdens de Groote Oorlog neemt het belang toe van deze haven, ook al omdat ze constant ijsvrij is. Bovendien beschikt ze over goede treinverbindingen met het hinterland in Canada en de Verenigde Staten. Halifax wordt zo een belangrijk vertrekpunt voor oorlogsvoorraden en troepenschepen.
Het verkeer van de haven naar de Atlantische oceaan verloopt via een engte (“the Narrows”). Het verkeer in die engte volgt de gebruikelijke regels : uitgaande schepen kiezen de westelijke vaargeul aan de kant van Halifax. Inkomende schepen kiezen de oostelijke vaargeul aan de kant van Dartmouth.
Op 6 december 1917 voltrekt zich een ramp in Halifax. De hoofdrolspelers zijn twee schepen : het Noorse schip Imo, die op weg is met voedsel naar België en het Franse schip Mont Blanc, die geladen is met munitie en zeer ontvlambaar benzeen. Beide schepen zetten zich om 7u30 in beweging. De Imo verlaat de haven van Halifax, maar ontmoet een schip dat aan de verkeerde kant vaart. Daardoor kiest de Imo de oostelijke vaargeul. Vervolgens passeert het Noors schip een sleepboot die ook aan de verkeerde kant vaart. De Imo blijft dus maar in de oostelijke vaargeul maar ziet daardoor de Mont Blanc naderen die de haven binnenvaart.
Beide schepen geven een fluitsignaal om aan te geven dat ze op hun koers willen blijven. Pas op het laatste nippertje geven beide kapiteins het bevel om een botsing te vermijden, maar het is te laat. Door de botsing om 8u45 ontstaat er brand aan boord van de Mont Blanc. De brand grijpt snel om zich heen en kapitein Le Médec geeft het bevel het schip te verlaten. Het schip ontploft om 9u04 en het is de tot dan toe grootste ontploffing ooit veroorzaakt door de mens. De Mont Blanc wordt vernietigd in een vuurbal die een hoogte van bijna 2 kilometer bereikt en wordt gevolgd door een paddenstoelwolk. De ontploffing veroorzaakt ook een vloedgolf die zich op de kade werpt. De ontploffing werpt ook brokstukken van het schip tot 5 kilometer ver.
In Halifax vallen er 2.000 doden en 9.000 gewonden, waarvan 6.000 ernstig. Deze aantallen hadden nog groter kunnen zijn als Vince Coleman zich niet had opgeofferd. Coleman werkt als treindienstleider en weet dat er een passagierstrein binnen enkele minuten zal aankomen. Hij blijft op zijn post en stuurt enkele minuten voor de fatale klap zijn laatste telegram.
Stop de trein. Munitieschip in brand in de haven. Nadert Pier 6 en gaat ontploffen. Dit zal mijn laatste bericht wel worden. Vaarwel.
Dit bericht van Coleman brengt alle treinen op weg naar Halifax tot stilstand waardoor er ongetwijfeld levens zijn gered.
Een korte samenvatting van de explosie en de gebeurtenissen die eraan vooraf gaan, vind je in onderstaande filmpje. De foto van de wolk hieronder is vermoedelijk 20 seconden na de explosie gemaakt.