Vredesgesprekken Duitsland Rusland

Hugo Natt, gezondheidsofficier bij de Duitse reservedivisie 56, is op 14 november 1916 aangekomen in Marquion (ten zuidoosten van Arras) en slaat een praatje met zijn collega’s.

We praten over de vredesonderhandelingen met Rusland, waarover de afgelopen dagen weer veel is gesproken. Er zouden onderhandelingen gaand e zijn : in Berlijn zou een huis van de Russische gezant verlicht zijn geweest, ook zou er een dubbele wachtpost hebben gestaan. Volgens de laatste berichten zouden de onderhandelingen op het laatste ogenblik afgebroken zijn, nadat de landen van de Entente (de geallieerden) Rusland een grote lening hadden toegezegd.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

eingang_zur_russischen_botschaft_in_berlin

Russische ambassade in Berlijn

Marsorders voor Herbert Sulzbach

Herbert Sulzbach is een Duitse onderofficier bij de artillerie. Op 11 november 1916 krijgt hij goed nieuws en marsorders voor de Somme.

Ik word vandaag gepromoveerd tot luitenant met ingang vanaf 3 november 1916. Het is een heel inspirerend moment en ik ben er heel vereerd mee.

Aan de Somme is de slag nog altijd bezig en we krijgen onze marsorders… naar de Somme ! Ik heb al voorspeld dat we hiervan niet gespaard zouden blijven. Na al de voorbije rustige maanden gaan we naar de grootste veldslag ooit. We zijn in actie geweest op alle grote slagvelden in het westen, op Verdun na, ondanks dat we aan een rustig front in Evricourt gelegerd waren. En dus worden we teruggetrokken uit onze divisie en op de marsweg, in Noyon, neemt onze divisiecommandant, generaal Sack, plechtig afscheid van ons. Voor de eerste keer mag ik mijn nieuwe plaats innemen en salueren voor de rangen der soldaten op appèl. Het is eeb bijzondere eer voor ons om de divisie te verlaten en in actie te komen aan de Somme.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword military

De tekening hieronder is van Otto Flechtner en is getiteld “Deutsche Artillerie auf dem Marsch”.

ottoflechtner_deutscheartillerieaufdemmarsch_1916

Mijmeringen aan het Ijzerfront

Raoul Snoeck vraagt zich af hoe het zal zijn later, om weer burger te zijn. Op 9 november 1916 noteert hij in zijn dagboek.

Alvorens ons hier te begraven had iedereen in het burgerleven een sociale betrekking of beroep. De meesten waren landbouwers of werklieden. Er zijn weinig geletterden bij de mensen die ons omringen en ondanks de maatschappelijke verschillen, gelijken we erg op elkaar. We spreken dezelfde taal doorspekt met het bargoens van de loopgraven. Door het gedwongen samenleven hebben we dezelfde smaak, dezelfde manieren ontwikkeld en vragen ons af hoe het zal zijn als we in het burgerlijk leven terugkeren.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei uit het Frans vertaald door Andre Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

belgischesoldaten_rustpauze_1916

Hoeren en tamboeren

Ook in Frankrijk, waar al sinds jaar en dag een systeem met legale bordelen bestaat, heeft de oorlog tot een sterk toegenomen sekshandel geleid. Elke dag komen er grote hoeveelheden soldaten met verlof naar Parijs, en de hoeren zijn vanuit het hele land toegestroomd. De arrestaties voor illegale prostitutie zijn met veertig procent toegenomen.

Ook geslachtsziekten als syfilis zijn duidelijk toegenomen. Veel legers delen routinematig condooms uit aan soldaten die met verlof gaan. Niet dat het veel helpt. Van de Canadese soldaten in Frankrijk leed vorig jaar 22 procent aan een of andere venerische ziekte. En van de geallieerde soldaten die de hoofdstad de volgende zomer bezoeken, zal 20 procent besmet terugkeren. Het is ook niet zo dat iedereen ziekte probeert te vermijden. Bij tijden verdienen besmette hoeren beter dan gezonde, aangezien ze soldaten trekken die een venerisch kwaaltje willen oplopen om op die manier niet naar het front te hoeven. Dit verschijnsel komt op de meest groteske wijze tot uitdrukking in de handel in gonorroe-etter; soldaten kopen het en smeren hun geslachtsdeel ermee in in de hoop zo in het ziekenhuis te belanden. De echt wanhopige soldaten wrijven het in hun ogen; het resultaat is vaak levenslange blindheid.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

prostitution-tranchees

Duitsers eisen werklozen op

De evolutie aan het front dwingt de Duitsers tot een nieuwe strategie. Bij Verdun houdt het Franse leger stand. Het herovert zelfs systematisch terrein. Aan de Somme slaan de Duitsers een grote geallieerde aanval af, maar ze beseffen welke enorme vijandige kracht zich in dat gebied aan het concentreren is. Het Duitse leger moet weer versterkt worden. Nog meer Duitse mannen moeten gemobiliseerd worden. Arbeiders uit bezette gebieden moeten hen vervangen.

In de eerste week van oktober 1916 begint het Duitse leger heel brutaal met dwangrekrutering van arbeiders in het etappengebied, de zone net achter het front. Een paar weken later volgen operaties in het hele land.

gisbertcombaz_barbarennemenslavenmeeOp 7 november 1916 laten de Duitsers in Kortrijk opgeëiste werklozen vrij die wegens gezondheidsredenen niet kunnen werken. Zij vertellen dat de andere werklozen zonder eten zitten. Moeders broers en zusters van de opgeëisten trekken met eten naar de kazerne van Kortrijk, waar ze zouden moeten verblijven. Stijn Streuvels noteert er het volgende over.

Maar wanneer ze daar aankomen, vernemen ze dat de werklozen al vertrokken zijn. Elk volgens eigen goeddunken hebben ze dan hun eetwaar aan de man gebracht, uitgedeeld of verkocht. Ik hoor vertellen dat veel Kortrijkzanen 4,50 frank betaald hebben voor een goed tarwebrood. Maar in alle broden staken vriefjes. Ik heb er een gezien waarop met onbeholpen hand geschreven stond :”Courage. Niet tekenen. Aloïs”.

bronnen 
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
Knack Historia, 1916

De tekening bij dit artikel is van Gisbert Combaz met als titel “de barbarenh nemen de slaven mee”.

 

Een brief vanuit bezet gebied

Veel Belgische militairen kijken elke dag uit naar de komst van de postbode (2e man van links, met helm en fiets). Misschien brengt hij eindelijk een teken van leven van de geliefden. Vier jaar lang is het rechtstreekse contact tussen de Ijzerstreek en het bezette land nagenoeg helemaal verbroken. Vier jaar lang horen velen niets van hun achtergebleven familie en weet de familie niet of haar frontsoldaat nog in leven is. Correspondentie tussen beide kanten van de frontlinie is erg moeilijk maar niet onmogelijk. Daarvoor doet men een beroep op smokkelaars of kennissen in het neutrale Nederland, die wel met het bezette land kunnen corresponderen.

postbedeling_belgischleger

Op 1 november 1916 is Raoul Snoeck bij de gelukkigen. In zijn dagboek noteert hij :

Ik krijg nieuws van mijn ouders. Tussen de regels lees ik hun angst. Moeder schrijft in elke brief:”Wees voorzichtig, stel je niet teveel bloot aan het gevaar, hou je goed warm.”. Ik heb juffrouw Bulthé van Holland gevraagd hen zoveel mogelijk gerust te stellen. Helaas ! Onze ouders vrezen het ergste en denken dat we voortdurend in de strijd betrokken zijn, de bajonet op het geweer en de pet op het oor. Wild, bebloed en groots. Het is volstrekt niet altijd zo, hoewel een soldaat steeds gevaar loopt. We scheppen plezier in het vechten want we houden van actie, en aan het front zijn we vrolijk en talrijk. Vinden we na de strijd iedereen aanwezig in het kantonnement, wat doet het dan deugd te beseffen dat we enkele ‘grijzen’ gemold hebben en daarmee onze plicht vervuld. (…)

Overigens heb ik in het ergste voorzien. Vrienden bezitten mijn adres voor het geval me iets fataals zou overkomen, zodat ze mijn ouders kunnen verwittigen. Na het nemen van die voorzorg praten we er niet meer over, het is een stilzwijgende overeenkomst.

bronnen
Daniël Vanacker, Belgie in de Grote Oorlog, Roularta Books
Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

geen rustige Allerheiligen aan de Ijzer

Gaston Le Roy noteert op 1 november 1916 in zijn dagboek :

Bij terugkeer van de keuken naar de eerste lijn merkten we enkele explosies op langs de kant van de vijfde divisie. De beschieting schoof op naar onze schuilplaats aan F.A.. Niet enkel granaten maar ook vleugelbommen ontploften donderend op de grond. Ons geschut wachtte niet om de granaatwerpers wat terug te gooien.
Toen we de eerste lijn naderden, verergerde het nog. Met moeite kreeg de adjudant de mannen vooruit. Met enkele makkers bleef ik ook enige tijd vanaf de tweede lijn het spel gadeslaan. De zon dook onder, het werd nacht en nog steeds is het een razend sissen van weg- en aanvliegende moordtuigen. Een rood streepje van de brandende wiek maakte de bommen zichtbaar in de lucht. Angstige wachtten we het einde af, meer dan eens dacht ik dat mijn laatste ogenblik gekomen was, maar het ging voorbij. Ik geloof zelfs dat er bij ons geen enkel slachtoffer viel.

Nu is het weer rustig. Er klinkt zelfs geen geweerschot. Wie hier vannacht zou aankomen, zou nooit kunnen vermoeden dat op deze plek enkele uren geleden zoveel mensen in doodsangst verkeerden. Er wordt gelachen en geschertst.

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

BelgischeArtillerie02.jpg

Oswald Boelcke sneuvelt

Oswald Bölcke was de zoon van een Duitse onderwijzer die in Argentinië lesgaf. Vandaar dat Oswald en zijn broer Wilhelm hun naam consequent op de Latijnse wijze schreven : Boelcke. Oswald was al voor de oorlog aan een officiersopleiding begonnen, maar in de zomer van 1914 ging hij over naar de Fliegertruppe. Op 15 augustus 1914 haalde hij zijn vliegexamen. Samen met Wilhelm vloog hij 50 missies, waarna zij het Ijzeren Kruis tweede klasse kregen. Maar dit succesvolle duo wekte antipathie op bij andere vliegeniers en vandaar dat Oswald naar de Fliegerabteilung 62 overging en jachtpiloot werd.

Oswald_Boelcke_(ca._1916).jpgIn juli 1915 kregen Boelcke en Max Immelmann de nieuwe Fokker E1 om mee te vliegen. Het was het begin van de Fokker-eenzitters met het Parabellum-machinegeweer waarmee gesynchroniseerd door de propellors heen geschoten kan worden. Wat volgende was een periode die de Fokker-gesel genoemd werd : maandenlang heerste er een strijd wie de meeste tegenstanders had neergehaald, Boelcke of Immelmann. Boelcke werd de eerste Ueberkanone nadat hij op 12 maart 1915 zijn tiende vliegtuig neerschoot.

Op 18 juni 1916 is de strijd tussen Boelcke en Immelmann gestreden als Immelmann, die met 17-18 achterstaat, gedood wordt. Keizer Wilhelm houdt daarna Boelcke, de grootste Duitse held van dat moment, aan de grond en stuurt hem op tournee door de Balkan, Bulgarije en Turkije. In die tijd schrijft Oswald ook zijn Dicta Boelcke, het handboek dat de leidraad wordt voor alle succesvolle Duitse jachtpiloten. Boelcke mag zijn eigen eskader samenstellen, de Jasta 2 (Jagdstaffel 2), met onder meer Manfred von Richthofen en Erwin Böhme. De overwinningen rijgen zich aaneen, het totaal van Boelcke zal tot 40 reiken.

Maar op 28 oktober 1916 gaat het mis. na zijn zesde opstijging van die dag zit zijn veiligheidsgordel niet goed. Tijdens het luchtgevecht wordt zijn vleugel geraakt door Böhmes vliegtuig, maar Boelcke weet zijn toestel, een Albatros D.II toch relatief netjes aan de grond te zetten. Vanwege zijn losse riem en het feit dat hij nooit een helm draagt tijdens het vliegen, wordt toch het levenloze vliegtuig van de 25-jarige Boelcke uit het vliegtuig gehaald.

Erwin Böhme, die zich schuldig voelt aan de dood van Boelcke, kan nog net weerhouden worden van zelfmoord. Het Britse Royal Flying Corps dropt een dag later een krans bij Jasta 2 waarop staat :”Ter herinnering aan kapitein Boelcke, een dappere en ridderlijke tegenstander”.

bron : Roel Tanja, een korte geschiedenis van de eerste wereldoorlog, BBNC uitgevers

 

Verbroedering in de Champagne

Louis Barthas schrijft over de leven-en-laten-leven-mentaliteit in de loopgraven in de Champagne.

Op zes meter van onze versperring hadden de Duitsers hun eigen versperring opgericht. Tussen de twee was prikkeldraad gesmeten maar slechts vier sprongen scheidden de twee volken, de twee rassen die elkaar aan het uitmoorden waren. Er was zelfs een overdekte gang die op één meter van de Duitse zandzakjes uitkwam.

(…) Hun verbazing (van de burgers aan het thuisfront bedoelt Barthas) zou in verbijstering zijn omgeslagen als ze de Franse en Duitse wachtposten hadden gezien die rustig op de borstwering een pijp zaten te roken en van tijd tot tijd als goede buren in hun buitendeur een luchtje schepten en met elkaar een babbeltje maakten. Bij elke aflossing werden deze gewoonten en gebruiken van de wachtposten doorgegeven. De Duitsers deden hetzelfde en al stond de hele Champagne in vuur en vlam, dan nog zou op deze bevoorrechte plaats geen granaat zijn gevallen.

(…) Soms wisselden we geschenken uit : pakjes Franse legertabak die ze in hun dikke Duitse pijpen oprookten of heerlijke sigaretten “made in Germany” die in onze Franse post terechtkwamen.
(…) De een zal het prachtig vinden, de ander misdadig. Het hangt ervan af of je het ideaal van menselijkheid onder of boven het ideaal van het vaderland plaatst. We kunnen er zeker van zijn dat dit gebaar van verbroedering op meer dan één plaats is voorgekomen. Onze bevelhebbers , onze leiders, moeten zich geen illusie maken : was er tussen de loopgraven een redelijke afstand geweest, waren er geen prikkeldraadversperringen geweest, dan zou iedereen elkaar de hand hebben gereikt. Eén bewijs, van de duizenden, dat deze gruwelijke oorlog tegen de wil van het volk ontketend is.

bronnen 
Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uit het Frans vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen
http://www.lefigaro.fr/culture/2015/12/17/03004-20151217ARTFIG00239-monument-des-fraternisations-mon-grand-pere-serait-fier.php

De tekening hieronder is van Thérèse Bisch en draagt de titel “Fraternisation”.

ThereseBisch_Fraternisation.jpg

Jansen en Janssen in Verdun

Jansen en Janssen in Verdun

Op 24 oktober 1916 valt het fort Douaumont nabij Verdun terug in Franse handen. In de loop van de slag van Verdun (21 februari – 15 december) verandert het fort van Douaumont tweemaal van bezetter, telkens zonder nauwelijks een schot te lossen. Op 24 oktober is de tweede maal.

Op 25 februari 1916 vallen de Duitsers het fort aan, een van de belangrijkste forten van de verdedigingslinie rond Verdun. Vooraf hebben ze ingecalculeerd dat de inname hen mogelijk tot tienduizend soldaten kan kosten. Wat de Duitsers nog niet weten, is dat de Fransen het fort ontmantelden en slechts zestig lichtbewapende militairen achterlieten. De verovering van het fort vraagt dan ook niet veel tijd of bloed.

Na een uitgebreide voorbereiding beginnen de Franse troepen op 24 oktober 1916 aan een tegenaanval op het fort van Douaumont. Er is iets wat zij niet weten : de dag voordien was er brand uitgebroken in het fort de de Duitsers hadden het helemaal ontruimd.

In onze 2e bron klinkt het anders : Gedekt door de mist heroveren de Fransen fort Douaumont en nemen 6000 Duitsers gevangen. De Duitse tegenaanvallen worden afgeweerd.

Wat de juiste toedracht ook is, de Franse regering wil dit heuglijke moment vereeuwigen en geeft schilder Henri Georges Jacques Chartier de opdracht de aanval van de Fransen op Douaumont te vereeuwigen. En de twee soldaten vooraan met snor, lijken wel dubbelgangers van mekaar. Ze doen sterk denken aan het duo Jansen en Janssen uit Kuifje (in de Franse versie heten ze Dupont en Dupond).

henri-georges-jacques-chartier-reprise-du-fort-de-douaumont

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
Ian Westwel,, 1914-1918, de eerste wereldoorlog dag na dag
http://www.geo.fr/photos/reportages-geo/premiere-guerre-mondiale-la-censure-pour-masquer-la-realite-des-combats-160983