Deens verjaardagsfeest in Lens

Kresten Andresen is een Deen, die de pech heeft in voormalig Deens gebied in Sleeswijk-Holstein te wonen. Sinds de tweede Duits-Deense oorlog (1864) is het gebied van Denemarken naar Duitsland verhuisd. En dus kent het Duitse leger ook heel wat Deenstaligen. Peter Englund heeft de brieven en dagboeken van Kresten Andresen gelezen en noteert voor 27 november 1915 het volgende verhaal.

Koude regen en storm. Kale, leeggeblazen bomen. Grijs, grijs, alles is grijs : het weer, hun uniformen, de steeds meer aangelengde koffie. Maar deze dag is een vrije dag. Pas vannacht zal hij weer op zijn plek moeten zijn, dus Andresen maakt van de gelegenheid gebruik om een paar vrienden van thuis uit de 2e compagnie te bezoeken. Het is al lang geleden dat hij Deens met iemand heeft kunnen spreken. Hij heeft zich eenzaam gevoeld. (…)

Op het moment zijn ze ingekwartierd in Lens, een middelgrote mijnstad. dat bevalt hem wel, aangezien er meer te zien en meer te doen is dan op het platteland. Andresen loopt door de Rue de la Bataille als het gebeurt. Granaten.

Her en der komen projectielen naar beneden suizen.? Een ongewoon zwaar stuk slaat in een huis even voor Andresen, en hij ziet hoe het grootste deel van het dak een meter of tien de lucht in wordt getild. Hij ziet mensen uit het belendende huis komen rennen. Hij ziet een grote granaatsplinter neerslaan in de goot. Hij ziet water opspatten. Eeerst is hij verlamd maar dan zegt hij tegen zichtzelf :”Je moet rennen.”. En hij rent door de hete, dichte luchtlagen van de drukgolven, door het geluid van nieuwe ontploffingen die van beide kanten over hem heen slaan. En hij bereikt dekking.

Als hij zich weer buiten waagt, is het al gaan schemeren. Het is inmiddels stil (…) Ten slotte bereikt Andresen de 2e compagnie. Een van de Denen daar, Lenger, is jarig, en hij trakteert op koffie en zelfgebakken koekjes. Eindelijk kan Andresen weer Deens praten. Helaas moet hij al snel weer weg.

Wie de brief van Kresten Andresen wil lezen, kan terecht op deze link : http://www.denstorekrig1914-1918.dk/27-november-1915-kresten-andresen/

Het Duitse leger kende ook zijn taalconflicten. Deenstalige soldaten werd afgeraden Deens te praten. Daarover kan je lezen op http://www.denstorekrig1914-1918.dk/3-april-1915-loejtnanten-vil-forbyde-soldaterne-at-tale-dansk-men-hvad-siger-kaptajnen/

De beide links verwijzen naar een Deense website. Google Chrome stelt voor deze website te vertalen. Het is geen perfecte vertaling maar geeft wel een goed idee over de beide onderwerpen

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

DuitseSoldaten_DeenseKranten

soldaten in Duits uniform met Deense kranten

 

 

Raoul Snoeck krijgt de Leopoldsorde

In zijn dagboek noteert Raoul Snoeck het volgende :

RidderLeopoldsorde20 november 1915 : Na drie weken behandeling ben ik bijna genezen. Over veertien dagen ben ik weer op de been en dan krijg ik nog veertien dagen herstelverlof. Daarna keer ik terug naar het front, waar ik misschien wel voor de derde maal gewond raak. Alle goede dingen bestaan uit drie, zegt men, twee is niet genoeg. Het leven is hier eentonig, zelden is er nieuws : of je nu kranten leest of niet, je wordt niets wijzer. De stilte regeert over de hospitaalbedden, er zijn veel meer zieken dan gewonden.

22 november 1915 : Zojuist heb ik in een nummer van ‘Vaderland’ het heuglijke nieuws gelezen dat ik benoemd ben tot  Ridder in de Leopoldsorde, een mooie verrassing. Ik ben fier en gelukkig, vooral voor mijn ouders. Ik verwacht mijn decoratie in het hospitaal, waar ze me die komen opspelden,, een gelegenheid om een klein feestje te bouwen. Ik zou thuis willen zijn om samen met mijn paatje op stap te gaan en te pronken met mijn decoratie. Ik heb altijd gezegd dat ik iets anders nodig heb dan een anjer in mijn knoopsgat

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck – Ducaju & zoon

officiersbordeel in Uzice

De veldtocht is geëindigd met een overwinning. Servië is bezet. Sarajevo is gewroken. De overwinnaars kunnen hun salaris gaan incasseren. Op 14 november 1915 bezoekt Pal Kelemen, cavalerist bij het Oostenrijks-Hongaarse leger, en een paar van zijn collega’s een bordeel dat is gereserveerd voor officieren. Het ligt in Uzice, een stadje aan de rivier Detinja. Kelemen noteert in zijn dagboek.

Donkere hal, vloerkleden, schilderijen aan de muur. Een kromme burger zit op een piano te pingelen. Vier tafels in de vier hoeken. Vier meisjes in een kamer. Twee van hen liggen te rollebollen met een artillerieluitenant. Aan een andere tafel zitten een paar legerofficieren koffie te drinken. (…)

Dat is de scène als we binnenstappen. We gaan aan de enige vrije tafel zitten en bestellen rode wijn, maar als we voorgeproefd hebben, besluiten we toch maar koffie te nemen. In een hoek zit Mohay, mijn cadet, met de grammofoon te pielen, maar zonder succes. Er moet een veer kapot zijn.

Een van de meisjes verlaat de kamer en komt daarna weer terug. Ze springt over een stoel en gaat bij onze cadet op de schoot zitten. De nader, een zwartharig meisje in een rode jurk, ligt languit op een bank naar me te staren.

De tijd verstrijkt. De pianist met het boosaardige gezicht zit nog steeds te spelen. Het is iets wat ik herken – het is de muziek die een, keer thuis voor me gespeeld is, op de kamer van een meisje toen ik langskwam om afscheid te nemen. Het is een eeuwigheid geleden, ver hiervandaan.

Ik sta op en vertrek. Als ze denken dat ik me ziek voel van de wijn, hebben ze het mis.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

de tekening hieronder komt uit de stripreeks Edelweiss van Yann en Hugault

Edelweiss01_03

culinaire meevaller voor Louis Barthas

Op 13 november 1915 zit de Franse korporaal Louis Barthas in Maroeuil om er zes dagen in reserve te blijven. En op de binnenplaats van zijn kwartier ziet Barthas iets bijzonders.

Voor het eerst zag ik in een hoek een wagen staan die niet meer gebruikt werd. (…) Onder de wagen lag een oude lap die ik onwillekeurig met een stok opraapte. En wat vond ik daar ? Twee dikke kippen, goed in het vlees zoals het hoort. Ongetwijfeld had een poilu ze nog dezelfde morgen schaamteloos geslacht en wachtte hij nu de nacht af om ze op te halen.

In alle haast ging ik het grenadier Segueil uit mijn groep melden (…) Ondanks het voortdurende heen en weer geloop op de binnenplaats was het kinderspel voor Segueil de twee kippen in zijn schoudertas weg te moffelen. In een half ingestort huis in Maroeuil waarvan de keuken nog intact was, liet Segueil dezelfde avond nog het gevogelte in twee pannen sudderen. Met twee andere kameraden maakten we er een feest van. We hadden dubbel plezier : een goede maaltijd en dan ook nog de tegenvaller voor de dief die we zelf hadden bestolen.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen

Poilus_Table

Gentenaren ondereen in Rennes

Raoul Snoeck heeft Adinkerke verlaten en is via Calais aanbeland in het hospitaal van Rennes.

4 november 1915 : Ik ben in Rennes. Mijn gezondheid is uitstekend en de wonde bezorgt me niet al te veel last. Ze groeit vlug dicht. Rond de opening waarlangs de kogel mijn lichaam verlaten heeft, vormt zich niettemin een kleine ontsteking.

12 november 1915 : Mijn wonde geneest goed, hoewel ik nog altijd op bevel in mijn ongeluksbed blijf liggen. Ik heb enkele Gentenaars ontmoet, onder andere Albert Vandenabeele en De Keukelaere. Samen keuvelen we over onze goede stad Gent in het Gents natuurlijk. De dagen glijden traag voorbij. De kost is niet famues : twee maaltijden per dag ! Als je geen zieke maag hebt, is dat zeker onvoldoende. Gelukkig kunnen we door een verpleeger laten meebrengen wat we verlangen. Dat is een oplossing voor hen die centen hebben, want in het hospitaal krijgen we geen soldij.

bron : Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, SNoeck-Ducaju & Zoon

Uit sympathie voor het Gents dialect beeld ik hieronder een Gentse leesplank af. We mogen niet vergeten dat Raoul Snoeck zijn dagboek in het Frans schreef. Frans was in die dagen een taal met bijzonder hoog aanzien. Maar als het gaat om een thuisgevoel te hebben in den vreemde, dan kiest Raoul toch voor het Gents.

GentseLeesplank

de kerktoren van Lo gedynamiteerd

Gaston Le Roy noteert het volgende in zijn dagboek

11 november 1915 : Lo, op vijf minuten van onze hoeve, kreeg er vandaag van langs. Met hels gedruis vlogen de granaten hier over. We zien de losbranding, een wolk van stof en aardkluiten en daarna horen we een gerommel in de puinen. Ik vermijd Lo en trek via Pollinkhove naar Linde.

12 november 1915 : Verschrikkelijk slecht weer. Doornat keren we van het werk terug. Geen weer om een hond door te jagen. De kerktoren van Lo werd ondermijnd een gedynamiteerd, een mikpunt minder voor de vijand.

Omdat het Belgische leger de toren van de Sint-Pieterskerk in Lo als uitkijkpost gebruikt, zien de Duitse schutters het gebouw als een belangrijk doelwit. De vijandelijke beschieting treft evenwel ook talrijke huizen en andere burgerlijke gebouwen. Om een verdere vernietiging van Lo te voorkomen, krijgt de Belgische genie de opdracht de kerktoren op te blazen.

Veel van het kerkmeubilair en de kunstschatten waren een jaar geleden al uit de Sint-Pieterskerk gehaald en overgebracht naar Gyverinckhove, dat minder dicht bij het front ligt. Na de oorlog wordt de kerk identiek heropgebouwd, zij het minder hoog dan oorspronkelijk.

Toeristische tip : de Sint-Pieterskerk (oude Eiermarkt, Lo) is rijkelijk voorzien van kunstwerken en kerkmeubilair uit de 17e en 18e eeuw.

bronnen

André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

de kerk van Lo

de kerk van Lo

Twee dagen verlof in Saint-Quentin

Herbert Sulzbach noteert het volgende in zijn dagboek op 8 november 1915.

Ik ga met luitenant Reinhardt voor twee dagen verlof naar Saint-Quentin. Het is een heerlijk gevoel om terug in een snelle trein te zitten en ook de rit was aangenaam. We waren samen met een jolige bende infanteristen die op verlof naar hun thuis mochten gaan. Saint-Quentin, dat door onze soldaten wordt uitgesproken als “Sang-Kang-Teng”, is een hele mooie stad, gelegen achter het front en nog steeds onbeschadigd. Je ziet er heel wat hogere officieren, en tijdens het wandelen door de stad, ontmoette ik heel wat bekenden. Er zijn heel wat soldaten gelegerd als reserve. Er is een Duits theatergezelschap en sommige acteurs komen van het Frankfurt zomertheater. We krijgen een overnachtingsplaats toegewezen door de stadsKommandantur. Mijn kamer ligt tegenover de kamer van luitenant Reinhardt en ik heb een zalig bed – de bron van alle geluk voor een frontsoldaat. Luitenant Reinhardt heeft zijn broer Kurt gevraagd om morgen ook naar Saint-Quentin te komen.

Zalige nacht in een zacht bed. De volgende morgen maakte ik het ontbijt voor luitenant Reinhardt klaar. Toen kwam Kurt aan in een tweewielige koets en tot onze verbazing was er een charmante kleine demoiselle naast hem. Het waren twee vredige dagen in Saint-Quentin, ook al zou het leven in de achterhoede me op de lange duur niet bevallen. Het doet te veel denken aan het kazerneleven en de burgers zijn er zeer gereserveerd.

Op 11 november gaan we terug naar onze artilleriestellingen. Het is nog altijd rustig aan het front.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword military

Duitse soldaten in Saint-Quentin

Duitse soldaten in Saint-Quentin

Raoul Snoeck komt toe in Rennes

Op 3 november 1915 noteert Raoul Snoeck het volgende in zijn dagboek :

Ze brengen ons naar het station. De reeds gevormde hospitaaltrein is nog bijna leeg. Hij omvat wagons die zijn ingericht als gelegenheidsambulances met brancards voor zwaargewonden en enkele wagons van tweede en derde klasse voor lichtgewonden. Iedereen neemt plaats zoals hij kan. De beste gevallen helpen de anderen. Na een tijd is de trein volgepropt met soldaten van alle legeronderdelen, die door elkaar uitgestrekt liggen met omzwachtelde hoofden, armen en benen. Van alle kanten worden brancards aangebracht met doodsbleke soldaten. Je hoort geen enkele kreet, soms ontsnapt een klacht of een diepe “ah” aan de opgeklemde tanden. Een groot aantal gewonden ligt op het perron, wachtend om in een wagon gehesen te worden. Ik bekijk al die ongelukkigen, er bestaan niet genoeg woorden om die pijnlijke tonelen op te roepen, ik voel afschuw en medelijden tegelijk.

We komen aan in Rennes om acht uur ’s morgens. De gewonden worden uit de wagons gehaald, de vormeloze massa geslacht mensenvlees weggebracht, het is akelig.

bron

Raoul Snoeck, In de modderbrij van de IJzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

Henri Gervex - train des blessés

Henri Gervex – train des blessés

Raoul Snoeck wordt gewond afgevoerd naar Calais

Het is al een tijdje geleden dat Raoul Snoeck nog iets noteerde in zijn dagboek. Het vorige bericht dateert van 31 augustus 1915. Dat bericht kan je hier lezen. Het duurt daarna tot 31 oktober voor Raoul weer wat in zijn dagboek noteert.

31 oktober 1915
’s Morgens word ik overgebracht naar Adinkerke, vandaar transporteert men mij naar Calais, waar ik aankom om één uur ’s nachts. Ik breng de nacht door in het station. De trein met gewonden komt aan. Ze zijn uitgeput door bloedverlies, koorts en door de reis. Vrouwen stappen op en geven hen wijn, vruchten en papier en een potlood om te schrijven. Zijn ze te zwak, dan schrijven lichtgewonde makkers of vrouwen een brief in hun plaats. Dokters en verpleegsters bewegen zich door al dat lijden heen. Zwaargewonden worden uit de wagons gehaald voor onmiddellijke operatie. Met veel zorg en zachtheid verbinden ze de wonden, die nog overvloedig bloeden en het gescheurde uniform rood kleuren. Op de grond slingeren beloofde zwachtels en watten rond. Hier ligt een ongelukkige bij wie men de broek tot aan de gordel heeft moeten opensnijden wegens een wonde aan de bil. Een andere ondersteunt zijn been omdat zijn kuit gewond is. Je hoort niet de minste klacht, iedereen is moedig. Het is een lange en lugubere stoet… De lijdensweg van slagveld naar hospitaal ligt bezaaid  met pijn en ellende, sommigen bezwijken helaas onderweg !

1 november 1915
Ik word naar het doorgangshospitaal gebracht in Calais, rue du Temple 50. De verpleegsters zijn heel erg goed en moederlijk. Ze staan de ongelukkigsten bij en troost hen met hartelijke woorden. Ze luisteren naar de laatste wil van de stervenden en fluisteren hen woorden van sympathie en hoop in. Een aantal soldaten heeft verschrikkelijke wonden, die volgens de chirurgen veroorzaakt zijn door dumdumkogels. Ach, hoeveel missie en ellende heb ik niet meegemaakt ! Het doet pijn aan het hart jonge levendige en gezonde mensen te zien die kreupel zullen blijven, als ze tenminste nog het geluk hebben te genezen ! Wat mij betreft, ik ben liever op slag dood dan verminkt door het leven te moeten. Maar de Duitsers hebben me nog niet ! Ik zal mijn huid duur verkopen. Morgen of overmorgen word ik naar Rennes overgebracht.

bron
Raoul Snoeck, In de modderbrij van de IJzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

TrainSanitaire03

binnenzicht van een zogenaamde “train sanitaire”

Servische partizaan eindigt aan de galg

De invasie van de Centrale Mogendheden in Servië verloopt volledig volgens plan, wat in elk geval volgens de opinie in het thuisland de hoogste tijd is. In 1914 heeft het Oostenrijks-Hongaarse leger zijn buurland driemaal aangevallen en driemaal is het teruggeslagen. Op 6 oktober 1915 zijn de verenigde Duitse en Oostenrijks-Hongaarse legers in de aanval gegaan, op 8 oktober is Belgrado ingenomen, op 11 oktober is ook het Bulgaarse leger het land binnengevallen. Nu is het verslagen Servische leger in aftocht. Onder de achtervolgers bevinden zich de Hongaar Pál Kelemen en zijn huzaren. Ze rukken snel op in de vochtige oktobermaand. Soms verstrijken er meerdere etmalen zonder dat hij uit het zadel is geweest. Op zondag 31 oktober 1915 staat het eskadron naast de ruïne van een Servische herberg. Rondom het gebouw hebben zich honderden gewonden verzameld die op de kleiachtige grond liggen. Er zijn gevechten gaande met de terugtrekkende achterhoede van de vijand, niet hier, maar twee bergruggen verderop. Daarom baart het opzien dat er ’s middags een soldaat aankomt die beschoten is vanuit een huis en gewond is aan zijn been. Anderhalf uur later komt er nog een soldaat die op dezelfde plek gewond is geraakt; de man is in zijn buik geschoten.

Er wordt een patrouille heen gestuurd om poolshoogte te nemen. Na een tijdje komen ze terug. Bij zich hebben ze een armoedig geklede man van gemiddelde lengte. Zijn handen zijn vastgebonden. Pál Kelemen noteert in zijn dagboek het volgende :

Met behulp van een tolk werd de man verhoord, en ook de belangrijkste getuigengelden gehoord. Het lijkt erop dat hij ondanks herhaalde waarschuwingen van de andere dorpsbewoners op onze soldaten heeft geschoten. Algauw wordt het vonnis uitgesproken : de partizaan zal opgehangen worden. Een man die als kok wekt voor de wachtposten, een varkensslager uit Wenen, neemt met genoegen de rol van beul op zich. Hij haalt een lang touw en vindt een lege kist die voor de noodzakelijke valhoogte moet zorgen. De Servische partizaan wordt gemaand zijn laatste gebeden te bidden, maar hij antwoordt dat hij die niet nodig heeft. De Servische partizaan wordt door twee soldaten opgetild. Hij toont geen bepaald gevoel, maar kijkt met een agressieve blik om zich heen, alsof hij gek was. De strop wordt om zijn nek gelegd en het platform wordt onder zijn voeten weggetrokken. Het blijkt dat het touw te lang is en met een krachtige extra ruk stelt de slager het bij. Het gezicht van de man vertrekt langzaam. Lange, schokkerige stuiptrekkingen gaan door zijn lichaam. Hij sterft.

Later ziet Kelemen twee soldaten over de weg aan komen lopen. Ze ontdekken het lichaam dat heen en weer schommelt in de herfstwind, ze gaan ernaartoe en lachen honend. Een van de twee geeft het lijk een flinke klap met de kolf van zijn geweer waarna ze beiden salueren en weer verdwijnen.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

de weg naar Rusland - cartoon uit Punch van 1914

de weg naar Rusland – cartoon uit Punch van 1914