Bulgaren veroveren de Servische hoofdstad Niš

Op 14 oktober 1915 vallen de Bulgaren Servië binnengevallen.Het Bulgaars eerste leger rukt op naar het noorden richting Niš, Servische hoofdstad na de val van Belgrado. Het tweede leger  zakt af naar het zuiden richting Skopje. In het noorden woedt de slag bij Morava. In het zuiden gaat het om de slag bij Ovche Pole. In die regio houdt het Bulgaarse leger vanaf 24 oktober Brits-Franse troepen tegen die vanuit Thessaloniki naar het noorden oprukken om hulp te bieden aan het Servische leger.

Op 5 november 1915 worden de Bulgaren beloond. Het Bulgaarse eerste leger verovert Niš, een belangrijk spoorwegknooppunt. Treinen sporen voortaan vanaf Duitsland en Oostenrijk-Hongarije naar Turkije.

bronnen

https://en.wikipedia.org/wiki/Serbian_Campaign_of_World_War_I

Ian Westwell, 1914-1918 – de eerste wereldoorlog dag na dag, Deltas

Nish-1915-11-05-Tsar-Ferdinand

Raoul Snoeck komt toe in Rennes

Op 3 november 1915 noteert Raoul Snoeck het volgende in zijn dagboek :

Ze brengen ons naar het station. De reeds gevormde hospitaaltrein is nog bijna leeg. Hij omvat wagons die zijn ingericht als gelegenheidsambulances met brancards voor zwaargewonden en enkele wagons van tweede en derde klasse voor lichtgewonden. Iedereen neemt plaats zoals hij kan. De beste gevallen helpen de anderen. Na een tijd is de trein volgepropt met soldaten van alle legeronderdelen, die door elkaar uitgestrekt liggen met omzwachtelde hoofden, armen en benen. Van alle kanten worden brancards aangebracht met doodsbleke soldaten. Je hoort geen enkele kreet, soms ontsnapt een klacht of een diepe “ah” aan de opgeklemde tanden. Een groot aantal gewonden ligt op het perron, wachtend om in een wagon gehesen te worden. Ik bekijk al die ongelukkigen, er bestaan niet genoeg woorden om die pijnlijke tonelen op te roepen, ik voel afschuw en medelijden tegelijk.

We komen aan in Rennes om acht uur ’s morgens. De gewonden worden uit de wagons gehaald, de vormeloze massa geslacht mensenvlees weggebracht, het is akelig.

bron

Raoul Snoeck, In de modderbrij van de IJzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

Henri Gervex - train des blessés

Henri Gervex – train des blessés

Raoul Snoeck wordt gewond afgevoerd naar Calais

Het is al een tijdje geleden dat Raoul Snoeck nog iets noteerde in zijn dagboek. Het vorige bericht dateert van 31 augustus 1915. Dat bericht kan je hier lezen. Het duurt daarna tot 31 oktober voor Raoul weer wat in zijn dagboek noteert.

31 oktober 1915
’s Morgens word ik overgebracht naar Adinkerke, vandaar transporteert men mij naar Calais, waar ik aankom om één uur ’s nachts. Ik breng de nacht door in het station. De trein met gewonden komt aan. Ze zijn uitgeput door bloedverlies, koorts en door de reis. Vrouwen stappen op en geven hen wijn, vruchten en papier en een potlood om te schrijven. Zijn ze te zwak, dan schrijven lichtgewonde makkers of vrouwen een brief in hun plaats. Dokters en verpleegsters bewegen zich door al dat lijden heen. Zwaargewonden worden uit de wagons gehaald voor onmiddellijke operatie. Met veel zorg en zachtheid verbinden ze de wonden, die nog overvloedig bloeden en het gescheurde uniform rood kleuren. Op de grond slingeren beloofde zwachtels en watten rond. Hier ligt een ongelukkige bij wie men de broek tot aan de gordel heeft moeten opensnijden wegens een wonde aan de bil. Een andere ondersteunt zijn been omdat zijn kuit gewond is. Je hoort niet de minste klacht, iedereen is moedig. Het is een lange en lugubere stoet… De lijdensweg van slagveld naar hospitaal ligt bezaaid  met pijn en ellende, sommigen bezwijken helaas onderweg !

1 november 1915
Ik word naar het doorgangshospitaal gebracht in Calais, rue du Temple 50. De verpleegsters zijn heel erg goed en moederlijk. Ze staan de ongelukkigsten bij en troost hen met hartelijke woorden. Ze luisteren naar de laatste wil van de stervenden en fluisteren hen woorden van sympathie en hoop in. Een aantal soldaten heeft verschrikkelijke wonden, die volgens de chirurgen veroorzaakt zijn door dumdumkogels. Ach, hoeveel missie en ellende heb ik niet meegemaakt ! Het doet pijn aan het hart jonge levendige en gezonde mensen te zien die kreupel zullen blijven, als ze tenminste nog het geluk hebben te genezen ! Wat mij betreft, ik ben liever op slag dood dan verminkt door het leven te moeten. Maar de Duitsers hebben me nog niet ! Ik zal mijn huid duur verkopen. Morgen of overmorgen word ik naar Rennes overgebracht.

bron
Raoul Snoeck, In de modderbrij van de IJzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

TrainSanitaire03

binnenzicht van een zogenaamde “train sanitaire”

Servische partizaan eindigt aan de galg

De invasie van de Centrale Mogendheden in Servië verloopt volledig volgens plan, wat in elk geval volgens de opinie in het thuisland de hoogste tijd is. In 1914 heeft het Oostenrijks-Hongaarse leger zijn buurland driemaal aangevallen en driemaal is het teruggeslagen. Op 6 oktober 1915 zijn de verenigde Duitse en Oostenrijks-Hongaarse legers in de aanval gegaan, op 8 oktober is Belgrado ingenomen, op 11 oktober is ook het Bulgaarse leger het land binnengevallen. Nu is het verslagen Servische leger in aftocht. Onder de achtervolgers bevinden zich de Hongaar Pál Kelemen en zijn huzaren. Ze rukken snel op in de vochtige oktobermaand. Soms verstrijken er meerdere etmalen zonder dat hij uit het zadel is geweest. Op zondag 31 oktober 1915 staat het eskadron naast de ruïne van een Servische herberg. Rondom het gebouw hebben zich honderden gewonden verzameld die op de kleiachtige grond liggen. Er zijn gevechten gaande met de terugtrekkende achterhoede van de vijand, niet hier, maar twee bergruggen verderop. Daarom baart het opzien dat er ’s middags een soldaat aankomt die beschoten is vanuit een huis en gewond is aan zijn been. Anderhalf uur later komt er nog een soldaat die op dezelfde plek gewond is geraakt; de man is in zijn buik geschoten.

Er wordt een patrouille heen gestuurd om poolshoogte te nemen. Na een tijdje komen ze terug. Bij zich hebben ze een armoedig geklede man van gemiddelde lengte. Zijn handen zijn vastgebonden. Pál Kelemen noteert in zijn dagboek het volgende :

Met behulp van een tolk werd de man verhoord, en ook de belangrijkste getuigengelden gehoord. Het lijkt erop dat hij ondanks herhaalde waarschuwingen van de andere dorpsbewoners op onze soldaten heeft geschoten. Algauw wordt het vonnis uitgesproken : de partizaan zal opgehangen worden. Een man die als kok wekt voor de wachtposten, een varkensslager uit Wenen, neemt met genoegen de rol van beul op zich. Hij haalt een lang touw en vindt een lege kist die voor de noodzakelijke valhoogte moet zorgen. De Servische partizaan wordt gemaand zijn laatste gebeden te bidden, maar hij antwoordt dat hij die niet nodig heeft. De Servische partizaan wordt door twee soldaten opgetild. Hij toont geen bepaald gevoel, maar kijkt met een agressieve blik om zich heen, alsof hij gek was. De strop wordt om zijn nek gelegd en het platform wordt onder zijn voeten weggetrokken. Het blijkt dat het touw te lang is en met een krachtige extra ruk stelt de slager het bij. Het gezicht van de man vertrekt langzaam. Lange, schokkerige stuiptrekkingen gaan door zijn lichaam. Hij sterft.

Later ziet Kelemen twee soldaten over de weg aan komen lopen. Ze ontdekken het lichaam dat heen en weer schommelt in de herfstwind, ze gaan ernaartoe en lachen honend. Een van de twee geeft het lijk een flinke klap met de kolf van zijn geweer waarna ze beiden salueren en weer verdwijnen.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

de weg naar Rusland - cartoon uit Punch van 1914

de weg naar Rusland – cartoon uit Punch van 1914

de laatste brief van Edward Penney

Van aan het front in de Dardanellen schrijft Edward Penney op 29 oktober 1915 een brief naar zijn vader :

Het zou me minstens een week vragen om alles te vertellen wat er gebeurde sinds we hier landden in die vreselijke nacht van 6 augustus. Je hebt wellicht al gehoord van de landing bij Suvla baai en de bijbehorende blunders ? Ik kan je vertellen dat onze jongens hun werk gedaan hebben, maar dat ze er een zware prijs voor betaalden. Onze divisie begon aan de gevechten met vijftienduizend man, maar na de slag die verscheidene dagen duurde, hadden we er nog vierduizend.

We hebben hier te kampen met allerhande ontberingen door gebrek aan water en door de verschrikkelijke hitte. Op een keer lag ik in een bergkloof gedurende dertig uren. Ik durfde me niet te bewegen terwijl het water slechts een tiental meter van me verwijderd was. Maar het zou een zekere dood betekend hebben mocht ik om water geweest zijn.

Nauwelijks drie weken later sneuvelt Edward Penney.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

slag bij Chunuk Bair door majoor Ion George Brown

slag bij Chunuk Bair door majoor Ion George Brown

de badinstallatie van De Panne

Eind oktober 1915 noteert Gaston Le Roy het volgende in zijn dagboek.

24 oktober 1915
De koude dagen breken aan. Wie er heeft, trekt zijn wintergoed aan. Mijn handschoenen van vorig jaar heb ik gevoerd met een lap van een oude onderbroek.

25 oktober 1915
Zonder spijt verlaten we de armzalige schuur, waar regen en wind vrije doortocht hadden en waar luizen en vlooien met duizenden woekerden. Het stro was gewoon verstoft. Nu overnachten we in De Linde (gehucht op de grens met Hoogstade en Pollinkhove), wel ver van het dorp maar het is er goed. Een wind- en regendichte zolder vormt de volgende tien dagen ons verblijf.

26 oktober 1915
We trekken naar De Panne voor een bezoek aan de badinstallatie. Ik herleef als gezuiverd en met ontsmette kleren. Ik krijg er ook vers ondergoed, wat ten zeerste welkom is, want bij gebrek aan een hemd droeg ik enige dagen een onderlijf.

De badinstallatie in De Panne bevond zich in de sloepenlaan. Na de oorlog werd het omgebouwd tot cinema Palace. Het plezier van nog eens een bad te kunnen nemen vinden we ook terug in het oorlogsdagboek van Fons Versmissen

bronnen

André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek, Lannoo

http://www.depanne.be/product/1410/42-t-bad

http://oorlogsdagboek14-18fonsversmissen.skynetblogs.be/

De Panne - sloepenlaan

De Panne – sloepenlaan

Dokter Lievens trekt naar de eerste linie

In het dagboek van dokter Lievens staat op 25 oktober 1915 het volgende te lezen :

Op weg naar Diksmuide trekken we doorheen Lampernisse. De dorpskerk is totaal vernietigd, alleen een hoop stenen blijft over. Van Lampernisse leidt een houten pad ons door de velden tot aan de Oude Barrière op het kruispunt van de weg naar Pervijze en de weg van Lo naar Diksmuide.

Vanaf dat punt kom je in gangen die je doorheen Kaaskerke tot bij de eerste linie brengen. Hier wordt voortdurend geschoten. De kogels fluiten in alle richtingen, de vuurpijlen verblinden je, je botst tegen alle soorten hindernissen, je komt afgeloste infanteriemannen tegen die beladen zijn als ezels. Het is bijna onmogelijk om in de smalle gang een tegenligger te kruisen. Heb je het ongeluk naast de passerelle te trappen, dan ben je nat en bemodderd tot aan de knieën. Je vloekt en je gromt.

Uiteindelijk beland ik in mijn schuilplaats tegen de Ijzeroever in het midden van de sector. Ik zit van kop tot teen onder het slijk. Tijdens de nacht verzorg ik Louis Silverrams van de 1e eskadron, die door een kogel in de voorarm werd getroffen.

bron : André Gysel, Dokter Lievens – dagboek van een arts in de loopgraven van WOI, Lannoo

Marc-Henri Meunier - passerelle no 15

Marc-Henri Meunier – passerelle no 15

Britse belofte aan de Arabieren

Henry McMahon, de Britse Hoge Commissaris in Egypte, schrijft op 24 oktober 1915 een brief aan Hoessein ibn Ali, de Sjarief van Mekka, waarin hij meedeelt dat Groot-Brittannië akkoord gaat met de onafhankelijkheid van de Arabieren na de oorlog, in grote delen van het Midden-Oosten.

McMahon, die optreedt namens de Britse regering, vermeldt wel enkele uitzonderingen, onder meer de gebieden die liggen in wat een eeuw later Syrië en Libanon heet. Palestina wordt niet aangehaald als uitzondering, en wordt door de Britten beschouw als een deel van de Arabische gebieden.

Later zal Groot-Brittannië terugkomen op de belofte met betrekking tot Palestina.

HusseinMcMahon1915_16

Met man en muis vergaan

In een klap verliest de Duitse marine op 23 oktober 1915 672 manschappen wanneer torpedo’s afgevuurd door de Britse duikboot E9 exploderen in het munitiemagazijn van de SMS Prinz Adalbert. Slechts drie bemanningsleden overleven de ramp.

De maar net herstelde SMS Prinz Adalbert, een bewapende kruiser, vaart op dat bogenblik ongeveer 30 km ten westen van Libau (Letland) in de Baltische zee, in gezelschap van enkele torpedojagers.

SMS Prinz Adelbert

Fataal bombardement voor foerageurs

Louis Barthas ligt in de eerste linies nabij Neuville-Saint-Vaast en beschijft het volgende in zijn dagboek.

Op de 17e oktober 1915 om negen uur ’s avonds ontplofte een granaat op dertig meter afstand van onze plek midden in de loopgraaf. Twee ongelukkige foerageurs die hun groep van voedsel moesten voorzien, waren op slag dood. Een van hen was de arme kameraad Vieu uit mijn streek die in juli bij ons was gekomen. Hij behoorde tot mijn groep, maar na enige tijd was hij overgeplaatst naar de 18e compagnie waar zijn broer zat die foerageur was van de officieren. Deze laatste werd korte tijd later ook gedood. Het waren goed en eerlijke mensen, actief in de socialistische partij van hun dorp. Oorlog is niet bepaald ongunstig voor de kapitalistische burgerij !

Bij de aflossing werd de 18e compagnie die naast ons lag, zwaar getroffen; er viel een twintigtal doden of gewonden. Onze compagnie telde maar drie gewonden. Dit hadden we te danken aan het feit dat we zo dichtbij de Duitsers lagen dat hun artillerie niet op ons durfde te schieten uit vrees hun eigen loopgraven te raken.

bron : Louis Barthas, dagboeken, uit het Frans vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuijzen.

tekening van Leroux - cortège des cuistots

tekening van Leroux – cortège des cuistots