weerzien nabij moeder Lambik

Gaston Le Roy is einde september van de frontlinies weggehaald. (Lees meer daarover in dit artikel) . Hij herstelt in Frankrijk en keert daarna terug naar zijn kameraden.

1 oktober 1918 : Ik heb lange uren in dat hospitaalbedje gerust. Mijn lichaam herpakt zich, ik voel me genezen. Maar mijn voet blijft me eraan herinneren waarom ik hier ben.  Ze zeggen dat duizenden mannen zijn omgekomen. Hier liggen veel zwaargewonden. Toen ik mijn voet liet verzorgen en zwaargewonden uitgestrekt op de marmeren plaat onder het mes hoorde kermen, kreeg ik kippenvlees.

2 oktober 1918 : Er zijn hier zoveel gewonden, zoveel dat de dokters de handen meer dan vol hebben en meer doen dan in hun macht ligt. Zij kunnen diet niet blijven volhouden. Ik hou het niet langer uit en trek mankend naar Calais. De dokter neemt dezelfde tram en geeft mijn gezel en mij een berisping, maar verder laat hij ons begaan.

3 oktober 1918 : Een auto brengt mij en anderen naar Saint-Pierre waar we zonder bevel moeten uitslapen. We bezien elkaar en vragen ons af : wat nu ? Ik sta op een schoen en een kous. Eindelijk na lang wachten duikt iemand op en die beveelt ons de tram te nemen naar Guines. Daar staat een wagen die ons naar Campagne brengt. Naar verluidt zijn de barakken van de ruiterij maar ze doen dienst als hospitaal.

6 oktober 1918 : De herstelden of wie zich als zodanig beschouwt, want velen zijn nog niet helemaal genezen, verlaten Campagne en trekken naar Gravelines. Ik ben bij de besten en verlang mijn wapenbroeders terug te zien. Door regen en modder stappen we naar Guines waar we lang op de trein wachten die ons naar Calais moet brengen.

8 oktober 1918 : In de BRI in Bray-Dunes blijf ik nog genieten van enige rustdagen.

12 oktober 1918 : Ik heb mijn rustoord aan het koele zeestrand verlaten. Ik stap langs Moeder Lambik naar De Panne. Ik ben blij mijn wapenbroeders terug te zien, maar ook heel bedroefd als ik de namen verneem van hen die hun lijdensweg hebben beëindigd. Ik hoor veel vertellen over die bange veertien dagen terwijl ik er niet bij was. Veertien dagen in het rumoer zonder rust, dagen zonder eten of drinken, dagen en nachten in het water, dagen van vruchteloze hoop op aflossing. Velen beweren in de volgende strijd achter uit te zullen blijven. Ik mag hen niet beoordelen. Ik heb dit lijden, dat ik me goed kan voorstellen, toch niet beleefd. Wat zou ik gedaan hebben als ik bij hen was gebleven ?

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

MoederLambik

Willy Coppens stort neer

Maandag 14 oktober 1918. Om 5u30 openen de kanonnen in het oosten hun vuur. Willy Coppens heeft nog nooit zulk hevig artillerievuur gehoord in deze sector van het front. Om 5u35 komt een van de stafofficieren naar de piloten toe met een noodkreet uit de voorste linies : verniel de observatieballon bij Torhout. De Belgische artillerie is blootgesteld aan trefzeker tegenvuur en de Duitse vuurleider bevindt zich ongetwijfeld in de “saucisse”, die even achter de vijandelijke linies in de lucht zweeft.

Om 5u40 stijft Coppens op met zijn lichtblauwe Hanriot. Zijn formatiegenoot is een nieuwe piloot Etienne Hage. Als ze de loopgravenlinie naderen, ziet Coppens dat het niet om één ballon gaat maar om twee. De ene zweeft inderdaad boven Torhout, de andere stijgt op boven Praet-Bosch. Uit ervaring weet Coppens dat je de lagergelegen ballon als eerste moet aanvallen. Zodra een “saucisse” wordt aangevallen, beginnen de mensen op de grond hem neer te halen. En als een observatieballon genoeg naar beneden is gehaald, wordt het makkelijk voor de verdedigende luchtafweer om de aanvaller te raken.

Vliegtuig_WillyCoppens

Hanriot vliegtuig 

Maar Hage is onervaren en gretig. Coppens stevens af op de Torhout-ballon, maar Hage brengt zijn machine voor die van Coppens en dwingt hem zo de ballon boven Praet-Bosch eerst aan te vallen. Om 6u vuurt Coppens een eerste kort salvo af. Hij ziet dat het omhulsel van de ballon vlam heeft gevat en begint daarom koers te zetten naar de tweede ballon. Hage heeft echter niet gezien dat de ballon is gaan branden, en keert om voor nog een aanval. Ze keren beide terug naar de ballon boven Praet-Bosch en zien hem verkreukeld door het vuur naar de grond dwarrelen. Daarna zetten ze beide koers naar de Torhout ballon.

Coppens vliegt door een hagelstorm van ontploffende luchtafweergranaten en zwaaiende reeksen lichtsporen. Seconden later, het is 6u05, is hij zo dichtbij dat hij het vuur kan openen. Het moment daarop voelt hij een hevige slag tegen zijn linkerbeen. Er voert een witte golf van pijn door zijn lichaam. De schok is zo krachtig dat zijn rechterbeen onwillekeurig uitstrekt waardoor de rechterroerpedaal diep wordt ingedrukt en de machine naar beneden wordt geworpen. Kogels spuiten rond om de rondtollende, slingerende machine.

Nu heeft Coppens slechts twee gedachten. Eén : hij moet de gene linies bereiken, hij wil niet gevangen genomen worden. Twee : hij mag het bewustzijn niet verliezen, dan stort hij neer. Duizelig van de pijn en het bloedverlies rukt hij de vliegeniersbril en leren helm van zijn hoofd. De kou moet hem helpen om wakker te blijven. Dat lukt. Nadat hij de Belgische frontlinie is gepasseerd, maakt hij een buiklanding op een veldje naast een weg. Soldaten rennen naar hem toe om hem te helpen. Coppens wordt samen met twee gewonde soldaten naar een ziekenhuis in de Panne gebracht. Om 10u15 stopt de ambulance voor het Hôpital de l’Océan. Hij wordt op een brancard binnen gebracht. Daarna verliest hij het bewustzijn.

Na een week is het nog onzeker of hij zal overleven. In die week wordt zijn linkerbeen geamputeerd. Coppens wordt getroffen door neerslachtigheid maar zal het toch overleven. Onderstaande schilderij is van Colin Ashford.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

ColinAshford_WillyCoppens

 

Yvonne Vieslet, oorlogsslachtoffer van 10 jaar

Yvonne Vieslet, oorlogsslachtoffer van 10 jaar

Yvonne Vieslet, slechts 10 jaar oud, vraagt aan haar mama, Adeline Van Poeck, of ze mee mag om eten te bezorgen aan haar papa Emile Vieslet, die werkt in het nabije Marchienne-au-Pont. Onderweg ontmoeten ze een groepje Franse militairen, gevangengenomen door de Duitsers. De kleine Yvonne, uitermate verbaasd over de uitgehongerde soldaten, gooit de koek die ze gekregen had op school naar een van de gevangenen.

Een van de Duitse militairen richt zijn geweer, beschiet de kleine Yvonne en treft ook nog vier omstanders. Enkele uren later is Yvonne dood. Een oorlogsslachtoffer van 10 jaar…

Toeristische tip : het monument ter nagedachtenis van Yvonne Vieslet staat in de Rue Ferrer, Marchienne-au-Pont.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

yvonne_vieslet

 

Frans Massy terechtgesteld

FransMassy_1918

Frans Massy

In Hasselt stellen de Duitsers de 37-jarige coiffeur Frans Massy op 7 oktober 1918 terecht wegens spionage. In zijn goed aangeschreven kapsalon aan de Koningin Astridlaan kwamen ook diverse vooraanstaanden over de vloer. Behalve spion is Frans Massy ook actief in Le mot du soldat, een organisatie die brieven van soldaten aan de Ijzer naar hun familieleden brengt. Voor deze organisatie werkt ook een dienstmeid van de zusters ursulinnen die verkleed als non brieven over de Nederlandse grens smokkelt. Wellicht werd Frans Massy verklikt door een aangehouden lid van de organisatie.

Bij zijn aanhouding wordt Frans Massy niet gefouilleerd en hij kan vertrouwelijke documenten doorslikken. Volgens de Duitse versie van de feiten pleegt hij zelfmoord in de gevangenis, maar na de oorlog duiken er berichten op dat hij gewurgd zou zijn omdat hij weigerde mee te werken.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

 

Belgen tellen hun verliezen

Tijdens zijn verkenningen stelt onderluitenant Arthur Pasquier vast dat de 10e infanteriedivisie meer moeite had om op te rukken, gezien de grote aantallen gevallen soldaten die nog niet begraven zijn. Vooral rond Duitse mitrailleursnesten liggen ze gegroepeerd. De onderluitenant stelt zich vragen bij het grote aantal slachtoffers. In zijn dagboek noteert hij op 2 oktober 1918.

Naar verluidt lopen onze totale verliezen tot op vandaag op tot om en bij de tienduizend man, wat veel is voor een klein leger als het onze, en niet in overeenstemming met het bereikte resultaat. Bij dit cijfer horen echter ook gewonden die weer vlug te been zullen zijn. Ze zijn bewonderenswaardig. Wie ter plaatse wordt verbonden en nog uit de voeten kan, evacueert zichzelf.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

D1A345AE-FBC0-465A-9BB8-5E3542BAD012

 

Belgen wachten op de bevoorrading

Arthur Pasquier, onderluitenant in het Belgische leger, bracht de nacht door in Klerken. Hij lijkt in een uistekend humeur wanneer hij op 1 oktober 1918 in zijn dagboek schrijft.

Wat een buitengewoon fantastisch uitzicht hebben we ’s morgens vanuit de observatiepost waar we de nacht doorbrachten. De door de Duitsers zo zorgvuldig uitgewerkte toegang naar het hart van hun vroegere stellingen ligt er compleet onbewaakt bij. Gelukkige hebben onze tegenstanders andere problemen aan het hoofd dan eraan te denken ons lastig te vallen.

We leven merkwaardig sober, zelfs nog slechter dan in volle bewegingsoorlog. De enige bevoorrading is verstopt door files en ligt tevens onder vijandelijk kanonvuur met verre reikwijdte, wat het nog erger maakt. Het resultaat is dat er niets doorkomt, we moeten teren op onze reserves.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

46106006-53DA-425E-AAD3-661B42735410

Gaston Le Roy wordt geëvacueerd

Gaston Le Roy maakt het begin van het bevrijdingsoffensief mee. Hij noteert het volgende in zijn dagboek :

28 september 1918 : Het Duitse geschut reageerde weinig, onze kanonnen vuurden om het hardst en verlengden hun schietbanen. Ze joegen de Duitsers in onze armen. Het waren triestige momenten voor hen. Mannen, mensen zoals wijzelf, kwamen met de handen in de lucht en bange gezichten aangelopen. Het leek wel opgejaagd wild bij klopjacht.

Het begon te regenen. Het water viel met bakken uit de hemel. Weldra sijpelde het door de kleren in de broek en mijn gewonde voet baadde in een te grote schoen. We trokken steeds vooruit, ondervonden weinig weerstand en namen honderden krijgsgevangenen. We geraakten tot voorbij Zonnebeke en Broodseinde en op de hoogte gingen we postvatten. Het was nog maar middag. Ik ben doodop. Mijn adem is afgesnoerd door het spannen van de knapzakken vol patronen. De pijn aan mijn voet wordt een foltering.

29 september 1918 : Daar ik niet meer kan stappen, word ik met een briefje “mank” achteruit gestuurd. Met kleine pasjes op een dikke stok en met veel geluk wat te kunnen rusten, eerst op een kar, dan in een auto en een tijdje op een munitiewagen kom ik, na om 6u ’s morgens te zijn vertrokken, ’s avonds om 6 uur in Zuidhuis aan.

Bij de verpleging schrik ik ervan mijn eigen voet te zien, ik kon me niet voorstellen dat hij zo gezwollen was. De dokter geeft er een snee in, reinigt de wonde en overhandigt me een briefje HEA (Hôpital d’Evacuation de l’Armée). Ik moet dus naar Frankrijk. Ondertussen brengen auto’s honderden gewonden aan.

30 september 1918 : Drinken en nog drinken. Sinds twee dagen heb ik niets gegeten en toch heb ik geen trek. Ze brengen me naar Waaienburg, want nu kan ik geen poot meer verzetten. Daar lig ik op een berrie tot een Rode Kruistrein me met honderden grotere sukkelaars meeneemt. Om 1 uur ’s nachts stopt de lijdenstrein. De meeste gewonden konden stappen, uitgenomen een metgezel en ik. Het duurt lang voor ze ons komen halen. Ze dragen me naast het station in een lokaal waar al veel volk is.

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

RodeKruisTrein_1918

 

Pelt verliest een zoon nabij Passendaele

In een reactie op één van mijn berichten op Facebook maakt Davy Hermans me attent op het feit dat er ook een Overpeltenaar het leven heeft verloren tijdens het bevrijdingsoffensief op 28 september 1918. Het gaat om onderluitenant Alfons Roothans, geboren in Overpelt op de nationale feestdag van 1890. De moment van bestorming is ook beschreven in het dagboek van dokter Lievens (zie dokter Lievens dient de eerste zorgen toe) .

Tegen de middag bereiken we de Bayernstellung. Nu komen we in de vlakte voor de hoogte van Passchendaele en we rusten een uurtje uit. Het artillerievuur is stilgevallen want de mannen verplaatsen onze kanonnen, omdat onze sprong vooruit te groot is geweest en ze nu niet ver genoeg meer reiken. De bodem waar de zware stukken overheen moeten, is echter te drassig en ze verzinken er bijna in. Nieuwe balkenwegen worden aangelegd, maar het duurt te lang voor ze klaar zijn en we krijgen bevel de hoogte te bestormen zonder artillerievoorbereiding.

Om boven te geraken moeten wij twee en een halve kilometer afleggen tegen een moerassig helling zonder andere schuilplaats dan met water gevulde granaatputten. Met kleine groepejes van vijf tot zes man zetten we ons in beweging. Maar bij de eerste stappen al ratelt de hele berg met een knetterend mitrailleurvuur en regen het kogelballen op ons.

Bij die bestorming is Alfons Roothans overleden.

bronnen
http://blog.seniorennet.be/frverbaenen/archief.php?startaantal=420

André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo

 

AlfonsRoothans_19180929

 

 

dokter Lievens dient de eerste zorgen toe

Dokter Lievens is erbij als het bevrijdingsoffensief start. Hij maakt alles mee vanaf de eerste minuut. We geven hieronder zijn uitgebreid verslag van de eerste dagen van het bevrijdingsoffensief verkort weer.

28-9-1918 : Om 2u30 begint een helse artillerievoorbereiding op heel het front van mijn divisie, en links bij de IXe divisie waar Jules zal vechten en rechts bij de XIIe infanteriedivisie. Dit trommelvuur duurt drie uur, dan start het rollend vuur en vooruit : naar de dood of de bevrijding ! Het is 5u30 en al schemerklaar.

Bij onze eerste stappen in het niemandsland komen we terecht in een welgevoed mitrailleurvuur, uitgespuwd vanuit sterk gebetonneerde schuilkoten. Maar we omsingelen ze in een oogwenk en verdelgen de Duitsers tot de laatste man. Onsze vuurpijlen stralen hoog hun sterrenvinken in de lucht om aan te artillerie duidelijk te maken dat de eerste lijn, de Frankenstellung, is ingenomen. Meteen daarna bewegen de knetterende explosies van onze granaten zich in een logge lijn vooruit voor een verdere aanval. Onze karabiniers lopen er zo dicht mogelijk achter zodat velen door scherven gewond raken en vallen. Ze zijn razend, niet alleen van de pijn, maar ook omdat ze de strijd moeten opgeven. Ik verzorg ze samen met mijn brancardier en laat ze dan liggen voor de volgende medische ploeg.

Daarna valt ook de Preussenstellung in onze handen. In Poelkapelle komen we bij een Duitse hulppost waar een vijandelijke geneesheer zijn gewonden aan het verzorgen is. Wij laten hem verder werken en met enkele van onze brancardiers verzorgt hij ook onze gewonden. Tegen de middag bereiken we de Bayernstellung en onze buit wordt groter bij elke stap zonder dat we zelf buitengewone verliezen lijden. Nu komen we in de vlakte voor de hoogte van Passchendaele en rusten een uurtje uit. Het artillerievuur is stilgevallen want de mannen verplaatsen onze kanonnen omdat onze sprong vooruit te groot is geweest en ze nu niet ver genoeg meer reiken. Het duurt lang voordat ze klaar zijn en we krijgen bevel de hoogte te bestromen zonder artillerievoorbereiding.

Bij de eerste stappen al ratelt de hele berg met een knetterend mitrailleurvuur en regent het kogelballen op ons. Ik moet me op mijn buik leggen om de gewonden te verzorgen en hun aantal groeit snel. Hoewel onze jongens sinds dagen geen enkele rust meer hebben, kruipen ze vooruit en bereiken tegen de avond de Flandernstellung op vijfhonderd meter van de hoogte van Passchendaele. Daar graaft elke man zich een putje en werpt de aarde als bortswering en dijk voor zich.

De regen maakt plaats voor een kille huilende wind en het slagveld schijnt eenzaam en dood. Daar klinkt een schreeuw uit het struikgewas :”Dokter ! Docteur !”. Ik dwaal in de richting vanwaar de roep lijkt te komen en weldra weerklinkt van alle kanten een afschuwelijk gehuil. Het zijn de stervenden en gewonden die om hulp en lafenis smeken. Ik zwerf van punt naar put om hen te bieden wat ik kan : een verband, een inspuiting, een teugje water. Waar blijven de mannen die hen moeten wegdragen ? Onze helden liggen doornat in ijskoud water, uitgepunt van de zware inspanningen, verstijfd door kou en bloedverlies. Ze overleven het niet als ze zo de nacht moeten doorbrengen. We dragen er zoveel mogelijk een duizendtal meter achteruit. Maar daar ziet er niemand meer naar hen om en hun gekerm klinkt altijd maar hoger en luider.

29-9-1918 : Meteen herbegint ons dolen over het doodsterrein. Wat ik gevreesd had, is uitgekomen. Talloze gewonden van gisteren vind ik nu bezweken van de kou en paars terug. Anderen liggen nog te sterven en hervatten hun geweeklaag. En er is nog niemand te zien om hen hier weg te brengen. Ik huil erbij als een kind omdat ik niets meer voor die rampzaligen kan doen…

bron : André Gysel, Dokter Lievens – dagboek van een arts , Lannoo

Onderstaande tekening is van Pierre Paulus, premiers pansements

PierrePaulus_PremierPansement

 

 

 

 

 

 

 

Boudewijn Hoornaert sneuvelt

Sociale media zijn een ideale manier om mensen met dezelfde interesse bij mekaar te brengen. Door onze gemeenschappelijke interesse in de Groote Oorlog heb ik Ivo De Wispelaere leren kennen. Ivo is zo vriendelijk geweest om me de tekst door te sturen die hij schreef naar aanleiding van de 100e verjaardag van het overlijden van zijn oudoom Boudewijn Hoornaert. De tekst van Ivo staat hieronder.

Exact 100 jaar geleden, op 28 september 1918 sneuvelde Boudewijn Hoornaert (°1891) tijdens de slag om het Bos van Houthulst. Hij was een van de oudere broers van onze grootvader Arthur Hoornaert (1893).  In tegenstelling tot Arthur, die in 1913 zijn dienstplicht deed en daarna rechtstreeks de oorlog inrolde, nam Boudewijn pas in 1915 (verplicht) dienst (net als vele andere vluchtelingen).

Na zijn opleiding en een ommetje via het 14e linieregiment kwam hij uiteindelijk terecht  in hetzelfde regiment (en compagnie nl. 23e I 1) als jongere broer Arthur.

Het Belgische leger verschanste zich gedurende een groot deel van de oorlog achter de IJzer, waar grote offensieven niet mogelijk waren door de overstroomde gebieden (inundaties) en er (zeker vergelijken met andere stukken van het front) een relatieve rust heerste.   In 1918 werd dan toch de beslissing genomen om, na een paar geallieerde successen, de loopgraven te verlaten en met wat later het Bevrijdingsoffensief werd genoemd, de Duitsers te verdrijven.

Tegen  1918 was het Duitse leger zodanig verzwakt dat de Belgische legerleiding het wel opportuun achtte om massale stormlopen op de Duitse stellingen uit te voeren.  Tot dan toe was dit in het Belgische leger verboden geweet (in tegenstelling tot het Franse en Britse leger), omdat koning Albert zuinig op zijn soldaten moest zijn. Enkele dergelijke initiatieven in 1914 hadden namelijk een rampzalig resultaat gehad.

Op 28 september 1918, onder een druilerige hemel, werd die aanval eindelijk ingezet. Na een urenlang bombardement over het ganse front, klonk het fluitsignaal en kroop iedereen over de rand van de loopgraven, het vers omwoelde niemandsland in.

Het 23e linieregiment had als opdracht gekregen om het Bos van Houthulst te veroveren via een frontale aanval.  Dat werd als een zeer moeilijke opdracht beschouwd omdat in de jaren ervoor de Duitsers dit bos tot een ware vesting hadden omgebouwd.  Zowel Franse als Engelse aanvallen waren in de jaren daarvoor al stukgelopen op dit bos.  Eind september 1918 werd het bos echter bezet door een Duitse divisie (toevallig ook met nummer 23) die niet meer op volle sterkte was, en die de aflossing met de vorige divisie nog niet helemaal had voltooid… Zo staken bijvoorbeeld veel kanonnen nog in hun gecamoufleerde beschermhoezen, klaar om geïnstalleerd te worden.

De stormaanval op de Duitse linies in het Bos lukte wonderwel, omdat de Belgische troepen niet oprukten langs de dreven die het bos doorkruisen. Daar hadden de  Duitsers mitrailleursposten geïnstalleerd, en die wilden de Belgen vermijden. Ze doorkruisten het bos zelf, en vermeden zo elke weg of dreef die hen kwestbaar maakte.  Een bos kon je het op dat moment trouwens niet echt meer noemen: door de vele bombardementen waren de bomen afgeknapt tot een paar meter hoogte.  Het bos van Houthulst leek eerder op een gigantisch veld vol kriskras  geplaatste dikke palen in de grond, waartussen de Belgische soldaten zich voortbewogen, terwijl ze de Duitse stellingen “opruimden’.

BoudewijnHoornaert

Boudewijn Hoornaert

Rond 11 uur ’s ochtends passeerden de Belgen de weg Houthulst-Poelkapelle, die ook doorheen het bos liep. Daar troffen ze op een bepaald moment enkele Duitse soldaten aan, die hun stellingen in de steek lieten en wegvluchtten.  Om de een of andere reden, en tegen de bevelen van zijn officier in, verliet Boudewijn toen zijn dekking en kroop in een boom (of wat daar van overbleef) om een betere schietpositie te bekomen.  Na enkele schoten zou één van de vluchtende Duitsers zich omgedraaid hebben en teruggeschoten hebben.  Helaas voor Boudewijn was het raak…  “Une balle dans la tête” volgens het ooggetuigenverslag dat Arthur later zou optekenen.  Volgens de officiële archieven “één kogel in de borst” (waarschijnlijk een standaardzin die de dood minder bloederig moest doen lijken).

Boudewijn komt in de familieverhalen naar voor als een vrij roekeloos iemand. Zo zou hij ooit in het kader van een weddenschap in de dakgoot van de kerktoren van Moorslede zijn geklommen om trompet te spelen voor het ganse dorp. Was het die durf en impulsiviteit die hem in het bos van Houthulst de das heeft omgedaan? Of lag het aan de borrels (vaak een mix van alcohol en verdovende of oppeppende middelen) die de soldaten kregen vlak voor de aanval om zich moed in te drinken, waardoor hij zich op dat fatale moment zo overmoedig gedroeg?

Jongere broer Arthur was op het moment van Boudewijn’s dood druk aan het pendelen tussen de compagniecommandanten (op de frontlijn) en de batailloncommandanten (ietsje meer terug naar achter).  Als verbindingsagent moest hij bevelen tussen beide commandostructuren overbrengen.  In de maanden voor het offensief was dat een job van de frontlijn naar het achterland, die hij deels te voet en deels met een opplooibare fiets uitvoerde… Tijdens het offensief zelf was dat vaak te voet, schuilend voor vallende obussen, springend van de ene verse bomput naar de andere, totdat hij zijn bericht kon overbrengen naar de officieren (kapiteins of luitenanten) in de eerste lijn. Het was een gevaarlijke job, omdat hij continu zijn dekking moest verlaten om vooruit te geraken.  In zijn legerdossier prijkt dan ook een eervolle vermelding om de dagorder van de divisie, omdat hij ‘onder het gevaar van vijandelijke projectielen zijn berichten overbracht’.

Tegen de middag was het ganse Bos van Houthulst veroverd door de Belgen.  De Franse generaal die het offensief  coördineerde, vroeg 3 keer bevestiging van het bericht dat de Belgen hun doel hadden bereikt in één voormiddag. Voornamelijk uit ongeloof omdat zowel Engelsen als Fransen hier nooit in geslaagd waren.

Toen tegen de avond Arthur weer terugkeerde van één van zijn opdrachten, passeerde hij langs de plek waar de lijken van gesneuvelde soldaten verzameld werden. Boudewijn lag ertussen.  Andere soldaten van het 23e linieregiment die ter plaatse waren, durfden Arthur niet te vertellen dat zijn broer er intussen ook terug lag.

Hoe Arthur uiteindelijk de dood van Boudewijn vernam, weten we niet.  Wel heeft hij een gans ooggetuigenverslag (opgetekend via soldaten die het zagen gebeuren) opgestuurd naar één van zijn schoonbroers, met de vraag om het bericht over te maken aan hun moeder. Dat gebeurde niet, maar de familie, die zich in Frankrijk bevond, kwam het uiteindelijk wel te weten via een officieel telegram van het leger, met als vermelding “Baudouin mort suite de ses blessures, Arthur en bonne santé – le colonel du 23ième”.

bron : Ivo De Wispelaere, e-mail van 27/9/2018