Lawrence in Arabië

Kapitein T.E. Lawrence, een Brits verbindingsofficier, arriveert op 16 oktober 1916 in Jeddah. Hij moet contacten leggen tussen de leiders van de Arabische revolutionairen en het Britse establishment. Hij wordt de adviseur van prins Feisal, die de verschillende Arabische stammen probeert te verenigen tegen de Turken. Lawrence, een voorstander van een onafhankelijke Arabische staat, wordt wegens zijn prestaties bekend als “Lawrence of Arabia”.

bron : Ian Westwell, 1914-1918, de eerste wereldoorlog dag na dag, Deltas

TE_Lawrence.jpg

de eerste geallieerde bombardementsvlucht

Al snel na het begin van de oorlog is het voor sommige hogere geallieerde militairen duidelijk dat bombarderen vanuit de lucht een bijdrage kan leveren tot de overwinning. De Duitsers kunnen met hun weliswaar trage zeppelins alvast zware bommen gooien, maar de Britten en Fransen moeten het aanvankelijk stellen met gewone vliegtuigen die wat kleine bommen kunnen transporteren. Zowel Britten als Fransen bouwen heuse bommenwerpers.

Omdat de actieradius van Britse bommenwerpers niet tot in Duitsland reikt, wordt in Frankrijk een eenheid opgezet onder het gezag van Hugh Trenchard. Op 12 oktober 1916 vertrekt de eerste grote geallieerde bombardementsvlucht. Een vloot van Britse en Franse bommenwerpers bestookt de wapenfabriek Mauser Werken in Oberndorf. Omdat de logge en trager bommenwerpers zeer kwetsbaar zijn voor Duitse jachtvliegtuigen, vliegen ze onder begeleiding van Nieuport-toestellen.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

hughtrenchard_royalflyingcorps

Hugh Trenchard

het Belgenmonument van Amersfoort

Belgen die in Nederland geïnterneerd zijn, vervelen zich behoorlijk. Eén remedie daartegen : werken tegen betaling, bijvoorbeeld bij landbouwers of in de mijnen. Op 10 oktober 1916 keurt de gemeenteraad van Amersfoort een nieuwe maatregel tegen de verveling goed : de Belgen mogen meewerken aan een monument om de Belgische dank voor de Nederlandse gastvrijheid tijdens de oorlog te uiten.

In groepen van 25 mogen de Belgen enkele weken of maanden meehelpen aan de oprichting van het zogenaamde Belgenmonument. Het eindresultaat is een soort van gebouw met in de muren portretten van koningen en hoge militairen uit de beide landen, enkele symbolen, en toch ook een lijst van in Nederland gestorven Belgische geïnterneerden.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

belgenmonument-amersfoort.jpg

de laatste minuten voor de aanval

Arthur Knaap, een Nederlandse vrijwilliger in het Vreemdelingenlegioen, vertelt in eenb brief van 5 oktober 1916 aan zijn familie over de laatste minuten voor de aanval begint.

Boven onze hoofden is het een voortdurend gesuis van kleine granaten en een blazend gezucht van de middelgrote. Van tijd tot tijd komt er ook een grote voorbij met het geratel van een locomotief.
Ik kijk het mechanisme van mijn geweer nog eens na en geef me rekenschap dat mijn bajonet goed bevestigd is. Mijn vingers beven. Ten alle kosten beproevend mijn koelbloedigheid te bewaren steek ik een sigaret op, maar na enkele trekken word ik duizelig. Ik durf niet te spreken uit angst mijn zenuwachtigheid te tonen.
Mijn kameraden zijn trouwens in hetzelfde geval, onrustig, de ogen wijd open, als zagen ze iets ontzagwekkends. Sommigen bidden en ik benijd ze, één zag ik in een hoek gezakt die stil weent.

Over het frontleven van Arthur Knaap is er in 2014 een film gemaakt onder de titel “Patria”. Die titel verwijst naar de slogan van het Vreemdelingenlegioen “Legio Patria Nostra” (het Legioen is ons vaderland). Het boek waarin zijn brieven zijn verzameld, heeft eveneens de titel “Patria”.

bronnen :
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
http://www.patriathefilm.com/

arthurknaap

Taalstrijd achter de linies

Gaston Le Roy noteert in zijn dagboek op 3 oktober 1916 :

opinionwallonneWegens een pas verschenen Waal strijdblad, L’Opinion Wallonne, hadden we hier een felle woordenwisseling. Het leek op een herberg waarin twee partijen vlak voor de verkiezingen een meeting hielden. Mijn vriend, de sergeant, een Walensympathisant, eindigde met de veelbetekenende woorden :”We hebben jullie altijd onder de duim gehouden en willen strijden voor het behoud van die onderdrukking.”. Zulke discussies zijn uiterst goed voor onze Vlaamse jongens. Hun ogen gaan open. De zitting wordt besloten met een Vlaamse Leeuw. Van beide kanten zijn we tevreden met onze openbaringen. Naar de loopgraven. Met een van bloed doortrokken kous en schoen kom ik er aan. Arme Voet !

bron : André Gysel, Gaston le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger tijdens WO 1, Lannoo

Afscheid van een piloot

Herbert Sulzbach ziet op 11 september 1916 een merkwaardig tafereel in de frontlinies.

Een Duits vliegtuig maakte een aantal rondjes boven onze frontlinies en landde dan in een hoogst ongewone manier op de weide naast onze kanonnen. De piloot was luitenant von Mellenthin, die op bezoek kwam bij zijn vader, de commandant van een infanterieregiment gelegerd in de linies vlak voor ons. Het klinkt heel eenvoudig maar het was zo gedurfd en oorspronkelijk dat we allemaal heel enthousiast waren als de jonge piloot terug vertrok. Het was des te meer ontnuchterend als we een dag later hoorden van Mellenthin neergeschoten was boven de Somme. Het leek wel alsof hij zijn dood voelde naderen en daarom zijn vader nog een laatste keer wou bezoeken.

bron : Herbert Sulzbach, with the german guns, Pen & Sword military

DuitsVliegtuig_Edelweis.jpg

Berthe van Brussel

De Duitse artillerist Herbert Sulzbach kan eind september 1916 samen met luitenant Schellenberg naar Brussel. Ze reizen via Saint-Quentin (Fr) via Mons en Braine-le-Comte en komen aan in de Belgische hoofdstad.

Ik moet deze kleine uitstap in detail beschrijven want deze dagen vormen een enorm contrast met het dagelijkse leven aan het front. Hier voel je je volop leven, terwijl de dood alomtegenwoordig is in de eerste linies. Mijn kamer met een wit, zacht bed is de meest heerlijke plaats die je je kan inbeelden, vergeleken met de modderige schuilplaatsen in de loopgraven. In het restaurant kunnen we genieten van een goed maal, omgeven door muziek en overal rondom ons zien we vrouwen. ’s Avonds gaan we naar de danscafé’s en dit  leven is bijzonder aangenaam. De mensen moeten het ons maar niet kwalijk nemen, net zo min als ik het erg vind dat ze zich aan het thuisfront ook nog aangenaam maken. Je weet immers maar nooit of je nog terug komt om er weer van te genieten.

(…)

De stad zelf, die ik in 1912 al eerder bezocht, vind ik heel aangenaam : het stadhuis, de kathedraal van Sint-Goedele en de Beurs zijn bewonderenswaardig. Ik ontmoet heel wat mensen op die korte verloven. ’s Avonds in het restaurant dineer ik met een aangename Belgische dame. Eindelijk weer praten met een intelligente dame, hoe lang heb ik dat niet gemist. Afscheid nemen van Brussel was bijzonder hard, juist omwille van die dame : Berthe was haar naam. Er zijn mensen waarmee je direct vriendschap kan sluiten in een paar uur en waarmee je je zo eigen voelt alsof je ze al jaren kent. Belgische burgers behandelen ons Duitsers doorgaans zeer afstandelijk. (…)

Op de terugweg hielden we een uur halt in Namen en ik wandelde door de stad en bezocht de plaatsen waar ik in 1914 gelegerd was. Op de terugweg naar het front was de spoorlijn geblokkeerd door troepentransporten : grote troepenbewegingen van en naar de Somme, compagnieën soldaten die gevechtsmoe waren en ongelooflijk smerig.

bron : Herbert Sulzbach, with the german guns, Pen & Sword military

DuitseSoldaten_Schaarbeek.jpg

een bijzonder eerbetoon in Ieper

Tijdens de slag van Flers-Courcelette (Frankrijk) sneuvelt op 25 september 1916 tweede luitenant Charles Dean Prangley, de zoon van Eerwaarde Charles Prangley, van het rectoraat van de anglicaanse kerk in Norfolk. De tweede luitenant ligt begraven in Guards’ Cemetery in Lesboeufs.

Het meest bijzondere en overweldigende eerbetoon voor Doox, zoals de bijnaam luidt van de gesneuvelde, bevindt zich sinds 1927 in Saint George’s kerk in Ieper (Elverdingsestraat 1, Ieper). Het is een geïllustreerd boek van de Heilige Communiedienst in de anglicaanse kerk, voor de rouwende vader gemaakt door een kalligraaf. Op elke bladzijde van het boek staat de naam Doox, terwijl de omslag is gemaakt van de schors van een boom voor het rectoraat van Norfolk. Voor het gouden kruis werd de trouwring van Doox’ moeder hersmolten (zij overleed vermoedelijk bij zijn geboorte).

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
http://www.lynnnews.co.uk/news/doox-prangley-forgotten-hero-1-540465

charlesdeanprangley1916

 

Eenzame Taube boven Ieper

De Autralische militair Viv Smythe schrijft op 23 september 1916 vanuit Flanders Fields een brief aan zijn geliefde.

Sinds we hier zijn, rusten we. In de loopgraven zijn we nog niet geweest. Ik denk taube03trouwens dat ze in een lamentabele toestand zijn en nog niet hersteld werden sinds de derde slag om Ieper. Het weer is koud en nat geweest maar
vandaag is een heerlijke dag. En dan duikt natuurlijk ook onze vriend de Taube op. We weten dat hij daar ergens moet vliegen want we horen het afweergeschut en we zien de witte wolkjes aan de hemel die het veroorzaakt. Je moet al bijzonder goede ogen hebben om zo’n Duits vliegtuigje waar te nemen. Misschien is die Taube alleen maar opgestegen voor het morele effect : om de eigen troepen wat op te peppen nu ze beslist ontgoocheld zijn dat onze vliegtuigen zo laag overvliegen terwijl de hunnen nog nauwelijks opstijgen.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

 

Raoul Snoeck mag naar Parijs

Op 7 september 1916 noteert Raoul Snoeck nog het volgende :

Wij hebben een periode van verschrikkelijk slecht weer achter de rug. De maand augustus en de eerste dagen van september waren erbarmelijk. Het bleef maar regenen. De weiden veranderden in echte slijkpoelen. De ongezonde mist van de Polders bezorgde me een korte, hevige koortsaanval. Ik was erg teneergedrukt.

2 weken later is Raoul al veel opgewekter, en met reden : hij mag naar Parijs !

20 september 1916 : Morgen vertrek ik naar Parijs. Wat ben ik gelukkig terug naar ‘Panam’ te mogen. Ik poets al mijn spullen want aan het front ben ik vuil en vies, en ik wil netjes zijn als ik met verlof ga. Ik heb een paar bruine beenkappen gekocht, die niet helemaal de kleur van mijn schoenen hebben. Om ze bleker te maken laat ik ze door de makkers met schuurpapier behandelen. Ze wrijven date het een plezier is en er wordt wat afgelachen.

21 september 1916 : Paul, mijn ordonnans, brengt me met de fiets naar het station, want ik wil mijn gepoetste schoenen niet vuil maken. Als je netjes bent, word je weer koket en daarbij, als ik in Panam respect wil afdwingen voor het kleine België, dan mag ik zeker niet weerzinwekkend overkomen bij de vriendelijke Parijzenaars, wat dacht je wel ?

bron : Raoul Snoeck, in de modderbij van de Ijzervallei, vertaald door André Gysel, SNoeck Ducaju & zoon

Poilu_Marianne.png