Gaston Le Roy weer in de frontlijn

Gaston Le Roy noteert het volgende in zijn dagboek :

16 februari 1918 : Ramskapelle. Het is alweer een tijd geleden dat we nog in de eerste lijn waren. Gedreven door nieuwsgierigheid en uit op nieuwe sensaties trek ik er met blij gemoed heen. Van Booitshoeke tot aan de voorpost lopen we op vlonders, het is om duizelig te worden.

Ramskapelle is één ruïne. Van aan het onherkenbare station strekt zich zover het oog reikt het water uit. Alleen een loopbruggetje leidt over dit kunstmatige meer naar de voorposten. Het vriest stevig en de nacht is helder verlicht door een kwartmaan. We brengen de nacht door rond een houtvuur, steeds stampvoetend, soms bradend vooraan en bevriezend achteraan.

18 februari 1918 : Een lachend zonnetje vrolijkt ons gemoed op. Aan de toegang tot de schuilplaats is het lekker goed. Prachtige lijn, sterk verdedigd en gerieflijke schuilplaatsen.
In de verte vertoont Nieuwpoort een indrukwekkend zicht van verwoestingen. De overeind gebleven muren zijn als kantwerk zo eigenaardig afgebrokkeld. Ik breng de nacht door op de voorpost en heb onbeschrijflijke ijskoude voeten.

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger , Lannoo

Het schilderij hieronder is van André Lynen, kunstschilder en oorlogsvrijwilliger.

AndréLynen_Ramscappelle

Raoul Snoeck adjudant

Raoul Snoeck noteert goed nieuws op 14 februari 1918 :

Ik word tot adjudant benoemd. Niet dat ik eerzuchtig ben maar dankzij de bevordering zal ik toch verlost zijn van voorraadzak en geweer. het is gewoonweg erg praktisch als je enkel een sabel moet dragen. Als adjudant mag je de rugzak op de wagen of op het Decauvilletreintje plaatsen.

Mijn legerzak heeft stijl. Van boven liggen mijn deken en rubbermantel. In het midden steekt keukengerei. Binnenin : ondergoed, sigaretten, chocolade, suiker, koffie, boter, kaas, schrijfpapier, een woordenboek en reservelevensmiddelen. Het geheel weegt om en bij de 30 kilo. Je kunt je voorstellen dat ik gelukkig ben die ballast niet meer achter me aan te slepen.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju en zoon

Op de foto staat een Decauvillespoor afgebeeld.

Decauville_1918_02

 

Gentse feesten op zijn Duits

Zoals op tal van andere plaatsen vieren de Duitsers ook in Gent op 27 januari 1918 de 59e verjaardag van keizer Wilhelm II. In haar oorlogsdagboeken vertelt de in Gent wonende Virginie Loveling dat de feestelijkheden daar al de avond voordien begonnen met een indrukwekkende fakkeltocht door de straten.

Op 27 januari 1918 heeft er op het Sint-Pietersplein een vreugdebetoging plaats waaraan naar verluidt zowat drieduizend militairen deelnemen. Virginie Loveling vertelt verder

In ontelbare cohorten, voorafgegaan door twee muziekkorpsen, kwamen er reeksen op paradestap door de Citadellaan afgedaald en langs de Kunstlaan was het gewoel van soldaten, burgerlijken met de driekleurige band rond de arm , mannen en vrouwen, zo groot, dat er moeilijk tussendoor te geraken was.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Gent_Parade01

 

 

slechte nacht voor de Gotha’s

De grootvader van schrijfster Lut Ureel verhaalt op 20 januari 1918 in zijn dagboek hoe de avond ervoor een Duits bombardementsvliegtuig werd neergehaald.

Gisteren is er een Gotha neergeschoten te Wulveringem omstreeks 6u30. De vier manschappen aan boord (een officier, twee onderofficieren en een soldaat) zijn krijgsgevangen gemaakt. Van het vliegtuig werd de schroef afgenomen.

Sowieso is dit een barslechte nacht voor de vliegtuigen van dit type : ook in Pervijze, Duinkerke en Veurne zijn Gotha’s neergeschoten. Over dit laatste exemplaar schrijft onderwijzer Jozef Gesquière onder meer :

De bemanning werd door Belgische soldaten aangehouden en naar de stadsgevangenis gebracht. Daar zitten ze nu waarschijnlijk te mediteren over de afschuwelijkheid van hun nachtelijke moordtochten op een weerloze burgerbevolking.

De foto hieronder toont de Gotha die is neergehaald nabij Duinkerke. Het wrak werd tentoon gesteld aan het standbeeld van Jan Bart.

bron
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Gotha_Dunkerque_1918

 

 

op wacht bij Grande Garde Vicogne

Dokter Lievens noteert in zijn dagboek.

11-1-1918 : Ik vertrek naar Grande Garde Vicogne. De wegen zijn in een echte modderpoel herschapen. Bij elke stap kleeft een nieuw pak klei aan de schoenen. Menig zwaar beladen soldaat glijdt uit en valt. In de duisternis komen we vuil, zwaar, grof en geheel gesteld om te lijden bij Viconia aan. Ik tref er een nieuwe heel vochtige Poste Sanitaire aan. net als we aankomen beginnen de Duitsers de passerelle te beschieten met mitrailleurs, zo hevig dat de hele compagnie zich plat moet neerwerpen. Na vijf minuten houdt het vuren op en kunnen onze mannen verder.

Viconia was vier jaar lang in Duitse handen. Dokter Lievens bedoelt ofwel de Grote wacht Oud-Stuivekenskerke of wel de Grote Wacht Reigersvliet. Beiden liggen in vogelvlucht ongeveer 1 kilometer van Viconia.

12-1-1918 : Met commandant Van Loo maak ik in de donkere nacht een volledige ronde van de voorposten. Juist voor de puinen van de hofstede tegen p.a. zijn we nog eens in een kogeltuil van machinegeweren gekomen, die vlak voor ons op de afgebrokkelde muren knetterend en vuurspattend uiteenvloog. Onze ronde is uiterst vermoeiend in de kleiachtige modder of over glibberige brugjes. Plots loopt commandant Van Loo tegen me aan en vliegt halsoverkop in het vuile water. Doodmoe leg ik me om 2 uur op mijn strozak.

bron : André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo

OudStuyvekenskerke_voorpost

dood van een smokkelaar

De Nederlander J.G. Imhof noteert in zijn mobilisatieherinneringen 1914-1919 het volgende op 10 januari 1918

Daar staan we dan op deze grauwe morgen onder de sombere toren bij het lijk van de smokkelaar. De stoet formeert zich en gaat op weg – vier ongewapende soldaten als dragers van de baar, twee marechaussees en ikzelf, omgord met klewang (zwaard) en revolver. Nu zijn we bij het huisje, waarvan de blinden voor de ramen half gesloten zijn. Een man doet huilend open – dan dragen de soldaten de baar in de kamer waar het doodsbed staat. Als het zeildoek wordt weggenomen, snikt de man het uit :”O God, is dat mijn broer !”. Handenwringend staat hij tegen de deurpost geleund. “Ach meneer, was hij maar thuis gebleven, dan was er niets gebeurd”. Op deze logica weet ik niets te antwoorden, wel weet ik : wie smokkelt moet er de dood voor over hebben.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
http://wereldoorlog1418.nl/ooggetuigen-eerste-wereldoorlog/imhof-smokkelaars.html

smokkel_lvw_afb_10

marsorders en verlof voor Herbert Sulzbach

Het nieuwe jaar 1918 begint niet zo goed voor Herbert Sulzbach, de Duitse artillerieofficier. Hij krijgt het bevel een opleiding te volgen in het kamp van Beverloo. Hij kan zich troosten met het feit dat hij eerst nog op verlof mag in zijn heimat. Op 2 januari 1918 noteert hij in zijn dagboek :

Ik ben sprakeloos, en helemaal niet opgetogen over het feit dat ik op training moet gaan in de artillerieschool in Beverloo in België. Het kazerneleven met bijbehorende corvee staat me daar te wachten en dat is echt niet waar ik naar uitkijk. Ze zeggen me dat het een eer is omdat ik opnieuw opgeleid wordt voor de nieuwe veldslagen die het nieuwe jaar met zich meebrengt. Ik heb een afscheidsfeestje met mijn kameraden van batterij nr 2, maar ik mis niets van het frontleven, want de dag dat ik vertrek naar Beverloo, wordt de ganse divisie in onze sector afgelost en wordt teruggetrokken naar de achterste linies voor een training in mobiele oorlogsvoering.

Voor ik me afmeld bij de commandant, word ik naar het stafhoofdkwartier geroepen en krijg daar nog enkele dagen verlof. Ik reis af op 4 januari, passeer langs Keulen waar ik enkele kameraden terugzie, en reis dan verder naar Frankfurt-am-Main.

Onderstaande tekening is een postkaart van Arthur Thiele.

Kuenstler-AK-Arthur-Thiele-Auf-Urlaub-Erzaehlung-von-Kriegserlebnissen

 

de kerstperiode van Martinus Evers

Waar heeft Martinus Evers de kerstperiode van 1917 doorgebracht ? Dankzij het dagboek van François Janssen, een soldaat van het 23e linieregiment net zoals mijn grootvader, kunnen we ervan uitgaan dat Martinus Evers eind december 1917 begin januari 1918 in de buurt van Diksmuide heeft doorgebracht. In het dagboek van François Janssen lezen we het volgende :

0p 22-12-1917 moesten we terug op wacht aan de boorden van de Ijzer om er in de zuidersektor van Diksmuide de 6de L.A. te gaan aflossen. Van Vinkem trokken we met pak en zak over Alveringem, Oudekapelle, Sint-Jacobskapelle tot op de bestemming aan de Ijzer,
Deze voor ons nieuwe sektor, liep van aan de noordersektor van Diksmuide, Kaaskerke, en wel vanaf de spoorbaan dicht aan de Minoterie over Sint-Jacobskapelle en Nieuwkapelle tot aan het “Oud Fort van Knokke” dat aansluiting gaf met de volgende sektor van Merkem, Bikschote.
Juist voor Diksmuide was het uiterst gevaarlijk gezien de Duitsers de oosterkant over de Ijzer bezetten, en vanuit  de Bloemmolens of Minoterie in de rug konden mitrailleren met Fritz die in de bunker aan een ketting 1ag en onze loopgrachten voortdurend onder vuur nam.
Met Jeannin en Lhoir hebben we slechts eenmaal de verkenning op de Minoterie gedaan doch we vonden er geen enkele in-of uitgang.
Niets was er te vinden en te zien dan dooreengeschoten prikkeldraadversperringen op een massale betonversterking met daarin, bezijden, enkele schietgaten waardoor de genoemde Fritz ons aanhoudend bestookte.

bron : François Janssen, Belevenissen aan het Ijzerfront

Onderstaande kaart is van het Lange Max Museum en toont de positie van dit grote kanon. Tevens geeft de kaart goed aan waarlangs het 23e linie is gemarcheerd alvorens aan te komen aan de Minoterie van Diksmuide. 

Lange-Max-ligging

een relatief rustige kerst voor Herbert Sulzbach

Herbert Sulzbach, een Duitse luitenant bij de artillerie, brengt de decemberdagen door tussen Nouvion en Laval, in de buurt van de Chemin des Dames. December brengt goed nieuws van het oostfront voor de Duitsers.

5 december 1917 : wapenstilstand met Roemenië. De situatie lijkt steeds twijfelachtiger voor de geallieerden.

Op 17 december kon ik de mannen zeggen dat de wapenstilstand met Rusland verlengd is tot 14 januari 1918. In deze periode zullen vredesonderhandelingen plaats hebben.

Twee tot drie maal per week komt een sergeant langs naar de frontlinies, om de soldaten uit te betalen of andere formaliteiten met me te regelen. Op 21 december komt hij weer langs, vertrok goedgezind en tien minuten later belt een nabijgelegen eenheid me op om te zeggen dat de sergeant getroffen is door een bominslag. Zo verlies ik weer een van mijn goede mannen. Al mijn  manschappen zijn ontdaan, en sommigen kenden hem van bij het begin van de oorlog.

Ondertussen is de temperatuur tot 8 graden onder nul gezakt, overal ligt sneeuw, de bossen schitteren erdoor en de kanonnen zijn volledig ingesneeuwd. Hoe onschuldig, hoe vredig ligt het landschap erbij in de verrukkelijke sneeuw.

En daarmee is het kerstavond, de vierde in Frankrijk, de vierde ten velde. De vorige kerst aan de Somme was veel erger. We hebben een misviering waar iedereen naar de kapelaan luistert. Daarna gaan de mannen terug naar hun schuilplaatsen, ieder met zijn eigen kerstboom. Na een korte stilte beginnen meer en meer soldaten te zingen. Het weer kon niet geschikter voor kerstmis zijn; al deze sneeuw is ongewoon voor Frankrijk. Het landschap ziet er onschuldig uit. Je kan de ruïnes van de dorpen in het avondlicht zien en in de verte de kathedraal van Laon en ik voel me ontroerd. Later op de avond gaat het er vrolijker aan toe, iedereen heeft genoeg te eten en te drinken en we moeten niet veel vuren, het is een harmonieuze kerstavond.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword military

Weihnachten_1917_02

 

 

begin van het kampleven

Op 20 december 1917 arriveert de Italiaanse soldaat Paolo Monelli op zijn eindbestemming, een oud kasteel in Salzburg dat is omgebouwd tot een krijgsgevangenenkamp. Hij heeft nu bijna twee weken gemarcheerd, ingeklemd in een colonne van vermoeide, gedemoraliseerde krijgsgevangenen met kapotte uniformen en afgerukte medailles en rangonderscheidingstekens. Soms hebben mensen om eten gevochten, soms is er bonje ontstaan als gevangenen de ontbinding ten gevolge van de gevangenschap hebben gebruikt om de eerder zo harde discipline te doorbreken en los te gaan op hun officieren. Velen zijn blij dat hun oorlog nu eindelijk ten einde is en schromen niet om hun vreugde te tonen.

Maar Monelli heeft ook kunnen zien dat de tegenstander, in zijn triomf, aanzienlijke problemen heeft : van de Oostenrijks-Hongaarse soldaten die de colonne gevangenen vanaf de kant van de weg tevreden stonden te bekijken, waren velen ondervoed en mager. De vijand moet bovendien een wanhopig gebrek aan mensen hebben, want hij heeft meerdere bultenaren gezien en zelfs een dwerg. Vandaag begint het kampleven voor hem en de anderen. Monelli schrijft in zijn dagboek :

Op 20 december arroveren we bij het fort in Salzburg – een grimmige kazerne met setile dikke muren op de top van een ontoegankelijke heuvel, zonder zon, rillend van de kou in lege zalen. In de noordelijke winter, met mist en sneeuw om ons heen, wordt de gedachte aan het traditionele kerstfeest een kwelling.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

ItaliaanseKrijgsgevangenenCaporetto