Sykes en Picot verdelen Midden-Oosten

In het geheime Sykes-Picotverdrag afgesloten op 9 mei 1916 spreken Britten en Fransen af hoe ze het naoorlogse Midden-Oosten onder elkaar zullen verdelen. Het Ottomaanse rijk zou daarvan het grootste slachtoffer moeten worden. Twee andere grote mogendheden, Rusland en Italië, gaan akkoord met het verdrag, dat genoemd is naar de twee voornaamste onderhandelaars : Mark Sykes en Georges Picot.

De Britten zouden het gebied aan het noorden van de Perzische Golf krijgen, de wijde regio om Basra. Voor de Fransen was er het kustgebied van Noord-Syrië en Libanon, met onder meer de steden Beiroet en Damascus. Het tussenliggende binnenland wordt verdeeld in invloedssferen : de Bijbelse regio zou onder internationaal bestuur komen. Voor een derde grote partij is er geen plaats, dus ook niet voor de Ottomanen.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

A-Line-in-the-Sand-01

Chinese arbeiders achter de frontlinies

De Franse en Chinese overheden ondertekenen op 4 mei 1916 een akkoord over de aanwerving van Chinese arbeiders. Onder het bewind van Yuan Shikai stelde China zich nog neutraal op. In het conflict tussen de oorlogvoerende partijen. Na diens dood kantelde het evenwicht naar de zijde van de geallieerden. China wil evenwel zijn economische banden met Duitsland niet al te zeer schaden. Daarom stuurt het land geen troepen maar arbeiders om achter het front te werken.

Enige tijd later sluit ook Groot-Brittannië een gelijkaardige overeenkomst met China. In het contract staat onder meer dat een deel van het loon uitbetaald wordt aan de familie, terwijl transport, voeding en dergelijke ten koste vallen van de opdrachtgever.

Travailleurs_chinois

Gevechten rond de Mort Homme

Eind april 1916 veroveren de Fransen na onmenselijke inspanningen de top van de Mort Homme, ook bekend als Côte 304. De Duitse legerleiding wil deze strategische plek absoluut terug en geeft op 3 mei 1916 het sein voor de tegenaanval.

Gedurende twee dagen en een nacht krijgen de Fransen een bijzonder hevig bombardement over zich heen. Op een front dat ongeveer 2 kilometer breed is, spuwen vijfhonderd Duitse kanonnen vuur, dood en vernieling. Schuilen is bijna onmogelijk voor de Fransen : hun terrein is bijna vlak, de loopgraven zijn ondiep, de granaatinslagen hebben de bodem doorwoeld.

Aanvoer van voedsel en munitie is bijna onmogelijk en gewonden kunnen niet geëvacueerd worden. Toch houden de Fransen het na de enorme beschietingen nog drie dagen vol tijdens man-tegen-mangevechten. De heuveltop komt weer in Duitse handen. Bij deze slachting laten tienduizend Fransen het leven.

MortHomme02

Hamontenaren in Auvours

Op 30 april 1916 is onderstaande foto gemaakt. Het bordje bij de Belgische soldaten vermeldt datum en plaats : Auvours (in de gemeente Champagné vlak bij Le Mans). Hier ligt een Frans militair kamp dat onder de eerste wereldoorlog is toegewezen aan de Belgen. Door de verovering van het grootste deel van België had de Belgische militaire overheid natuurlijk nergens in eigen land opleidingskampen. Onder meer in Auvours konden ze de opleiding organiseren.

Het bordje onderaan vermeldt ook dat het gaat om Hamontenaren. In 2012 heb ik deze foto gevonden op de website van de gemeente Hamont-Achel. De soldaat achteraan rechts op de foto is Patrick Feijen. Zijn zoon, Guido Feijen, had die foto aan de gemeente Hamont-Achel opgestuurd met de vraag of er nog andere soldaten herkend werden.
Ik heb mijn grootvader nooit gekend. Maar die ene soldaat staande achteraan links (met witte broek), die trok wel enorm op mijn nonkels. Mijn moeder kon bevestigen dat zij die foto kende van vroeger. De soldaat op de achterste rij links is dus wel degelijk Martinus Evers.

HamontenarenInAuvours19160430_Bijgewerkt.jpg

Gasaanval in Hulluch

In het plaatsje Hulluch, niet ver van Loos-en-Gohelle (departement Pas-de-Calais) voert het Duitse leger op 27 april 1916 een gasaanval uit op de geallieerden, meer bepaald op de 16e Ierse Divisie van het Britse leger. Naar verluidt is de concentratie van het hier gebruikte chloorgas hoger dan eerder elders toegepast.

Over een frontlijn van zowat 3 kilometer staan 7400 gascilinders klaar. Eerst zorgen de Duitsers voor een rookgordijn, pas dan volgt er gas uit de helft van de flessen. Aan geallieerde zijde vallen bijna 600 slachtoffers, onder wie 140 doden.

Twee dagen later (29 april 1916) doen de Duitsers de gasaanval nog eens over, maar na een poos blaast de wind het gas weer in hun richting. Nu vallen er nog meer doden, weliswaar aan beide zijden.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

DuitsSoldaat_Chloorgas.jpg

Louise de Bettignies in Siegburg

Wekelijks steekt Louise de Bettignies de grens over tussen België en Nederland om rapporten naar de Engelse inlichtingendienst te brengen. De Duitse contraspionage weet haar te pakken in oktober 1915. Op 19 april 1916 wordt ze ter dood veroordeeld. In die periode is er fel internationaal protest tegen de terechtstelling van Edith Cavell en wellicht daardoor wordt haar straf omgezet in levenslange dwangarbeid.

Op 21 april 1916 wordt de Bettignies in Siegburg opgesloten. In Frankrijk geniet ze reeds grote bekendheid en ze krijgt van generaal Joffre een eervolle vermelding van het Franse leger. De behandeling in de gevangenis is slecht, ze loopt een pleuritis op die verwaarloosd wordt en sterft op 27 september 1918.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

LouisedeBettignies02

Barthas onderweg naar Verdun

Op 15 april 1916 trok het regiment na het ontbijt naar Noyelles-sur-Mer om daar op de trein te stappen. Officieel was de bestemming onbekend maar iedereen vermoedde dat het doel Verdun was, waar zonder ophouden een reusachtige veldslag plaatsvond. Daarom hoorden we tijdens de mars van tien kilometer naar Noyelles nauwelijks iemand zingen.

Om zeven uur ’s avonds zaten we in de trein, met veertig man samengeperst in beestenwagens zonder stro of banken. Zelfs de kolonel wist niet waar we naartoe gingen. Door elkaar liggend, zonder onze stijve benen te kunnen strekken brachten we in de wagon een akelige nacht door. Om zeven uur ’s ochtends reden we langs Bourget. ’s Middags waren we in Sézanne in Champagne. We reden steeds verder naar het oosten.

Om vier uur ’s middags kwam de trein aan in Vitry-le-François. We wisten nog steeds niet waar we naartoe gingen maar het zou nu wel vlug duidelijk worden : als de trein in de richting van Châlons reed, gingen we naar Champagne waar het op dat moment rustig was; reed hij verder naar het oosten, dan was er geen twijfel mogelijk : dan gingen we naar Verdun ! Het laatste was helaas het geval. Nog dezelfde avond stapten we uit op het station van Revigny.

Rond middernacht kwamen we in een dorpje aan (Villers-le-Sec) waar mijn afdeling in een kleine, half verwoeste loods werd ondergebracht. Als bed hadden we een beetje stro van twijfelachtig allooi. De dag daarop, op 17 april, mochten we rusten want we moesten hierna verder naar Verdun.

Op 18 april om acht uur ’s morgens verlieten we Villers-le-Sec. De regen viel weer bij bakken uit de hemel. ’s Middags arriveerden we in Noyers 

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen

JeanLefort_leWagon

Jean Lefort – le Wagon

Russen in Marseille

Dezer dagen (2e helft april 1916) landen in Marseille Russische troepen om de geallieerden te ondersteunen in hun strijd tegen het Duitse leger op het westelijk front. Reeds in 1915 had Frankrijk om Russische troepen gevraagd in ruil voor munitie. De tsaar was weinig enthousiast over het Franse voorstel, maar uiteindelijk komt er een Russische brigade naar Marseille.
Bijkomend zenden de Russen in augustus 1916 ook enkele brigades naar het Macedonisch front om daar de geallieerden te steunen. Eveneens in augustus landt er nog een Russische brigade in Frankrijk.

De Russische troepen, waaronder ook 450 Esten, vechten op diverse plaatsen in Frankrijk. Ongeveer duizend van hen liggen begraven op het Cimetière Militaire Russe de Saint-Hilaire le Grand, nabij Mourmelon-le-Grand in het departement Marne.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Russen_Marseille_1916.jpg

la voie sacrée, levensader van Verdun

la voie sacrée, levensader van Verdun

Als de Duitsers de slag om Verdun beginnen in februari 1916, hebben ze 14 spoorlijnen waarmee ze troepen en materieel naar het front kunnen aanvoeren. De Fransen staan er veel slechter voor : ze hebben maar twee spoorlijnen, waarvan er één geregeld onder Duits artillerievuur ligt en de andere spoorlijn voert regelrecht naar de vijandelijke linies.

Gelukkig is er nog een kleinere spoorlijn, “le Petit Meusien“, net genoeg om een klein garnizoen in vredestijd te bevoorraden. Daarnaast is er nog een weg van 65 kilometer die gaat van het station van Baudonvilliers tot aan de Moulin-Brûlé, op 8 kilometer van Verdun. Gedurende vier maanden zal deze weg bijna volledig het transport verzekeren van de troepen, munitie en materieel. De Petit Meusien wordt ingeschakeld voor het vervoer van levensmiddelen en de evacuatie van gewonden.

Het is kapitein Joseph Doumenc die op 19 februari, 2 dagen voor de Duitse aanval, de weg volledig vrij maakt voor militair vervoer. Op dat moment beschikt men slechts over 700 voertuigen. Op 27 februari heeft men dat aantal laten stijgen tot 3500 vrachtwagens, 2000 personenwagens, 800 ambulances en 200 bussen. Het vervoer zal men organiseren zoals een reuzenscheprad. Net zoals dit rad bestaande uit verschillende emmers met iedere emmer vers water aanbrengt, zal ieder voertuig materieel en soldaten naar het front brengen.

Op de voie sacrée rijden er voortdurend 8.000 voertuigen. Om de veertien seconden passert er een nieuw voertuig, 7 dagen op 7 en 24 uur per dag. Er is ook per type een maximumsnelheid voorzien : 4 km/u voor de artillerievoertuigen, 15 km/u voor de vrachtwagens en 25 km/U voor de bestelwagens. Enkel ambulances en stafwagens hebben de toelating voorbij te steken. De soldaten van de genie onderhouden onophoudelijk de weg, herstellen gaten en zorgen er ook voor dat wagens in panne ogenblikkelijk van de weg afgeduwd worden.

la-voie-sacree_GeorgesScott.jpg

la voie sacrée van Georges Scott

Kresten Andresen hoort over de honger in Duitsland

Kresten Andresen is een Deen, die de pech heeft in voormalig Deens gebied in Sleeswijk-Holstein te wonen. Sinds de tweede Duits-Deense oorlog (1864) is het gebied van Denemarken naar Duitsland verhuisd. En dus kent het Duitse leger ook heel wat Deenstaligen. Peter Englund heeft de brieven en dagboeken van Kresten Andresen gelezen en noteert voor 28 maart 1916 het volgende.

Kresten Andresen beleeft zijn twintigste maand in uniform in Montigny, Frankrijk en is zijn oude hoop op een snelle vrede gaan verliezen. Hij is zeker niet de enige die frustratie voelt over deze oorlog die maar blijft doorzieken tegen steeds hogere kosten. In alle oorlogvoerende landen heerst inflatie en gebrek aan levensmiddelen, maar de hardst getroffen landen – naast Rusland – zijn Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Niet alleen de zeeblokkade van de geallieerden blijkt moorddadig effectief, ook de proviandering is getroffen door een administratieve lichtzinnigheid, door gebrek aan vervoer en door het feit dat zo veel boeren en landarbeiders onder de wapenen zijn geroepen.

Andresen heeft andere soldaten ontmoet die zijn teruggekeerd van hun verloven en ontstellende verhalen hebben gehoord.

Iemand vertelde over iets dat nog het meest op oproer leek in Bremen, waar grote hordes vrouwen etalages stuksloegen en de winkels bestormden.  Mortensen uit Skibelund heeft een man uit Hamburg ontmoet die thuis was weggegaan terwijl hij nog vier dagen van zijn verlof over had, omdat zijn vrouw hem niet meer te eten kon geven.

bronnen
Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

http://denstorekrig1914-1918.dk/28-marts-1916-kresten-andresen-bange-overgaa-andre-regimenter/

HungerErsterWeltkrieg