Mars op Bolzano

Aan het einde van de Groote Oorlog is Zuid – Tirol toegewezen aan Italië. De Duitstalige stad Bozen krijgt daarop de Italiaanse naam Bolzano. Met de opkomst van de fascisten wordt de druk op de Duitstalige bevolking steeds harder. Eén van de favoriete doelwitten is Julius Perathoner, burgemeester van de stad Bozen/Bolzano vanaf 1895. Perathoner is bij aanvang een pleitbezorger van vreedzaam samenleven tussen burgers van Duitse en Italiaanse nationaliteit , maar door de polarisatie verandert hij van gedachte en hij neemt standpunten in van hard verzet tegen elke vorm van Italianisering . Bij verschillende gelegenheden weigert Perathoner de Italiaanse driekleur op de gebouwen van de stad te hijsen.

Aan Italiaanse kant vinden we de fascist Achille Starace. Hij zet aan tot geweld tegen de Duitstalige bevolking in april 1921. Daarbij vallen een dode en verscheidene gewonden. De spanning blijft toenemen to de fascisten in september 1922 een ultimatum stellen. Burgemeester Perathoner moet ontslag nemen en het onderwijs in de plaatselijke Elisabethschule gebeurt voortaan in het Italiaans. Een voorgesteld compromis wordt van de hand gewezen.

Bij zonsopgang op 1 oktober 1922 bezetten de fascisten de Elisabethschule , die onmiddellijk wordt omgedoopt tot “Regina Elena-school”. De volgende dag wordt het stadhuis van Bolzano belegerd en men dreigt daar brand te stichten als Perathoner niet wordt ontslagen .

Zoals al eerder is gebeurd, grijpen noch de politie, noch de Carabinieri in om de fascistische squadrons te stoppen. Ook de Italiaanse politieke machthebbers zwichten voor de fascistische druk.  Op 2 oktober 1922 verklaart de regering Perathoner ontslagen uit het ambt van burgemeester.

Slechts drie weken later brengt de Mars naar Rome Benito Mussolini aan de macht. De mars naar Bolzano is door sommige historici beschouwd als een “generale repetitie” voor de definitieve omverwerping van de liberale staat door het fascisme.

bron : https://it.wikipedia.org/wiki/Marcia_su_Bolzano

de Chanak crisis

Nu de Turken Smyrna hebben veroverd en het Griekse leger op de vlucht is, is de vraag wat de volgende stap van veldmaarschalk Mustafa Kemal zal zijn. Als Constantinopel zijn einddoel is, en dat is meer dan waarschijnlijk, dan kan het tot gevechten komen met het Britse leger dat daar gestationeerd is sinds het einde van de Groote Oorlog.

In een interview gepubliceerd op Daily Mail , 15 september 1922, verklaart de leider van de Turkse nationale beweging Mustafa Kemal dat “onze eisen na onze recente overwinning hetzelfde blijven als voorheen. We vragen om Klein-Azië , Thracië tot aan de rivier Maritsa en Constantinopel  … We moeten onze hoofdstad hebben en ik zou in dat geval verplicht zijn om door te marcheren tot in Constantinopel met mijn leger, wat een aangelegenheid van slechts een paar dagen zal zijn. Ik verkies de stad te verkrijgen door middel van onderhandelingen, hoewel ik natuurlijk niet oneindig kan wachten.” Het Britse kabinet komt op dezelfde dag bijeen en besluit dat de Britse troepen hun posities moeten handhaven. De volgende dag, in afwezigheid van minister van Buitenlandse Zaken Lord Curzon , geven bepaalde ministers van het kabinet een communiqué uit waarin ze Turkije bedreigen met een oorlogsverklaring door Groot-Brittannië en de Dominions , op grond van het feit dat Turkije het Verdrag van Sèvres heeft geschonden . Op 18 september, bij zijn terugkeer in Londen, wijst Curzon erop dat dit de premier van Frankrijk , Raymond Poincaré , woedend zal maken, en hij vertrekt naar Parijs om te proberen de zaken glad te strijken. Poincaré heeft echter al de terugtrekking van het Franse detachement bij Chanak (Çanakkale in het Turks) bevolen, maar haalt de Turken over om de neutrale zone te respecteren. Curzon bereikt Parijs op 20 september 1922 en bereikt, na verschillende boze ontmoetingen met Poincaré, overeenstemming over een wapenstilstand met de Turken.  

Maar de Turken zitten ook niet stil. Ernest Hemingway, oorlogscorrespondent voor The Toronto Daily Star is aanwezig bij het volgende incident.

Een andere nacht houdt een torpedobootjager een bootlading Turkse vrouwen tegen die vanuit Klein-Azië aan het oversteken zijn. Bij het zoeken naar wapens blijken alle vrouwen mannen te zijn. Ze zijn allemaal bewapend en blijken later kemalistische officieren te zijn die zijn uitgezonden om de Turkse bevolking in de buitenwijken te organiseren in geval van een aanval op Constantinopel.

In de Britse politiek zijn Lloyd George, Winston Churchill en de conservatieven Lord Birkenhead en Austen Chamberlain pro-Grieks en willen oorlog. Alle andere conservatieven van de coalitie in zijn regering verwerpen oorlog. De positie van Lloyd George als hoofd van de coalitie wordt onhoudbaar. Zijn kabinet is beïnvloed door valse inlichtingen, waaronder de mogelijkheid dat Turkije een militaire overeenkomst kan sluiten met Sovjet-Rusland . Hoewel MI6 meldde dat Turkije en Sovjet-Rusland al uit elkaar dreven, blijft het kabinet bezorgd over een interventie door de Sovjet-marine. Churchill publiceert een pro-oorlogsmanifest dat waarschuwt voor een grootschalig Turks offensief in Europa dat het resultaat van de oorlog ongedaan zal maken. Dit manifest wordt in binnen- en buitenland bekritiseerd en brengt de Britse regering in verlegenheid. Onder meer de premier van Canada is ontstemd omdat hij niet eerst geraadpleegd is over de mogelijkheid van een oorlogsverklaring. En bovendien wil de Brits publieke opinie niets van oorlog weten.

Op 23 september 1922 besluit het Britse kabinet Oost-Thracië aan de Turken te geven, waardoor de Grieken het zonder slag of stoot moeten verlaten. Dit overtuigt Kemal om de opening van wapenstilstandsbesprekingen te accepteren en op 28 september vertelt hij de Britten dat hij zijn troepen heeft bevolen elk incident in Chanak te vermijden. Daarmee is elke oorlogsdreiging geweken.

bron : https://en.wikipedia.org/wiki/Chanak_Crisis

Smyrna gaat deels in vlammen op

Smyrna gaat deels in vlammen op

Op 9 september 1922 is de stad Smyrna overspoeld door de hartstochten die in een decennium van oorlog voeren zijn gewekt. Als de Turkse cavalerie deze ooit welvarendste en meest kosmopolitische stad van het Ottomaanse rijk binnenrijdt, kijkt de christelijke meerderheid van de bevolking in nerveuze afwachting toe. Smyrna is een stad waarin moslims, jode, Armeniërs en Grieks-orthodoxe christenen eeuwenlang min of meer vreedzaam hebben samengeleefd. Maar na bijna tien jaar oorlog zijn de onderlingen etnische verhoudingen in de stad verstoord. Het Ottomaanse rijk is tijdens de Balkanoorlogen van 1912 en 1913 Europese gebieden kwijt geraakt. En nadat het aan de kant van Duitsland heeft gevochten, zijn ook de Arabische gebieden ontnomen door Britten en Fransen. Na de Groote Oorlog is er een drie jaar durend conflict uitgevochten tussen Grieken en Turken, dat gekenmerkt is door talrijke wreedheden jegens moslims en christenen.

In september worden een aantal rekeningen vereffend nu duidelijk is wie de oorlog gewonnen heeft. Vlak nadat het Turkse leger Smyrna heeft veroverd, arresteren soldaten de orthodoxe aartsbisschop Chrysostomos, een uitgesproken voorstander van de Griekse invasie, en dragen hem over aan hun commandant, generaal-majoor Sakalli Nuredin Pasja. De generaal levert Chrysostomos uit aan een Turkse mensenmassa. Een waarnemer, een Franse matroos vertelt :

De massa stortte zich met rauwe kreten op Chrysostomos en sleepte hem door de straat tot bij een kapperszaak, waar Ismael, de Joodse eigenaar, zenuwachtig in de deuropening toekeek. Iemand duwde de kapper opzij, greep een wit laken en knoopte dat om Chrysostomos’ nek. Hij riep :”We gaan hem scheren.”. Ze rukten de prelaat zijn baard uit, staken zijn ogen uit met hun mes, sneden zijn oren , zijn neus en zijn handen af. Niemand kwam tussenbeide. Ze sleepten vervolgens het verminkte lichaam van Chrysostomos naar een nabijgelegen straatje, waar ze hem in een hoek gooiden en lieten creperen. (Volgens andere bronnen eindigde het nog gruwelijker met het vierendelen van Chrysostomos).

De gewelddadige dood van de orthodoxe metropolie van Smyrna is slechts de ouverturen van een golf van geweldsorgieën. In de loop van de volgende twee weken worden naar schatting 30.000 Grieken en Armeniërs afgeslacht. Nog veel meer worden er beroofd, in elkaar geslagen of verkracht door Turkse soldaten, paramilitaire troepen en plaatselijke tienerbendes.

In de namiddag van 13 september 1922 gaan in de Armeense wijk van de stad de eerste huizen in vlammen op. De volgende ochtend staan ook de meeste christelijke wijken van Smyrna in brand. Binnen enkele uren hebben duizenden mannen, vrouwen en kinderen hun toevlucht gezocht aan de kade. Terwijl Turkse troepen de kade afsluiten, proberen veel wanhopige vluchtelingen de geallieerde schepen in de haven te bereiken. ALs het steeds duidelijker wordt dat de geallieerden niet zullen ingrijpen, plegen enkele angstige Grieken zelfmoord door het water in te springen en zicht te verdrinken. Anderen willen zich zwemmend in veiligheid brengen, terwijl ze als een razende een van de geallieerde schepen proberen te bereiken. Kinderen en bejaarden worden onder de voet gelopen door een massa die wanhopig tracht te ontsnappen aan de ondraaglijke hitte van de brandende gebouwen om hen heen. Vee en paarden, die onmogelijk te evacueren zijn, breken hun voorpoten voordat ze in het water worden geduwd om te verdrinken – een tafereel dat wordt vereeuwigd in het korte verhaal “on the Quai at Smyrna”, geschreven door de dan nog onbekende buitenland correspondent van the Toronto Star, Ernest Hemingway.

bron : Robert Gerwarth, de verslagenen, Balans

Bang afwachten temidden van chaos

In september 1922 wachten de christelijke en Armeense burgers van Smyrna bang af op wat komen gaat. De chaos die ze in hun stad zien is een gevolg van de aanval van het opgefriste leger van Mustafa Kemal die op 26 augustus 1922 begonnen is. Vier dagen later stort de Griekse verdediging rond Afyon in. Doordat de Grieken geen nieuwe defensieve positie kunnen innemen, neemt de chaos toe. Angst maakt zich meester van de Griekse soldaten in Centraal-Anatolië. Velen van hen negeren hun orders en trekken zich in paniek terug. De ineenstorting van de militaire discipline tijdens de lange terugtocht naar de kust van westelijk Anatolië manifesteert zich in wilde daden van vergelding tegen de Turkse burgerbevolking. Griekse soldaten maken hele dorpen met de grond gelijk waaronder Uşak, Alaşehir en Manisa. Een katholieke missionaris in de regio merkt daarover op :”De Grieken hebben nu elk recht verspeeld om over Turkse barbarij te spreken.”.

Haastig in elkaar geflanste evacuatieplannen worden in werking gezet als tienduizenden Griekse soldaten zich in ijltempo terugtrekken naar de kust, waar de schepen liggen. De verliezen van het Griekse leger tijdens de campagne in Klein-Azië zijn opgelopen tot 23.000 doden en 50.000 gewonden, naast de 18.000 krijgsgevangenen. Het is de grootste militaire nederlaag in de moderne Griekse geschiedenis.

De soldaten worden weliswaar geëvacueerd, maar dat geldt niet voor de christelijke burgers in Anatolië. In het kielzog van het terugtrekkende Griekse leger komen tienduizenden vluchtelingen uit dorpen in heel West-Anatolië naar Smyrna. Begin september 1922 lijkt de stad op een enorm vluchtelingenkamp, waar duizenden etnische Grieken op straten en in parken kamperen. Hun hoop dat ze tegen Turkse wraakacties zullen worden beschermd, is gebaseerd op de aanwezigheid van geallieerde schepen en soldaten voor de kusten van de stad. Wat ze niet weten, is dat de geallieerden geen enkele intentie hebben militair in te grijpen in het Grieks-Turkse conflict.

De Griekse autoriteiten voelen er ook weinig voor een massale uittocht van christelijke burgers uit West-Anatolië mogelijk te maken. Terwijl de Hoge Commissaris in Smyrna, Aristeidis Stergiadis, op 1 september in een vertrouwelijke verordening alle Griekse bestuurders van de stad verzoekt hun boeltje te pakken en zich voor te bereiden op een evacuatie, verzekert hij de christenen van Smyrna in het openbaar dat ze niets te vrezen hebben. Een van de redenen om zelfs niet een deel van de bevolking van Smyrna te evacueren, is de angst dat de massale komst van verarmde vluchtelingen naar Athene tot een revolutie zou kunnen leiden.

In de ochtend van 8 september 1922 vertrekt Stergiadis op een Brits schip. Smyrna is in de steek gelaten; Zijn christelijke inwoners en vluchtelingen zijn achtergelaten in de hoop dat het oprukkende Turkse leger en de partizanen met hen genade zullen hebben.

bron : Robert Gerwarth, de verslagenen, Balans, 2016

intocht van de Turken in Smyrna (nu Izmir).
het groot offensief

het groot offensief

Mustafa Kemal heeft het moment afgewacht waarop hij met de Grieken kan afrekenen. Sinds de zomer van 1921 zijn er geen grote veldslagen meer geweest. Die tussentijd heeft Kemal nuttig gebruikt om zijn leger verder uit te breiden en via diplomatieke wegen weet hij de sympathie van Fransen en Italianen voor de Turkse zaak te winnen. De pro-Griekse Britten houden zich eerder gedeisd. Van de Sovjet-Unie krijgt Kemal de nodige wapens en financiële middelen.

Op 26 augustus 1922 begint het groot offensief met een actie van de Turkse cavalerie. In de vroege uurtjes doorbreken zij de Griekse linies om de telegraaflijnen en de spoorlijn te saboteren. Daarmee is de communicatie tussen het Griekse hoofdkwartier en de eerste linies al verstoord. Bovendien kunnen versterkingen minder snel aangevoerd worden.

In de ochtend van 26 augustus neemt de Turkse artillerie de Griekse linies onder vuur. De Griekse artillerie is veel zwakker en weet zich nauwelijks te verweren. Daarna onderneemt de Turkse infanterie een stormaanval. Tegen de middag zijn de eerste linies van de Grieken onder de voet gelopen.

Het Griekse hoofdkwartier in Smyrna heeft geen duidelijk beeld van de gebeurtenissen maar bereidt wel een tegenaanval voor. Die zal uitgevoerd worden op 28 augustus. Maar aan het front worden er andere orders uitgevaardigd door commandanten die wel een zicht hebben op de gebeurtenissen.

Op 27 augustus volgt een nieuwe aanval van de Turkse artillerie. De Grieken beginnen zich tegen de avond terug te trekken in de richting van Dumlupinar. Die terugtocht wordt niet goed gecommuniceerd wardoor bepaalde Griekse korpsen ter plaatse blijven. Hierdoor ontstaat er een gat in de Griekse linies. Als op 28 augustus de laatste Griekse soldaten zich dan ook terugtrekken, worden ze in de flank aangevallen door de Turken .

Er zijn nu twee grote Griekse legerkorpsen op de terugtocht, het ene korps onder leiding van generaal-majoor Frangou en het andere onder leiding van generaal-majoor Trikoupis. De Turken voorkomen dat beide legerkorpsen met mekaar contact kunnen maken tijdens de terugtocht. Op 29 augustus wordt het korps van Trikoupis omsingeld. De Grieken verzetten zich en dit leidt tot de slag bij Hamurköy-İlbulak Dağ. Beide zijden lijden hevige verliezen. Aan het einde van de dag trekken de Grieken van Trikoupis zich terug naar Çalköy. Ondertussen bezet het korps van Frangou-groep die dag een front van 20 km rond Dumlupınar. Hun positie wordt aangevallen en de rechterflank wordt met weinig strijd gebroken. Om een ​​raam van hoop open te laten voor de soldaten van Trikoupis om zich terug te trekken naar Dumlupınar, beveelt Frangou zijn linkerflank om tegen elke prijs posities in te nemen.

In de ochtend van 30 augustus komen de soldaten van Trikoupis aan in Çalköy. Tijd om een stand van zaken op te maken : de voedselvoorraden zijn volledig uitgeput en de munitievoorraden zijn er niet veel beter aan toe. Bovendien is het moraal van de mannen ondermaats. In plaats van een stellingname beslist Trikoupis verder terug te trekken naar Alıören . Maar hij heeft kostbare tijd verloren en de Turken versperren de weg en de Turkse artillerie neemt de Grieken onder vuur. Door de slag bij Alıören breekt het korps van Trikoupis in drie colonnes. Aan het einde van de dag hervatten die drie colonnes hun terugtocht naar het westen. Twee colonnes, waaronder Trikoupis zelf, geven zich over aan de Turken op 1 september. Een derde colonne weet te ontsnappen maar heeft elke gevechtswaarde verloren.

Diezelfde dag vallen de Turken het korps van Frangou aan. De Grieken verweren zich heftit maar om 23u30 besluit Frangou het gevecht af te breken en zich terug te trekken naar Banaz. Het groot offensief is definitief van karakter veranderd. Het is geen reeks van veldslagen meer, het is een hopeloze vlucht van de Grieken opgejaagd door de Turken.

bronnen
https://nl.wikipedia.org/wiki/Grote_Offensief

https://en.wikipedia.org/wiki/Battle_of_Dumlup%C4%B1nar


de laatste dagen van Michael Collins

In augustus 1922 woedt de burgeroorlog in Ierland. Het conflict draait rond het al dan niet aanvaarden van het Brits-Ierse verdrag dat Ierland de status van Vrijstaat geeft maar niet van republiek. De tegenstanders van het verdrag verzamelen zich in het Iers republikeins leger (Irish Republican Army of IRA). De voorstanders van het verdrag horen bij het Iers nationaal leger onder leiding van Michael Collins. Maar in de zomer van 1922 zal het Iers nationaal leger zijn opperbevelhebber verliezen.

Omdat Michael Collins ziek en koortsig is, adviseert zijn arts de reis uit te stellen. Maar hij vertrekt toch. Collins’ konvooi verlaat Dublin, op zondag 20 augustus om 5.15 uur en maakt zijn eerste stop bij Maryborough Jail (nu Portlaoise Prison), waar Collins het overbrengen van een aantal gevangenen bespreekt naar het kamp van Gormanstown om de overbevolkte omstandigheden te verlichten. 

Daarna gaat het konvooi naar Roscrea Barracks voor een inspectie en ontbijt. In de Limerick-kazerne ontmoet Collins generaal Eoin O’Duffy.  Het konvooi rijdt vervolgens door Mallow en ze brengen die nacht door in Cork City, waar hij verblijft op het militaire hoofdkwartier in het Imperial Hotel. Die avond ontmoet Collins zijn zus, Mary Collins-Powell, en haar zoon, Seán, en de rest van de avond dient voor overleg met generaal Emmet Dalton

Op maandag 21 augustus bezoekt Collins zijn zus, en heeft hij weer overleg met generaal Dalton.  Collins bezoekt ook enkele lokale banken in een poging om republikeinse fondsen op te sporen. In juli heeft de IRA  120.000 pond aan douane-inkomsten verzameld en dit geld verborgen op de rekeningen van sympathisanten. Bij elke bank zegt Collins tegen hun managers dat ze de deuren moeten sluiten en dat ze de banken alleen zouden laten heropenen als de managers volledig meewerken. 

Collins en Dalton reizen vervolgens de vijftig kilometer naar Macroom waar Collins Florence O’Donoghue ontmoet, een IRA lid en een van de leiders in County Cork in de Onafhankelijkheidsoorlog, maar die neutraal is in de burgeroorlog.  O’Donoghue erkent dat de IRA  de oorlog niet kan winnen en dat Collins naar het zuiden komt op zoek naar vrede. Collins probeert  de oorlog te beëindigen en de leiders aan de andere kant een overeenkomst te geven.  Na de lunch in het Imperial gaan ze op pad om het leger in Cobh te bekijken en keren in de vroege avond terug naar Cork.

Collins’ gezelschap verlaat het Imperial Hotel, Cork, op dinsdag 22 augustus om 6.15 uur. Het militaire escorte is veel te klein voor de bescherming van de opperbevelhebber van de Vrijstaat, vooral omdat ze door enkele van de meest actieve anti-verdragsgebieden van Zuid-Cork zullen reizen. Het konvooi gaat rond 8 uur door Macroom richting Béal na mBláth, waar het stopt om een ​​routebeschrijving te krijgen, vervolgens door Crookstown en vervolgens naar Bandon.

In Bandon ontmoet Collins kort generaal-majoor Seán Hales. Bij Clonakilty stopte het konvooi voor de lunch in Callinan’s Pub. ’s Middags gaat het konvooi naar Roscarberry en Collins drinkt wat in de Four Alls Pub (eigendom van zijn neef Jeremiah) bij Sam’s Cross, waar Collins verklaart: ‘Ik ga dit regelen. Ik ga een einde maken aan deze bloedige oorlog.” . Op de terugweg passeert Collins’ gezelschap de verbrande overblijfselen van zijn ouderlijk huis, Woodfield, en Collins wijst naar de ruige stenen muren. ‘Daar,’ zegt hij tegen Dalton, ‘daar ben ik geboren. Dat was mijn thuis.” 

Het konvooi verlaat om 17.00 uur het Eldon Hotel in Skibbereen en keert terug naar Cork. Collins ontmoet op deze reis zijn grote vriend John L. Sullivan. Het konvooi maakt op de terugweg een omleiding rond Clonakilty vanwege een wegblokkade. Het stopt bij Lee’s Hotel in Bandon voor thee. 

Maar ondertussen hebben de republikeinen niet stil gezeten. In de vroege ochtend van dinsdag 22 augustus komt het hinderlaaggezelschap bijeen in Long’s Pub . De mannen die zich in Béal na mBláth verzamelen, zijn officieren die getraind zijn in guerrillaoorlogvoering en die bijeenkomen om een ​​ stafvergadering te houden.   Ze zien de mogelijkheid om het ​​vijandelijk konvooi op zijn terugreis te overmeesteren en besluiten de uitdaging aan te gaan en het in een hinderlaag te lokken.

De hinderlaag vindt plaats in Béal na mBláth  net voor zonsondergang, om 19.30 uur. Zodra de eerste schoten worden gelost, geeft Collins het bevel : “Stop, we zullen tegen ze vechten.”. Het Lewis-machinegeweer in de pantserwagen loopt verschillende keren vast en zodra dat gebeurt, profiteren de republikeinen van de stilte in het vuren om hun posities te verplaatsen.

Dan rent Collins ongeveer vijftien meter de weg op, valt in een vooroverliggende schietpositie en schiet op de republikeinen op de heuvel. Dalton hoort dan de zwakke kreet: “Emmet, ik ben geraakt.” Dalton en commandant Seán O’Connell rennen naar de plek waar Collins met zijn gezicht naar beneden op de weg ligt en vinden een angstaanjagende gapende wond aan de basis van zijn schedel achter het rechteroor. . … O’Connell knielt nu naast de stervende Collins die nog bij bewustzijn is, en fluistert in het oor van de snel zinkende man troostende woorden. Ze proberen nog de wonde te verbinden maar al snel zien ze dat Michael Collins dood is.

bron : https://www.irishcentral.com/roots/history/michael-collins-death-timeline

Michael Collins

geruchten van de Turkse voorposten

Sinds de zomer van 1921, waarbij de Turken het Griekse leger voor Ankara tot staan brachten, zijn er geen grote veldslagen meer geweest. De Griekse en Turkse posities blijven grotendeels ongewijzigd. Grieken proberen tevergeefs steun te krijgen van de Britten en Fransen. Ondertussen versterkt Mustafa Kemal zijn leger verder in afwachting van het grote moment. En dan komen er hoopvolle berichten van de Turkse voorposten. Die berichten sijpelen door tot in de achterhoede waar de Duitse officier in Turkse dienst Hans Tröbst die ook opvangt. We laten hem hieronder in zijn dagboek aan het woord. Op 2 augustus 1922 noteert Tröbst het volgende :

Bij de Turkse voorposten zijn er burgers uit Afyonkarahisar verschenen met de melding :”De Grieken zijn weg, ze hebben de ganse spoorweg naar Smyrna bij hun terugtocht vernield. Wij hebben geen overheid meer, komt alstublieft. “. Aangenomen dat dit waar is en dat Eskişehir ontruimd is, dan beoordeel ik dit op een andere manier als de triomferende Turken. Deze veldtocht is niet op een militaire manier maar een politieke manier gevoerd. Sinds weken is het een publiek geheim dat de Grieken ijverig evacueren en ontruimen. Als men een gedemoraliseerd leger aanvalt, en dat is het Griekse leger zeker, dan mag je met 75% waarschijnlijkheid aannemen dat die kerels het op een lopen zetten. Ali Ishan Pasha had om die reden willen aanvallen, maar het parlement heeft hiervoor geen toestemming gegeven. En daarom heeft hij zijn ontslag ingediend.

En terwijl de evacuering volop bezig is, verschijnt de Britse generaal Townshend. Daar zie ik verbanden tussen. Volgens mij hebben de Engelsen de Grieken gedwongen om te ontruimen, en Townshend is met dit bericht en Engelse voorstellen of moet ik zeggen voorwaarden naar Ankara gekomen. Misschien moeten de Grieken terug naar de Sèvres-linie, die hun oorspronkelijk op basis van het vredesverdrag door de Entente is gegarandeerd. Griekenland heeft zich door de oorlog financieel geruïneerd en het heeft de ENgelse leveringen contant moeten betalen. Nu moppert men dat de Engelsen Saloniki van de Grieken als betaling willen. Dat zou nog eens een leuk Engels geschenk zijn. Engeland heeft zich al alle bgrote bronnen van inkomsten laten verpandenen nu dwingt het ook nog Saloniki af en laat Griekenland als een uitgeperste citroen achter.

Nu ben ik toch zeer benieuwd hoe het theaterstuk verder loopt. Gaan de Grieken weglopen tot Smyrna of zelfs Athene ? In ieder geval ligt de weg naar Konstantinopel open en is de woede tegen Engeland groot. Wat nu ?

bron : Hans Tröbst – Mit den Kemalisten Kreuz und Quer durch Anatolien – (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Hans Tröbst uiterst links op de foto in gezelschap van 3 andere Duitsers – Ankara 1921

slag om Kilmallock

De Ierse burgeroorlog is het resultaat van een splitsing in de Ierse Republikeinse beweging na de ondertekening van het Engels-Ierse Verdrag in 1921. Het Verdrag verleent Ierland zelfbestuur als een heerschappij binnen het Britse rijk en maakt ook de opdeling van de zes graafschappen van Ulster mogelijk . Voor velen binnen de Republikeinse beweging wordt dit als onaanvaardbaar gezien en als een verraad dat leidt tot een splitsing tot voor- en tegenstanders van het verdrag. Na mislukte pogingen om vreedzame oplossingen te vinden, beginnen zowel het Iers Nationale Leger (voorstander) als het Iers Republikeinse Leger (IRA – tegenstander) strategische locaties te bezetten.

Dit leidt tot de eerste vijandelijkheden, maar pas op 27 juni 1922 begint de Ierse burgeroorlog met het bombardement door het Nationale Leger van de Four Courts in Dublin, dat bezet is door de IRA. Na hevige gevechten in heel Dublin, verovert het Nationale Leger de stad en begint het de rest van het land in te trekken.

De IRA slaagt erin om de provincies ten zuidwesten van een lijn gevormd van Limerick naar Waterford (bekend als de Munster Republiek) te houden. Na de val van Limerick City de IRA verdedigingswerken op rond de drie County Limerick-steden Bruff, Bruree en Kilmallock waarbij Kilmallock centraal staat in die verdediging omdat het een belangrijk knooppunt is van weg- en spoorverbindingen naar County Cork.

De gevechten, die op 20 juli 1922 beginnen en duren tot de verovering van Kilmallock door de strijdkrachten van de Vrijstaat op 5 augustus, zijn een van de weinige gevechten tijdens de oorlog waarbij gedefinieerde fronten bestaan tussen de twee tegengestelde partijen met versterkte gebouwen, barricades en zelfs loopgraven worden gebruikt.

Alles start met de aanval door de IRA op Bruff op 20 en 21 juli 1922. Na de val van Limerick City staakt de IRA de aanval tijdelijk, maar de volgende dag zijn ze erin geslaagd Bruff in te nemen. Deze overwinning is echter van korte duur, aangezien het Nationale Leger uiteindelijk op 23 juli Bruff herovert.

De volgende fase van de strijd concentreert zich op de stad Bruree ten westen van Kilmallock. Het Nationale Leger neemt de stad op 30 juli in na hevige gevechten waarbij artillerie en pantserwagens worden ingezet en waarbij verschillende strijders aan beide kanten omkomen. De IRA-commandant Liam Deasy, die het belang van de stad als startpunt voor een aanval op Kilmallock kent, lanceert onmiddellijk een tegenaanval met gepantserde auto’s en loopgraafmortieren. 

Zodra zowel Bruff als Bruree veilig zijn gesteld door het Nationale Leger, plannen de veldcommandanten, generaals Eoin O’Duffy en Murphy, de laatste aanval op Kilmallock. Dit houdt in dat veldartillerie (verkregen uit Groot-Brittannië) wordt ingezet.  Op 3 augustus 1922 maken ongeveer 2000 soldaten van het Nationale Leger, gesteund door pantserwagens en de artillerie, een algemene opmars naar Kilmallock vanuit het westen, noorden en oosten. De meeste gevechten bij Kilmallock vinden plaats op de nabijgelegen heuvels rond de stad. De troepen van het Iers Republikeinse Leger (IRA) hebben meer ervaring dan de troepen van het Nationale Leger, maar naarmate de strijd vordert, is het gebruik van artillerie tegen hun posities veelzeggend en dit dwingt hen uiteindelijk van de heuvels rond Kilmallock.

bron : https://liammck1745.wordpress.com/2018/02/25/the-battle-of-kilmallock-tracing-the-battle-on-the-ground/

Een gevangene van het IRA wordt weggevoerd door een soldaat van het Iers Nationaal Leger

Italiaans links op de barricades

Nadat de fascisten in bepaalde steden de macht hebben overgenomen, komt er van de linkerzijde een antwoord. De Alleanza del Lavoro roept op tot een algemene staking. De oproep, waartoe op 29 juli 1922 wordt besloten, zou geheim blijven tot de avond van 31 juli. Maar de publicatie van het nieuws in de Genuese hervormingsgezinde krant “Il Lavoro” op 30 juli stelt de fascisten in staat zich nationaal te organiseren voor repressie. De fascisten geven de regering 48 uur om de onrust te stoppen, waarna zij zullen ingrijpen.

In Genua, op de eerste dag van de staking, op 1 augustus 1922, zijn er botsingen tussen fascisten en antifascisten, die in de volgende twee dagen toenamen. De politiediensten breken in de nacht van 3 op 4 augustus de barricades op die zijn opgericht om het linkse hoofdkwartier te verdedigen. In die augustus 1922 zijn er doden en gewonden, en talrijke arrestaties en bevelen aan arbeiders om de regio te verlaten. In de volgende dagen bereiken de fascisten het doel van hun financiers, de Genuese reders: de vernietiging van de coöperatieve organisaties van de haven en het herstel van de oude methoden om havenarbeiders uit te buiten.

De staking in augustus toont de vechtlust van de arbeidersklasse. Maar gelanceerd zonder  voorbereiding, benadrukt het eens te meer het gebrek aan leiderschap en verdeeldheid van de linkse partijen en bewegingen in Italië. De lijst met nieuwe verwoestingen van vakbonden en politieke organisaties, volksadministraties beslaat het hele schiereiland.

Er zijn twee gevallen waarin de volkstroepen erin slagen de agressie af te weren : de steden Bari en Parma blijven links. In Parma zijn 15.000 fascisten onder leiding van Italo Balbo die de buurten van Oltre Torrente aanvallen, maar na vijf dagen gevechten met de linkse  Arditi del Popolo moeten ze hun nederlaag toegeven.

bron : Ma a Parma e Bari no pasaràn! – Patria Indipendente

Barricades in Parma – augustus 1922

zwarthemden veroveren de steden

In juli 1922, te midden van verwoesting van socialistische kantoren en politieke moorden, rukken de Italiaanse fascisten onstuitbaar op en zetten het hele land op zijn kop. De een na de ander belanden de grote Italiaanse steden in de handen van de zwarthemden, die de stadscentra bezetten en de ongunstige gemeenteraden verjagen. Na de verovering van Novara zal de fascistische leider Cesare de Vecchio in zijn toespraak op 20 juli 1922 zeggen :”De schuilplaatsen van het rode beest zijn bij honderden vernietigd. Nooit in Italië passeerde meer zuiverende wind en meer leeuwenkracht. Overal schijnt en klopt de driekleur, opnieuw ingewijd tussen de rijstvelden in de brandende julizon.”

De “achtergrond” van juli 1922 verschilt niet zo veel van een jaar dat wordt gekenmerkt door de escalatie van fascistisch geweld. Om deze maand echter centraal te stellen in de etappes die leiden tot de Mars naar Rome, is er de intensivering van een offensief dat enige tijd door de zwarthemden is gelanceerd en dat in de zomer van ’22 een beslissend moment vindt op weg naar de verovering van de macht: het innemen van steden .

Tussen juli en augustus 1922 vallen in feite verschillende belangrijke steden onder de klappen van de squadristi : Cremona, Viterbo, Novara, Rimini, Ravenna, Milaan, Ancona, Bari, Terni, Varese. De stedelijke centra worden binnengevallen door de fascisten, het hoofdkwartier van de oppositie verwoest, de politieke tegenstanders geslagen en vernederd, de onzichtbare administraties verdreven uit de instellingen. Zo komt de ontoereikendheid van de liberale staat en zijn autoriteiten steeds duidelijker naar voren, volledig uitgebuit door het fascisme, dat eind oktober zal profiteren van deze crisis.

bron : https://www.ildolomiti.it/societa/2022/il-domino-delle-citta-dal-sud-al-nord-il-luglio-1922-e-la-presa-fascista-dei-centri-urbani