Karl Josenhaus leest Franse brieven

Karl Josenhaus, student vrijwilliger, noteert op maandag 9 november 1914 ergens aan het front in Noord-Frankrijk, het volgende in zijn dagboek

We kwamen in een net veroverde loopgraaf terecht en daar lagen nog wat doden. Ikzelf heb twee Fransen en drie Duitsers laten begraven en hun portefeuille ingenomen. Daarin zitten de brieven naar huis. Een katholieke soldaat stuurde zijn moeder allerhande gebeden die hem veel goed deden. Zij hoopte vurig op zijn terugkeer. (…) In een brief aan een vrouw schrijft een Franse soldaat telkens :”Petit-Petit est toujours bien sage”. Een ander schrijft aan zijn zuster dat ze hem 2 pond chocolade moet opsturen. Bovendien moet ze hem handschoenen sturen die geen vocht aantrekken, en een fijne poncho tegen de regen. Alles is net als bij ons en wanneer je dat leest, dan verdwijnt het laatste restje haat tegen de Fransen, voor zover je die nog koesterde.

GesneuveldeSoldatenLoopgraaf

bronnen

oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
universiteit Leiden – bijlage geschiedenis 2009

Bommen op Kortrijk

Zoals zovelen houdt Stijn Streuvels de oorlogsgebeurtenissen nauwlettend in het oog, maar hij noteert ook wat hij ziet en denkt. Op 6 november 1914 schrijft hij het volgende :

Zware treinen stomen over de sporen van Kortrijk naar Brussel, hier door ’t veld, geladen met paarden, materiaal en soldaten. Bij een boer in de buurt eisen soldaten die in Vichte verblijven, een stier op. In Deerlijk vordert men paarden voor ’t leger. De Duitsers willen naar Calais maar de Britten versperren hen de weg. Geen van beiden komt vooruit.

In Kortrijk hebben de Fransen bommen laten vallen. ’t Station was bedoeld maar in plaats daarvan komen de bommen terecht op de Vlasmarkt, waar een tiental burgers worden gedood en een dertigtal gewond.

Station te Kortrijk tijdens WO I

Station te Kortrijk tijdens WO I

bronnen

oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
De foto komt van http://www.kortrijkbezet14-18.be/beeldbank

Palingbrug in Nieuwpoort heroverd door de Belgen

Op 3 november 1914 herovert het Belgische leger de Palingbrug in Nieuwpoort op de Duitsers. Vanuit deze versterkte positie kunnen ze het belangrijke sluizencomplex beschermen. Van hieruit blijft de waterhuishouding van de onder water gezette Ijzervlakte gedurende de hele oorlog onder controle.

Vraag is echter of het om een brug gaat dan wel om de hoeve met diezelfde naam. Die hoeve vind je op onderstaande foto. De Palingbrug was tot de heraanleg van de achterhaven van Nieuwpoort een brug over de Brugse vaart. De weg naar Oostende dwarste die vaart ongeveer waar nu de westhelling naar het Albert monument ligt : dat was de Palingbrug. Er was later een herberg in die buurt en een hoeve met die naam. In 1876 verdween de brug, maar het toponiem bleef op de kaarten staan.

Nieuwpoort - hoeve "Palingbrug"

Nieuwpoort – hoeve “Palingbrug”

bronnen

Oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

http://www.nieuwpoort-digitaal.be/geschiedenis/Toon_Foto.asp?pic=42&Cat=4

http://www.nieuwpoort-digitaal.be/geschiedenis/Misverstanden.asp

cavalerie op terugtocht

4 november 1914 : de nacht is mooi, sterieler, ijskoud. Het Oostenrijks-Hongaars leger is weer op de terugtocht. De orders van Pal Kelemen en de andere huzaren is erop toe te zien dat de terugtrekkende eenheden niet vast blijven zitten en stil komen te staan. Er is namelijk een nieuwe verdedigingslinie in opbouw. Om twee uur vannacht moet deze klaar zijn en hopelijk is hij dan ook bemand met verse infanterie die nu onderweg is naar de bergpas. De opdracht die Kelemen en zijn huzaren hebben gekregen, is schier onmogelijk want het is moeilijk om enig overzicht te krijgen in het donker. Op de weg heerst al chaos. Ze rijden langzaam tegen de trage, grijze stroom van mannen, paarden, wagens, kanonnen, munitiewagens en pakezels in. Kelemen ziet dat de stroom van zich terugtrekkende soldaten dunner wordt , maar dat er nog steeds groepjes vluchtenden opduiken. De huzaren wijzen hun de weg. De weg is bedekt met ijs en spekglad. Ze moeten afstijgen en de paarden leiden. Kelemen noteert in zijn dagboek.

Er staan een paar verlaten legerwagens op de weg zonder manschappen of paarden. We zijn er net voorbij als ik een harde slag in de buurt van mijn linkerknie voel en mijn paard onrustig wordt. Ik denk dat ik in het donker per ongeluk ergens tegenaan ben gestoten. Ik raak mijn been aan en breng daarna instinctief mijn gehandschoende hand naar mijn gezicht. De hand is warm en vochtig en nu voel ik een scherpe, bonkende pijn.

Mogor rijdt naast me en ik zeg tegen hem dat ik denk dat ik geraakt ben. Hij komt dicht bij me rijden en ontdekt dat ook mijn paard een wond heeft, een kleine op de lende. Maar paard en ruiter kunnen doorgaan. Hier zou je toch niet kunnen afstijgen. Er is geen verbandplaats in de buurt. Op ontelbare eenvoudige maar vriendelijke manieren probeert Mogor dapper mijn aandacht af te leiden van de wond. Het wordt steeds lichter. In het oosten komt de zon al felgekleurd op. Ten slotte bereiken we de zuidelijke helling van de pas. Hier zien we de eerste afgelegen huizen van een dorp. Op het open marktplein komen we Vas tegen, die bezorgd vraagt waarom we zo vertraagd zijn en die tekenen van paniek vertoont als Mogor vertelt wat er is gebeurd. Deze nacht is de dorpsschool omgebouwd tot verbandplaats en met Vas aan mijn ene zijde en Mogor aan de andere rij ik het hek naar het schoolplein door.

Nu begint alles wazig te worden voor mijn ogen. Het lukt me niet meer om uit het zadel te komen. Mijn linkerbeen is gevoelloos geraakt. Twee hospikken tillen me samen uit het zadel terwijl Mogor het paard wegleidt. Voorzichtig zetten ze me neer. Als mijn linkervoet de grond raakt, horen we hoe al het verzamelde bloed in mijn laars een zuigen geluid maakt. Ik kan niet rechtop staan. Met de onnadenkendheid die de jeugd kenmerkt, houdt Vas zijn zakspiegeltje voor me op en daarin zie ik een vreemd, geel, oud gezicht in plaats van mijn eigen.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Onderstaande tekening is van Jozef Ryszkiewicz, getiteld “cavalerie op mars”.

Przemysl twee maal belegerd in 1914

De stad Przemysl ligt vandaag in Polen, maar was destijds Oostenrijks-Hongaars grondgebied, niet ver van de Russische grens. Deze stad beschikte over een vesting die tot twee maal toe door de Russen werd belegerd tijdens de eerste maanden van 1914. In tegenstelling tot het westfront, dat vanaf november 1914 wordt gekenmerkt door een stellingoorlog, is het oostfront veel beweeglijker. Oostenrijkers, Duitsers en Russen wisselen aanvallen en terugtochten af. Zo komt het dat de vesting Przemysl tot 2 keer toe volledig wordt omsingeld door de Russen en een belegering van ettelijke weken moet doorstaan. Einde oktober 1914 hebben Duitsers, Oostenrijkers en Russen mekaars grondgebied bezet en weer moeten prijsgeven. In feite kan je zeggen dat na maanden oorlogvoeren vooral veel soldaten zijn gesneuveld voor weinig winst inzake grondgebied.
Wie meer wil weten oer het verloop van de slag om Galicië, kan terecht op deze webpagina .
De schilderij hieronder geeft de belegering van Przemysl weer en is van de hand van Alexander ritter von Meissel.

belegering van Przemysl - geschilderd door Ritter von Meissel

belegering van Przemysl – geschilderd door Ritter von Meissel

de slag aan de Ijzer en bij Ieper vanuit Duits standpunt

Otto Schwing - Ypres 1914

Otto Schwing – Ypres 1914

Gisteren publiceerde ik een kort bericht uit de kalender 2014-2018 van het Davidsfonds. Daar was een kort verslag van Otto Schwink in vermeld over 30 oktober 1914, toen de Duitsers zich moesten terug trekken voor het wassende water. Wie googelt op Otto Schwink, komt uit bij een reeks boeken, in allerhande talen, die verwijzen naar het boek dat Otto Schwink na de oorlog heeft geschreven. Naast de Duitse versie zijn er Engelse, Franse en Nederlandse vertalingen. Bij amazon.com is het boek beschikbaar in verschillende versies. Wie het boek online wil lezen, kan terecht op onderstaande link

http://www.gutenberg.org/files/44234/44234-h/44234-h.htm

Duitse aanval in Ramskapelle valt in het water

30 oktober 1914 : Otto Schwink, een Duitse kapiteit in Ramskapelle, is verbijsterd over het opkomend water op de Ijzervlakte.

Tegen 23.30 meldt een stafofficier dat, wegens het stijgen van het water, onze aanval afgelast werd. Wat gebeurt er ? Onze soldaten staan tot aan de enkels in het water, op sommige plaatsen zelfs tot aan de knieën. In het leemachtige slijk kunnen ze nauwelijks de voeten optillen. Wie onder het vreselijke vuur van de machinegeweren wil gaan liggen, is verloren.

Men veronderstelt dat de regenbuien van de laatste dagen de oorzaak van het stijgen van het water zijn en men hoopt dat het stelsel  van de afwateringskanalen spoedig de vloed zou afleiden. Het rijzen van het water belet al vlug het transport van munitie en de inzet van ambulances. Er zit voor de Duitsers niets anders op dan zich terug te trekken.

bron : Oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
tekening uit “Afspraak in Nieuwpoort” van Ivan Petrus Adriaenssens

uit "Afspraak in Nieuwpoort"

uit “Afspraak in Nieuwpoort”

De sluizen aan de Ganzepoot gaan open in Nieuwpoort

Vandaag, 28 oktober 2014, is er een plechtigheid in Nieuwpoort. Koning Filip I ontvangt buitenlandse staatshoofden voor een herdenking. Die reden van de herdenking staat te lezen in de kalender 2014-2018 van het Davidsfonds. Die tekst zet ik hieronder. De tekening die ik erbij heb gezet komt uit de graphic novel “Afspraak in Nieuwpoort” van Ivan Petrus Adriaenssens.

In de nacht van 28 op 29 oktober 1914 zetten de Belgen bij vloed de schutsluizen open aan de Ganzepoot. Het zeewater stroomt dan volop in de Noordvaart en verspreidt zich door sloten en grachten over de hele polder. Als het water in de Noordvaart even hoog staat als het zeewater, gaan de sluizen weer dicht. Bij de volgende paar hooggetijden herhalen de Belgen deze operatie.

Het eindresultaat is dat een oppervlakte van zowat 25 vierkante kilometer tussen de Ijzer en de berm van de spoorlijn Nieuwpoort-Diksmuide onder water staat. Die berm is slechts één tot een paar meter hoger dan de Ijzervlakte die ze doorkruist, maar dat is voldoende om te fungeren als dijk. Het front ligt hier vast voor de rest van de oorlog. De Duitsers kunnen het vergeten om langs hier naar Calais en Duinkerken op te rukken. Belangrijke figuren achter de inundatie van de Ijzervlakte zijn de burgers Karel Cogge en Hendrik Geeraert.

uit "Afspraak in Nieuwpoort"

uit “Afspraak in Nieuwpoort”

 

de onderwaterzetting van de Ijzervlakte wordt voorbereid

Geniesoldaat Maurice Braet maakt op 26 oktober 1914 de aanloop mee van de onderwaterzetting van de Ijzervlakte.

Vandaag trekken de Belgen zich terug achter de spoorwegberm van de lijn Diksmuide-Nieuwpoort. De Veurnse onderzoeksrechter (Emeric) Feys suggereert kolonel (Félix) Wielemans een inundatie van het gebied tussen de spoorweg en de Ijzer. Hij stelt ook voor om een beroep te doen op de technische kennis van Karel Cogge, toezichter van de Veurnse Noordwatering. Cogge verstrekt de militaire overheid de technische bijzonderheden voor het overstromingsplan en legt ter plaatse de te volgen handelingen vast. Schipper (Hendrik) Geeraert komt er opnieuw bij om de zwengels van de sluizen te bedienen. De genietroepen dichten alle waterlopen onder de spoorwegberm, om de achterliggende Belgische sector droog te houden.

bron : kalender 2014-2018, Davidsfonds

Karel Cogge

Karel Cogge

HendrikGeeraert

Hendrik Geeraert

Odon onder vuur in Pervijze

bron : Odon, oorlogsdagboek van een Ijzerfrontsoldaat door Ivan Petrus Adriaenssens

20 oktober 1914
’s Morgens om 4 uur was het réveille en zodra we gerassembleerd waren, trokken we in de richting van Pervijze. Toen we hier op het dorpsplein kwamen, was de 4e linie er al. Vanhier gingen wij in de richting van Ramskapelle, maar halfweg werden we nogmaals in het veld geleid. Hier maakten we tranchées om ons te kunnen verwarmen, want het was erg koud. We kregen voor de eerste keer Frans brood te eten. Eén brood voor zes man. Dat we content waren, hoeft ge niet te vragen. (…) Tegen de avond werd er gezegd dat we naar de slag moesten, waar niemand zin in had. Iedereen was bevreesd want sinds onze aankomst in Oostkerke was het bombardement nog niet gestopt. (…) Rond 21 uur van de avond van de 20e oktober kwam het bevel om te vertrekken. We gingen door Ramskapelle en trokken in de richting van de Ijzer. Buiten Ramskapelle gekomen moesten wij alweer wachten. We bleven daar liggen tot 2 uur ’s nachts.

21 oktober 1914
(…) We vulden allemaal onze gourde met wateren zakten af in de richting van Pervijze, staken het dorpsplein en de spoorweg over naar de vijand toe. Toen we enkele minuten voorbij het station waren, merkte de vijand ons op en werden de schrapnels voor ons niet gespaard. (…) Onmiddellijk gaf de luitenant ons het bevel ons aan de kant in een gracht te verschuilen. (…) We bleven hier tot omstreeks 14 uur. Er werd oneindig veel geschoten. Rond die tijd gingen wij in tirailleur het veld door. Op een vijfhonderdtal meter voor ons was de vijand een plek aan het bombarderen dat het horen en zien verging. (…)
Het was het bataljon van majoor graaf d’Oultremont. Ze waren nog met 150 man. Men vertelde mij dat ze een aanval gelanceerd hadden en dat dit alles was wat overschoot van dat bataljon. Hun majoor was ook doodgeschoten. Alle mannen waren erdoor aangedaan en zeiden dat het schandalig was om een aanval te doen op zeshonderd meter van een vijand die hen opwachtte met mitrailleurs.

22 oktober 1914
Rond 3 uur ’s ochtends werden we afgelost door het 9e linieregiment. We waren in de zevende hemel toen het zover was. Het duurde dan ook niet lang of we gingen ervandoor. Aan Pervijze-station gekomen was het “halt”. Hier kregen we rantsoen zoveel we wilden.

23 oktober 1914
Rond 7 uur ’s morgens begon de vijand onze tranchée te bombarderen met stukken van 150 tot 210. Commandant De Kempenaar, die mijn bataljon commandeerde, liet ons van plaats veranderen. We gingen nu achter het plein van Pervijze in een gracht liggen, maar de obussen leken ons te volgen. Aan allek kanten zag ik onze arme soldaten terugtrekken. We werden goed bij elkaar gehouden door enkele moedige officiers. (…)
Wij kregen het bevel om vooruit te gaan tot aan de spoorweg. Er was niemand die dat bevel graag opvolgde, iedereen was uitgeput. Toen we aan de spoorweg kwamen, begon de vijand met een afgrijselijk bombardement. De Duitsers mikten voortdurend op de spoorweg. Ook de kerk van Pervijze werd zwaar getroffen.

tekening uit het boek "Odon"

tekening uit het boek “Odon”