Edward Walford Manifold, een Canadese militair in Britse dienst, schrijft op 11 april 1917 aan zijn ouders over de toestand aan het front in Frankrijk.
Dezer dagen houden onze oversten geen rekening met het weer. Een van onze doelen hebben we veroverd tijdens een sneeuwstorm vergezeld van een bitter koude wind. Natuurlijk heeft de koude niet veel invloed op de aanvallers, maar de arme gewonden moeten een grotere marteling doorstaan dan je je kan inbeelden.
Een paar dagen geleden hielp ik nog enkele maten om het veldhospitaal te bereiken. Zij waren de enige twee overlevenden van een groepje van vijftien waartussen een granaat ontplofte. De ene had een gebroken been, een gebroken arm en enkele smerige wonden. De andere had drie wonden op zijn lichaam en was bovendien nog getroffen door een sluipschutter terwijl hij probeerde zijn vriend vooruit te helpen. Deze sukkelaars waren al bijna 36 uur nat en hadden zich over een afstand van ruim anderhalve kilometer moeten voortbewegen over zeer ruw terrein.
Het schilderij hieronder is van John Charles Dollman getiteld “Fraternité”.
Op ongeveer 10 kilometer van de frontlijn begint op 12 maart 1917 het legerhospitaal van Beveren-aan-de-Ijzer, aan de kruisstraat, met zijn activiteiten. Allerhande gespecialiseerde medische ingrepen zijn hier mogelijk onder de algemene leiding van hoofdgeneesheer Paul Derache.
Het hospitaal bestaat uit een resem houten paviljoenen die samen 26 ziekenzalen met telkens 20 bedden omvatten. Behalve slaapgelegenheid voor het personeel zijn er ook een kapel en een feestzaal. Volgens officiële cijfers worden er tussen vandaag en 17 februari 1920 bijna 8000 militairen verzorgd. Ruim 600 onder hen overlijden.
Dokter Maurice Lievens is van wacht in de hulppost van Lettenburg en noteert het volgende in zijn dagboek.
6-3-1917 : Grote Wacht Noord, rustig en kalm. ’s Avonds ben ik van dienst in de divisiehulppost van Lettenburg. Ik verzorg één gewonde : Oswald Gruwer van het 2e Jagers te paard.
7-3-1917 : François Pauwels van Aalst, 7e linieregiment, kogel in de voorarm.
8-3-1917 : Jozef Verlinden van de Gidsen, kogel in de linkervoorarm.
9-3-1917 : Adolf De Dobbelaere van het 7e linieregiment : wonde aan de wang en de linkerschouder. F. Lievens van Olen : wonde aan het hoofd met schedelschade door een kogel. Beiden komen uit de Dodengang. Lievens sterft in mijn medische post.
10-3-1917 : Louis Lagneau van de P.P.G. (kleine loerpost). Grote Wacht Zuid : omgekomen door granaatscherf in de hartstreek. Adhémar Bocke, eerste sergeant-majoor van het 7e linieregiment : diepe wonde in de borst rechts. Henri Cokaïko, kapitein van het 7e linieregiment : diepe wonde in de borst, kogel in de onderbuik. Ernest Boelen, sergeant bij de Genie : kogel doorheen de borst, verlamming van de onderste ledematen. Ik heb hem naar het hospitaal van Cabourg gestuurd.
bron : André Gysel, Dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo
In Beringen noteert de verantwoordelijke van het Davidsfonds op 20 februari 1917 het volgende voor het Oorlogsboek :
Van een eigenlijke bezetting door Duitse troepen kan niet gesproken worden, tenzij dan voor de periode van 20 februari tot 9 april 1917. Drie uiteengeslagen afdelingen van Duitse veldlazaretten (150 man elk) waren in Danzig opnieuw gevormd en sloegen enkele maanden hun tenten op in Beringen. Het gemeentelijke college kreeg nogmaals zijn deel van 150 man onder leiding van een Dokter Zitzke en moest zijn klassen ondertussen sluiten.
Als in 1917 de Duitsers de burgerlijke bevolking van West-Vlaanderen hun huizen doen ontruimen, komt een honderdtal vrij begoede inwoners van Wervik tijdelijk hun toevlucht in Beringen zoeken, waar zij door de bevolking liefderijk onthaald worden.
Behalve eindeloos veel doden en talrijke gewonden telt een oorlog ook talloze slachtoffers die invalide blijven. Eén van hen is August Verveynne, die op 6 januari 1917 met zijn strijdmakkers aan het front arriveert na een opleiding van minder dan drie maanden. Samen met zijn eenheid vecht hij op diverse plaatsen aan de Ijzer.
Ruim een jaar later, in 1918, raakt August, die afkomstig is van Pervijze, zwaargewond aan beide benen door de ontploffing van een obus. Gedurende anderhalf jaar wordt hij naar diverse hospitalen gezonden, onder meer in De Panne, Gravelines, Vinkem en Brussel. Op 29 oktober 1919 mag hij met verlof zonder soldij en ruim een week later wordt hij definitief ontslagen, met een oorlogsinvaliditeit van 50%.
Op 17 augustus 1916 wijdt de Legerbode een artikel aan het onderwijs in het Belgische Tehuis voor Oorlogsinvaliden, dat in april 1916 is geopend in Le Havre. Er is een lagere school en een beroepsschool.
In de lagere school leren de oorlogsinvaliden lezen en schrijven of wordt hun kennis terzake opgefrist. Verder zijn er ook vakken als spelling, spraakkunst, rekenen, tekenen, geschiedenis… Deze opleiding is een voorbereiding op de beroepsschool waar men ofwel een nieuw vak leert of een vroeger vak heropfrist. Er zijn leergangen in technische vakken, maar ook in handels-Engels voor wie onbekwaam is voor handwerk.
4 november 1914 : de nacht is mooi, sterieler, ijskoud. Het Oostenrijks-Hongaars leger is weer op de terugtocht. De orders van Pal Kelemen en de andere huzaren is erop toe te zien dat de terugtrekkende eenheden niet vast blijven zitten en stil komen te staan. Er is namelijk een nieuwe verdedigingslinie in opbouw. Om twee uur vannacht moet deze klaar zijn en hopelijk is hij dan ook bemand met verse infanterie die nu onderweg is naar de bergpas. De opdracht die Kelemen en zijn huzaren hebben gekregen, is schier onmogelijk want het is moeilijk om enig overzicht te krijgen in het donker. Op de weg heerst al chaos. Ze rijden langzaam tegen de trage, grijze stroom van mannen, paarden, wagens, kanonnen, munitiewagens en pakezels in. Kelemen ziet dat de stroom van zich terugtrekkende soldaten dunner wordt , maar dat er nog steeds groepjes vluchtenden opduiken. De huzaren wijzen hun de weg. De weg is bedekt met ijs en spekglad. Ze moeten afstijgen en de paarden leiden. Kelemen noteert in zijn dagboek.
Er staan een paar verlaten legerwagens op de weg zonder manschappen of paarden. We zijn er net voorbij als ik een harde slag in de buurt van mijn linkerknie voel en mijn paard onrustig wordt. Ik denk dat ik in het donker per ongeluk ergens tegenaan ben gestoten. Ik raak mijn been aan en breng daarna instinctief mijn gehandschoende hand naar mijn gezicht. De hand is warm en vochtig en nu voel ik een scherpe, bonkende pijn.
Mogor rijdt naast me en ik zeg tegen hem dat ik denk dat ik geraakt ben. Hij komt dicht bij me rijden en ontdekt dat ook mijn paard een wond heeft, een kleine op de lende. Maar paard en ruiter kunnen doorgaan. Hier zou je toch niet kunnen afstijgen. Er is geen verbandplaats in de buurt. Op ontelbare eenvoudige maar vriendelijke manieren probeert Mogor dapper mijn aandacht af te leiden van de wond. Het wordt steeds lichter. In het oosten komt de zon al felgekleurd op. Ten slotte bereiken we de zuidelijke helling van de pas. Hier zien we de eerste afgelegen huizen van een dorp. Op het open marktplein komen we Vas tegen, die bezorgd vraagt waarom we zo vertraagd zijn en die tekenen van paniek vertoont als Mogor vertelt wat er is gebeurd. Deze nacht is de dorpsschool omgebouwd tot verbandplaats en met Vas aan mijn ene zijde en Mogor aan de andere rij ik het hek naar het schoolplein door.
Nu begint alles wazig te worden voor mijn ogen. Het lukt me niet meer om uit het zadel te komen. Mijn linkerbeen is gevoelloos geraakt. Twee hospikken tillen me samen uit het zadel terwijl Mogor het paard wegleidt. Voorzichtig zetten ze me neer. Als mijn linkervoet de grond raakt, horen we hoe al het verzamelde bloed in mijn laars een zuigen geluid maakt. Ik kan niet rechtop staan. Met de onnadenkendheid die de jeugd kenmerkt, houdt Vas zijn zakspiegeltje voor me op en daarin zie ik een vreemd, geel, oud gezicht in plaats van mijn eigen.
bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum
Onderstaande tekening is van Jozef Ryszkiewicz, getiteld “cavalerie op mars”.