Ici, on ne salue plus !

Einde mei 1916 heeft Louis Barthas met zijn kameraden de frontlinies van Verdun mogen verlaten. Ze behoren tot de gelukkigen die het overleefd hebben. Maar Barthas noteert in zijn dagboek een anecdote die duidelijk aantoont dat de soldaten niet zonder rancune tegenover hun officieren van de eerste linies zijn teruggekomen.

Voor de deur van het gemeentehuis van Béthancourt stond een wachtpost. Het was niemand anders dan Sabatier die door een granaatinslag bij heuvel 304 begraven en weer opgegraven was. De twee officieren van het bataljon passeerden hem en wierpen een discrete blik op zijn kapotjas waarvan drie knoopsgaten als weduwen treurden om hun knopen; zijn broek zat vol scheuren en glorieuze modder van heuvel 304. Maar de twee grootheden stonden paf van ontzetting toen ze zagen dat de spotvogel Sabatier het niet nodig vond zijn pijp uit zijn mond te nemen. Een nieuwe pijp, want de andere was in stukken uit zijn mond gevallen door de granaatontploffing bij heuvel 304. Dit was al een zwaar vergrijp voor een wachtpost, maar de onbeschaamde Sabatier beging zelfs majesteitsschennis door voor zijn meerderen niet het geweer te presenteren. Hij bleef even onverstoorbaar als wanneer de postbode voorbij zou zijn gekomen.

Dit ging te ver. Deze overtreding van de discipline schreeuwde om wraak. De majoor liep op de onverlaat af en zei streng :”Sinds wanneer wordt hier niet meer gesalueerd ?”.
Zonder een spier te vertrekken wees Sabatier naar de zon die net achter een wolk schuilging en riep met bulderende stem :”Pardon, de zon is al onder.”.
– “Wat zeg je ?”
– “Ik zeg dat we jullie op heuvel 304 niet gezien hebben. Hier wordt niet meer gesalueerd.” (Je dis qu’à la cote 304 on ne vous a pas vu. Ici on ne salue plus.)

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uit het Frans vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuijzen

Poilu_Pipe

 

Dodendraad tussen Neerpelt en Hamont verhuist

Net als elders langs de grens tussen België en Nederland staat “den Draad” in noord-Limburg er nu al geruime tijd, maar dat blijkt niet voldoende om iedereen die de grens wil overschrijden, tegen te houden. het voornaamste probleem voor de Duitsers is dat deze elektrische versperring op tal van plaatsen, onder meer te Neerpelt, te ver van de werkelijke grens staat, waardoor het tussenliggende niemandsland veel te groot is. Niet alleen is dat gebied moeilijker te bewaken, er is ook alle ruimte voor smokkelaars, spionnen en andere trafikanten om ongezien te blijven.

Op 6 juni 1916 begint de bezetter de elektrische draad te verplaatsen in noordelijke richting, dichter bij de Nederlandse grens dus. De stad Hamont ligt daardoor voortaan aan de Belgische kant van de draad, en niet aan de Nederlandse kant. De werkzaamheden gebeuren door Belgische arbeiders onder Duits toezicht. Vijf frank per dag krijgen de arbeiders daarvoor. Op 14 augustus 1916 wordt de nieuwe versperring onder stroom gezet.

bronnen :
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
Prof. Dr. Alex Vanneste, de elektrische draadversperring aan de Belgisch-Nederlandse grens tijdens de eerste wereldoorlog, uitgave in eigen beheer

Dodendraad_Achel

 

Val van Lutsk

Op 4 juni 1916 is het zo ver : de Russen vallen aan en beginnen aan wat later het Broesilov offensief genoemd wordt. Dit offensief was goed voorbereid door generaal Broesilov en het was een Russisch antwoord op de Franse vraag aan zijn geallieerden om offensieven te starten en zo de Duitse druk op Verdun te verminderen. Hoe Broesilov dit offensief voorbereidde, lees je hier.

Na een artilleriebombardement gaan de Russen tot de aanval over. Zij richten zich op het Oostenrijks-Hongaarse leger omdat ze dit als de zwakste schakel aan het oostfront inschatten. Een van de eerste steden die in hun handen valt is Lutsk (8 juni 1916) . De Russische schilder Leonid Sologub heeft van deze gebeurtenis een schilderij gemaakt dat we hieronder weergeven.

bronnen :
https://nl.wikipedia.org/wiki/Broesilov-offensief
http://www.artnet.com/artists/leonid-sologub/breakthrough-at-lutsk-collection-of-drawings-from-fAChid3UYjxMh8Rojsumsw2
leonid-sologub-breakthrough-at-lutsk;-collection-of-drawings-from-the-first-world-war-series,-(18-works)

 

 

Doorbraak bij Passo Buole

Sinds 15 mei 1916 is er een Oostenrijks-Hongaars offensief gaande (onder de naam Strafexpedition) in de bergen rondom het Asiagoplateau. De successen van de vijand zijn groot geweest, in elk geval vergeleken met de vruchteloze doorbraakpogingen van het Italiaanse leger bij Isonzo. Als het de Italianen niet lukt hen te stoppen, dan bereiken ze het laagland en kunnen doorgaan tot aan de kust, tot aan Venetië. De snelheid van de opmars verrast sommige Italiaanse eenheden.

Op 23 mei 1916 is er al een bataljon Italiaanse alpenjagers achtergebleven op Cima Undici terwijl de Oostenrijks-Hongaarse soldaten al de berg achter hen, Cima Dodici, hadden ingenomen. Pas na enkel angstige uren, waarbij ze brandende dorpen doorkruisen, kunnen ze aansluiting vinden bij hun eigen troepen.

Op 30 mei 1916 neemt de Oostenrijks-Hongaarse artillerie gedurende enkele uren de Italiaanse posities op de Passo Buole onder vuur.Daarna valt de infanterie van de Kaiserliche und Königliche Armee aan. De Italianen verzetten zich hevig en de Passo Buole krijgt de naam Thermopylae van Italië (verwijzing naar de slag bij de Thermopylae tussen 300 Spartanen en een groot Perzisch leger).

Op 1 juni gaat de strijd verder op de Monte Cengio en de Monte Giove. Ook hier raken Italiaanse eenheden omsingeld. Versterkingen worden vakkundig tegengehouden door de Oostenrijks-Hongaarse artillerie.

bronnen
Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum
http://www.notiziedalfronte.it/strafexpedition-gli-austriaci-attaccano-passo-buole/
http://www.notiziedalfronte.it/strafexpedition-la-battaglia-infuria-sul-monte-cengio/

 

Italie_MeiJuni1916

slag om Mount Sorrel

Het Duitse leger zet op 2 juni 1916 een offensief in dat de geschiedenis ingaat als de slag om Mount Sorrel. Voor aanvang van de slag hebben de Duitsers de nabije Hill 60 reeds in handen. De strijd is fel, de Canadezen verdedigen zich moedig, maar ze kunnen niet beletten dat ook Hill 62 in Duitse handen valt op 6 juni. Minder dan een week later gaan de Canadezen in de tegenaanval en heroveren Hill 62 en de iets zuidelijker gelegen Mount Sorrel.

Beide zijden kennen zware verliezen, maar een belangrijk pluspunt voor de Canadezen van Mount Sorrel is de aanstelling van de Brit Julian Byng als nieuwe bevelhebber. Hij zal het wat ordeloze maar moedige Canadese leger omvormen tot een geduchte, moderne strijdkracht.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

MountSorrel1916

Britse blokkade blijft

Het doel voor de Duitsers van de zeeslag bij Jutland (of slag bij het Skagerrak) was de Britse zeeblokkade te doorbreken. Die bezorgt de Duitse economie bijzonder veel hinder. Tijdens deze zeeslag op 31 mei en 1 juni 1916 zijn de Duitsers inzake terrein in het voordeel : terwijl de Britse schepen zich scherp aftekenen tegen de hemel, liggen de hunne in een wat meer mistige omgeving. Verlies hierbij niet uit het oog dat beide vloten over een enorme vuurkracht beschikken : ze beschieten elkaar op afstanden die variëren van 9 tot 17 kilometer ! Interessant om te weten is dat slechts 2 tot 3% van de afgevuurde zware granaten doel treft.

Tegen de morgen  zijn er enkel nog achterhoedegevechten. De Britse overmacht is groot, al verliezen zij meer manschappen en tonnenmaat dan de tegenstrever. De Duitsers slagen er niet in de zeeblokkade van hun land te doorbreken en zullen ook nooit meer een poging wagen.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

skagerrak-schlacht.jpg

Aanloop naar de slag bij Jutland

Op 31 mei en 1 juni 1916 wordt de grootste zeeslag van de grote oorlog uitgevochten, bekend onder de namen slag bij Jutland (Britten) en slag voor het Skagerrak (Duitsers). Hoewel Groot-Brittannië en Duitsland beide over een grote zeemacht beschikken, worden er slechts twee grote zeeslagen uitgevochten. De andere, slag bij Doggersbank, vond plaats op 24 januari 1915.

De Duitsers willen de zeeblokkade van hun land doorbreken, maar de Britten zijn op de hoogte van een gedeelte van hun plannen. Daardoor verschijnt de Home Fleet met een grotere vloot dan verwacht en valt zij aan vooraleer de onderzeeërs van de Hochseeflotte op hun posities zijn.

Bovendien zijnde Britse schepen talrijker dan de Duitse : 28 slagschepen tegen 22, 9 slagkruisers tegen 5 enzovoort. Het Britse geschut is van een zwaarder kaliber, maar de Duitse schepen zijn beter gepantserd en hebben nauwkeuriger apparatuur voor afstandsmeting.

Meer informatie over deze slag is te lezen op deze pagina.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Jutland_Skagerrak_1916.jpg

 

water voor het front

Een legerkamp met flink wat soldaten heeft nood aan een behoorlijke voorraad water. Onderpastoor Van Walleghem legt uit hoe dat gebeurt in Westouter.

Te Westouter heeft men op drie plaatsen de beken afgedamd die van de heuvels stromen. Zo heeft men grote waterreservoirs, soms wel met de oppervlakte van een gemeet (oude landmaat die varieert in grootte). Dat water leidt men dan door ijzeren buizen soms een half uur ver, maar op sommige plaatsen ook wel eens een uur ver. Daar wordt het water opgevangen in grote bakken, waar de waterkarren het komen halen. Eveneens daar zijn de drinkbakken voor de paarden. In veel plaatsen zijn ook waterputten gedolven, soms wel 12 meter diep. De boorden ervan zijn sterk bezet met hout.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
foto komt uit Daniël Vanacker, België in de grote oorlog, Roularta
Wie gedetailleerde informatie wilt over waterwinning in de oorlog, kan terecht op http://wereldoorlog1418.nl/drinkwaterzuivering/index.html

Drinkwater_1916.jpg

 

makkers rouwen om Firmin Deprez

Firmin Deprez was samen met Joris Lannoo (de latere uitgever) ingedeeld bij het 6e linieregiment in de sector Noordschote. Hun compagnieën lagen vlak naast elkaar. ALs student in de rechten werd Firmin Deprez eens opgeroepen om een andere soldaat te verdedigen voor de krijgsauditeur. Inzake de Vlaamse taalkwestie was Firmin duidelijk wat radicaler dan Lannoo. Begin april 1916 had hij Jeroom Leuridan opgezocht in de sector Pervijze, niet zo ver van dez beruchte petroleumtanks in Diksmuide. Leuridan noteerde op 13 april 1916 in zijn dagboek dat er aan en achter het front heel wat commotie was bij de Vlaamse soldaten. Er was toen al veel beweging onder de Vlamingen aan het front, maar nog geen volwaardige ‘frontbeweging’.

FirminDeprez1916In mei 1916 zijn de Duitsers extra actief aan het Ijzerfront en elders in België. Met hun gedurige aanvallen willen ze de geallieerde soldaten vastpinnen en voorkomen dat ze de Fransen versterkingen kunnen sturen nu die in Verdun zwaar onder vuur liggen.

Op 20 mei 1916 heeft Firmin Deprez nog een vergadering in Izenberge met aalmoezeniers en brancardiers. Daar wordt op aandringen van Firmin een tekst opgesteld met de titel Wat Vlaamsche studenten kunnen doen. Het is een oproep om de actie niet uit te stellen tot de oorlog voorbij is, er moet nu al gewerkt worden. Daar is Firmin rotsvast van overtuigd. Op die vergadering wordt zijn allerlaatste foto genomen, die we aan deze pagina toevoegen.

In de nacht van 21 op 22 mei 1916 sneuvelt Firmin door de kogel van een Duitse scherpschutter. Voor Joris Lannoo is dit een harde slag. Hij herinnert zich Firmin als ‘een wandelende apostel voor allen : zijn godsvrucht, zijn Vlaamse overtuiging en verantwoordelijkheidsgevoel als bevelvoerder van een infanteriepeloton, mochten allen tot voorbeeld en bevinding strekken. Hij was de man van de rechte lijn op elk gebied en al de soldaten waren vol achting voor hem’.

Op de begrafenis in Oostvleteren dagen ook vele studiegenoten uit Leuven op, waar Firmin rechten had gestudeerd. Joris Lannoo is er niet bij omdat hij zijn sector aan de Ieperlee niet kan verlaten. De pers achter het front bericht vanaf 26 mei 1916 uitvoerig over de dood van Firmin Deprez. Daarnaast zetten verschillende studiekringen hun schouders onder Heldenhulde, een initiatief voor gesneuvelde Vlaamse soldaten dat Joris Lannoo van bij het begin steunt en waarvoor hij zich actief zal inzetten.

bron : Romain Van Landschoot, een Vlaamse viking aan het front, Lannoo

 

emotionele roetsjbaan voor Raoul Snoeck

Mei 1916 is een emotionele roetsjbaan voor Raoul Snoeck met hoogtes en laagtes, gevaar aan het front, verlof in Parijs en ziekte.

6 mei 1916 Wat een rotweer. De regen zet alles onder water, we verzuipen in onze loopgraven. Het moreel is goed. Ik voorzie een derde oorlogswinter. Het is verschrikkelijk maar wat kunnen wij eraan verhelpen ? (…)

10 mei 1916 De laatste dagen hebben de Duitsers heel regelmatig hun aanvallen op de Dodengang vernieuwd. De bestormingen worden voorafgegaan door hevige bombardementen met torpedo’s, bommen en obussen.

16 mei 1916 Aan een brave kerel van de compagnie vroeg ik of hij mijn oppasser wou worden. Altijd had hij dat aan anderen geweigerd, maar hij antwoordde :”U bent een goed mens, ik wil wel uw ordonnans zijn.”. Hij heet Paul Vandenberghe, een eenvoudige jongen uit het Roeselaarse platteland. Zijn broers zijn bekende wielrenners. Hij zal mijn taak een beetje verlichten. Net zoals ik is hij soldaat van de klasse 13, we zijn al samen sinds het begin van de oorlog.

19 mei 1916 Ik ben voor zeven dagen met verlof in Parijs. Zoals gewoonlijk amuseer ik me goed. Ik maak van de gelegenheid gebruik om me te laten fotograferen met helm en in legerjas. Ik reken erop dit krijgshaftig portret aan mijn familie te kunnen toesturen.

26 mei 1916 Opnieuw in het kantonnement. Ik verlaat Parijs altijd met spijt in het hart, wan tik moet er zulke goeie vrienden achterlaten. Ze zijn erg toegewijd en ontvangen me als een zoon of een broer. De dagen die ik bij hen in de mooie Lichtstad doorbreng, doen al het andere vergeten. Ah ! Wat is Parijs toch mooi !
En nu vooruit ! Op naar een nieuwe periode van strijd en ellende.

30 mei 1916 Ik vertoon verschijnselen van bronchitis, griep, influenza, alles ineens. Tien dagen ben ik compleet van de kaart geweest. Ik denk veel aan mijn ouders. Hoe ongerust zouden ze niet zijn, mochten ze weten dat ik ziek was !
Mijn verwonding heeft me zes maand achter het front gehouden. Ik mag niet klagen. Wie nog nooit het front verlaten heeft, is nog ongelukkiger dan ik.
De laatste weken doorworstel ik een zwarte periode, ik val ten prooi aan verschrikkelijke buien van neerslachtigheid. Soms ben ik zo bedroefd dat niets me kan troosten. Ik heb geen veerkracht meer, geen energie, misschien is het lafheid. Maar wie nooit gezondigd heeft, mag de eerste steen werpen. De moedeloosheid maakt me kapot.

bron : Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, SNoeck-Ducaju & zoon

RaoulSnoeck_Parijs_Mei1916

deze foto liet Raoul Snoeck in mei 1916 in Parijs maken