met zicht op een dode kameraad

Eduard Offenbacher, een van de vele student-vrijwilligers in het Duitse leger, bevindt zich ergens in de heuvels van Notre-Dame-de-Lorette nabij Vimy.  Hij schrijft begin mei 1915 over het harde leven in de loopgraven.

Ik ben hondsmoe. Geen wonder. Twee dagen onafgebroken in een half ingestorte loopgraaf, iedere man in opperste waakzaamheid op zijn post. Dag en nacht, bajonet op het geweer. Daarginds 20 meter bij ons vandaan, loert de vijand. Loopgraven gaan die kant uit, maar ze zijn met barricades versperd. Een berg handgranaten ligt klaar voor een warme ontvangst.

Midden op die barricades, maar voor ons onbereikbaar, ligt een kameraad. Zijn gebroken oog is naar het westen gericht, in de ene hand zijn trouwe geweer, de andere klaar voor de afzet om te springen. Zijn blonde haar is nu donkerrood gekleurd. Zo liggen er tallozen, in de loopgraaf en daarbuiten, vriend en vijand. Niemand begraaft ze, niemand heeft tijd.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

gefallener-deutscher-01

William Henry Dawkins gaat aan land bij Gallipoli

Op 25 april 1915 om half vier ’s ochtends wordt de Australische luitenant William Henry Dawkins wakker en neemt een warm bad. Ondertussen vaart het schip met gedoofde lantaarns naar het noordoosten. Als de zon aan de horizon verschijnt, gooien ze het anker uit; rondom hen schaduwen van omringende schepen, voor het het langgerekte schiereiland Gallipoli. Dan volgen het ontbijt en de voorbereiding voor de ontscheping. Ondertussen beginnen de kanonnen van de oorlogsschepen te bulderen. Dawkins en zijn manschappen stappen eerst over op een torpedojager die hen dichter bij het land brengt. Van de torpedojager stappen ze vervolgens over in grote houten sloepen, door motorboten getrokken.

Golven. Ochtengloren. Luide knallen. Hij ziet de eerste gewonden. Hij ziet kogels van ontploffende granaatkartetsen in vlagen omlaagspuiten en het wateroppervlak doorboeren waarbij honderden fonteintjes ontstaan. Hij ziet het strand dichterbij komen en springt uit de boot. Om 8 uur staan al zijn mannen bij het water opgesteld. Met de bajonetten op hun geweren. Dawkins noteert in zijn dagboek :

We wachten ongeveer een uur op het strand. De generaal en zijn staf komen langs. De eerste lijkt in een uitstekend humeur, wat een goed voorteken is. Niemand weet precies wat er is gebeurd. De rest van onze compagnie gaat aan land. Ik verplaats me met een patrouille zuidwaarts over het strand, op zoek naar water. We vinden een gat met water in de buurt van een Turkse hut, de bezittingen van de bewoners liggen overal verspreid. We trekken over een heuvelrug een diep ravijn in, maar infanteristen achter ons schreeuwen en we moeten keren. IK stuur een groep op pad om een put te boren in hetzelfde ravijn, en og een om een kleine bron bij het strand te herstellen. In het ravijn, in buurt van de hut, komen zwermen kogels neer die te hoog zijn gegaan en hun doel hebben gemist. De infanteristen op de heuvel voor ons roepen almaar koortsachtig dat we beschoten worden. Natuurlijk worden we dat.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Gallipoli_Landing-2

Rafael de Nogales Mendez maakt de belegering van Van mee

Rafael_de_Nogales_MendezRafael de Nogales Méndez is een Venezolaans avonturier die je vaak vindt waar er oorlog is. Tijdens de Groote Oorlog dient hij in het Ottomaanse leger. Op 25 april 1915 bevindt hij zich aan de rand van de oude Armeense stad Van, die in een van de noordoostelijke provincies van het Ottomaanse rijk ligt, vlakbij Perzië en in noordelijke richting niet meer dan ruim 150 kilometer van de grens met Rusland. In de stad is een opstand gaande. De Nogales maakt deel uit van de troepen die worden ingezet om die te onderdrukken.

De situatie is gecompliceerd. De Armeense opstandelingen hebben het oude ommuurde deel van de stad en de voorstad Aikesdan in handen. De troepen van de Turkse gouverneur beheersen de citadel op de rots boven de stad en de rest van de omliggende bebouwing. En ergens in het noorden bevindt zich een Russische legerkorps, op het moment tegengehouden door de moeilijk doordringbare bergpas bij Kotur Tepe, maar in elk geval in theorie minder dan een dagmars verderop. Aan beide kanten pendelt de stemming tussen hoop en wanhoop, tussen angst en vertrouwen. De christelijke Armeniërs hebben geen keuze; ze weten dat ze moeten volhouden tot het Russisch korps arriveert. En hun islamitische tegenstanders weten dat de strijd gewonnen moet worden voor de Russen zich aan de horizon vertonen en belegeraars en belegerden van plaats wisselen.

Dit verklaart deels de wreedheid van de gevechten. Geen van de partijen maakt gevangenen.(…) De opdracht om Van te onderwerpen is lastig. De Armeniërs verdedigen zich met de wilde, wanhopige moed van hen die weten dat nederlaag en dood synonieme begrippen zijn. Tegelijkertijd zijn veel van de vrijwilligers in De Nogales’ eenheid ongedisciplineerd, onervaren, eigenzinnig en gedeeltelijk volstrekt onbruikbaar in echte gevechten. Tot overmaat van ramp is het oude Van een regelrecht labyrint van bazaars, nauwe steegjes en huizen met lemen muren, even moeilijk te overzien als lastig te doordringen. Het onderwerpen van de stad is daarom in veel opzichten overgelaten aan de Ottomaanse artillerie.

Van_April_1915_cannons_captured_by_the_Armenians

De Nogales staat naast de gouverneur van de provincie, Cevdet Bey, en ziet hoe een dorp nabij Van bestormd wordt. Hij ziet hoe 300 Koerden te paard de vluchtwegen van de Armeniërs afsnijden. Hij ziet hoe de Koerden de overlevenden met een mes afmaken. Plotseling suizen er kogels door de lucht vlak naast De Nogales en de gouverneur. De schoten zijn afkomstig van een paar Armeniërs die op de grote Sint-Pauluskathedraal in het oude Van zijn geklommen. Tot nu toe hebben beide partijen dit oude heiligdom gerespecteerd, maar nu geeft de gouverneur het bevel de kathedraal aan stukken te schieten. Het kost 2 uur van vuren met kanonskogels voordat de hoge, oeroude dom instort in een wolk van stof. Op dit moment zijn er ook Armeense sluipschutters op de minaret van de grote moskee geklommen. Ditmaal is de gouverneur niet even snel met het geven van het bevel tot vuren. De Nogales twijfelt echter niet en geeft bevel tot vuren. “Op deze manier”, vertelt de Nogales, “zijn in de loop van één dag de twee voornaamste tempels van Van verwoest, die al negen eeuwen tot de beroemdste historische monumenten van de stad behoorden.”.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Odon mag de 1e linie verlaten

Odon Van Pevenaege is samen met zijn wapenmakkers van de grenadiers betrokken bij de gevechten rond Steenstrate, na de eerste Duitse gasaanval nabij Ieper. Meer informatie over die gevechten waarbij Odon betrokken is, vind je terug op de pagina’s van 22-23 april en van 23-24 april.  op 24 april 1915 worden de grenadiers afgelost door het 3e linieregiment. Behalve het peloton van Odon want dat peloton vinden ze ’s avonds niet terug. Over zijn laatste dag in de eerste linie noteert Odon het volgende.

25 april 1915
De ochtend van zondag 25 april 1915 kwam er bevel van de majoor dat we mochten vertrekken. Op mijn horloge was het 7 uur. De adjudant zei dat we weg mochten, maar de plaats waar we zaten, was erg gevaarlijk. We zaten op amper 200 meter van de vijand. Velen zeiden :’Ik blijf zitten tot de avond valt.’. Het was gevaarlijk om weg te gaan en ik vond dat ook. Toch zag men er hier en daar een wegsluipen. Dat maakte op de anderen grote indruk. Een Antwerpenaar kwam bij mij en zei :’Zijt gij ook nog niet weg ?’. (…) We maakten ons klaar om te vertrekken. Er werd juist nog een zoeaaf getroffen door een kogel, vlak naast mij. Hij vroeg ons om hem naar een poste de secours te brengen. We zeiden dat hij maar met ons mee moest, we moesten er toch langs.

Odon_19150425Langzaam kropen we door de gracht. (…) Ik liep voorop en om het de vijand moeilijk te maken, liep ik zo hard ik kon. Toen ik zo’n 200 meter gelopen had, hoorde ik plots een schreeuw. Ik draaide me om en zag mijn makker Dens op de grond vallen. Ik liet de Fransman verder gaan naar de poste de secours, zo’n 220 meter verderop. De kreten van mijn vriend waren als een dolk in mijn hart. Ik ontdeed me van mijn ballast en kroop terug naar hem. Hij vroeg me meteen een dokter of een aalmoezenier te halen. Maar toen hij mij zag vertrekken, riep hij mij terug en zei :’Clairon, ge moogt mij niet verlaten !’. Het was wreed, maar ik kon die jongen op geen enkele manier helpen. Opeens begon hij te wenen en riep :’Clairon, ik ga sterven !’. Toen ik dat hoorde, kon ik mijn tranen niet meer bedwingen. (…) Intussen kroop er nog een karabinier tot bij ons. Ik vroeg hem om bij mijn kameraad te blijven zodat ik brancardiers kon gaan halen. Gebukt liep ik het veld oor. Toen ik aan het einde kwam, vond ik een peloton piotten van het 3e linieregiment. Ik vroeg drie mannen van goeie wil om met mij mee te gaan. Onmiddellijk kwamen ze mee en we droegen de gewonden in een zeil naar de poste de secours. (…) Mijn kameraad werd naast een dode gelegd, uit plaatsgebrek. Na hem te hebben aangemoedigd, zei ik de jongen vaarwel. Zijn laatste woorden waren :’Clairon, de complimenten aan al mijn makkers en tot weerziens in het andere leven.’. Een uur nadat ik weg was, blies hij in helse pijnen zijn laatste adem uit. (…)

Ik stapte verder naar Oostvleteren. De versterking van de Fransen was geweldig groot. Er waren zelfs Engelsen bij. Een Engelse officier liet me op een open auto zitten die naar Oostvleteren reed. Onderweg werd ik gefotografeerd. Het was rond de middag dat ik in deze gemeente aankwam. Ik was blij dat ik in mijn kantonnement eens goed kon uitrusten. Tegen de avond ging ik naar de kerk om God te bedanken.

bron :  Ivan Adriaenssens, Odon – oorlogsdagboek van een Ijzerfrontsoldaat, Lannoo

Odon ziet de zoeaven sneuvelen

Odon van Pevenaege noteert het volgende in zijn dagboek over de gevechten bij Steenstrate.

23 april 1915
Stilaan begint het licht te worden. Het bombardement was wat verminderd. Maar rond 10 uur in de voormiddag begon het opnieuw, tot ’s avonds. Rond 14 uur kwam er versterking aan van de Fransen. Het waren zoeaven die in tirailleur recht op ons afkwamen.

Odon_19150424a

Toen ik dat merkte, had ik schrik in hun plaats. Ik wist dat zij door de mitrailleurs van de vijand zouden worden neergemaaid zodra ze over de heuvel kwamen. Wat ook snel geschiedde. Opeens begonnen de mitrailleurs te ratelen en ook de schrapnels waren ontelbaar. Niemand van ons durfde nog zijn hoofd op te heffen om te kijken. De balletjes vlogen in het rond als hagelstenen, maar de zoeaven, die net aan een straat kwamen, hadden zich zo veel mogelijk in de gracht verborgen. Zo gauw het schieten wat minderde, kwamen ze weer vooruit. Enkelen geraakten zelfs tot bij ons. Het was vreselijk om te zien met welke grote moed die jongens vooruitkwamen, ondanks de grote verliezen die ze leden.

Toen ze in onze loopgraaf waren, werd er opnieuw een order gegeven om verder te gaan. De officieren sprongen eerst uit de tranchee en werden gauw gevolgd door de mannen. Ze naderden tot op een vierhonderd meter van de vijand. Zodra die dat opmerkte, werd er opnieuw een hels vuur op hen geopend. Het was meelijwekkend te zien hoe de ongelukkigen neergemaaid werden. De ene na de andere stortte neer en toch liepen de overblijvenden tot aan de eerste linie. De plaats waar zij over gelopen hadden, was geheel bezaaid met lijken.  (…)

Odon_19150424b

Het bombardement ging even hard door. Onze artillerie liet zich goed horen en op sommige momenten namen onze kanonnen het ernstig op. Toen het donker werd, kwam er opnieuw versterking van de Fransen. Rond 22 uur werden we weer gas gewaar. Het was net als gisteren. Opeens zagen we de Fransen achteruit trekken. Ze zeiden dat ze door de vijand aan de kant van de gemeente Zuidschoote waren omsingeld. Onmiddellijk ontruimden we onze tranchee en legden ons in een gracht aan de kant van een straat. Onmiddellijk kregen we bevel van onze majoor Denys om de tranchee van de Fransen weer in te nemen.Toen die ons zagen terugkeren, kregen ze ook het bevel om mee te gaan. De zoeaven, die onze koelbloedigheid zagen, keerden allemaal samen met ons terug. (…)

24 april 1915
Toen het de dag erna licht werd, zagen we tot onze grote verwondering dat het front helemaal veranderd was. Bij de Fransen van de Belgische sector was er geen winst ondanks alle moeite. Het bombardement van onze artillerie stopte geen moment. De hele dag zagen we dat de Fransen een aanval voorbereidden. Ja, tegen de avond togen de zoeaven aan het werk en veroverden ze een groot deel van wat ze daags voordien hadden verloren. De volgende avond werden wij afgelost door het 3e linieregiment. Mijn peloton werd niet afgelost omdat men ons net gevonden had. Zo bleven we die nacht zitten.

bron : Ivan Adriaenssens, Odon – oorlogsdagboek van een Ijzerfrontsoldaat, Lannoo

Odon vecht in Steenstrate

De eerste Duitse gasaanval aan het westelijk front was gericht tegen de Fransen (lees meer op deze pagina). Maar ook de Belgen waren bij de gevechten betrokken (informatie op deze pagina) .In het boek van Luc Vandeweyer, Koning Albert en zijn soldaten, Manteau werden de grenadiers, waaronder Odon van Pevenaege, al vermeld. Hoog tijd dus om Odon zelf aan het woord te laten. In zijn dagboek schrijft Odon het volgende over deze gevechten rond Steenstrate.

22 april 1915
De 22e april begon de vijand bij valavond heel de sector van Steenstrate te bombarderen zonder ophouden. Ondertussen lieten ze hun geweren en mitrailleurs ook nog eens goed draaien. Die dag was mijn bataljon in repos bij de burgemeester van Oostvleteren. Het was de tweede dag van onze repos. Iedereen vroeg zich af wat dit kon betekenen. Het bombardement werd steeds heviger. Rond 22 uur was het alert voor ons. Meteen schoten we onze tenue aan en zonder een hap eten voor de volgende dag vertrokken we. Alles wat we kregen, waren cartouches. Onderweg werd er weinig lawaai gemaakt, want iedereen was bevreesd. Op onze piketplaats gekomen vernam ik dat de vijand de Fransen had aangevallen en ook een kant van ons regiment. Ze hadden de Franse linie al ingenomen. Toen wij dat hoorden, verbeterde onze moreel niet. Toch liet ik de moed niet zakken. Na het lezen van een mooi gebed voelde ik me al een stuk beter. Zo kwamen we bij de Kemmelbeek. Hier werden we opeens iets gewaar aan onze ogen. Iedereen vroeg zich af wat dat kon zijn. Ook onze keel begon meteen pijn te doen. Maar niettemin bleef er niemand achter. De kogels begonnen over te vliegen en ook de ene schrapnel na de andere. De compagnie werd verdeeld in drie groepen. Het tweede peloton – het mijne – moest zich vestigen aan de rechterkant van de Lizernemolen. Die molen was afgebroken door de genie van de 6e D.A in de dagen dat wij hier tranches maakten, op 14 oktober 1914.  Net naast die molen was er een tranchee gegraven. Daar moesten wij in. Door een regen van kogels trokken wij erheen. Aan de tranchee gekomen sprongen wij er gauw in om ons zo goed mogelijk tegen de mitrailleurs van de vijand te beschermen. Het bombardement nam in hevigheid toe. (…) Zo bleven we hier tot de volgende ochtend.

23 april 1915
Rond 2 uur ’s nachts deden de Duitsers opnieuw een aanval die voorafgegaan werd door een sterke wolk gas waar we niet konden doorkijken en die ons bijna verstikte. Mijn ogen deden niets dan tranen en aan onze keel konden we het bijna niet uithouden van de pijn. Het duurde drie kwartier voor het gas begon te verdwijnen. Maar desondanks waren onze mannen niet opgehouden met schieten. Door het voortdurende schieten van onze kant waren de Duitsers er niet in geslaagd vooruit te komen.

Odon_19150423

bron : Ivan Adriaenssens, Odon – oorlogsdqgboek van een Ijzerfrontsoldaat, Lannoo

dokter Lievens verruilt verlof voor de gevechten van Steenstrate

Dokter Lievens was vanaf 18 april 1915 op verlof en ging naar Folkestone en Londen. Zijn notities daarover vind je terug op deze pagina. Zijn verlof eindigt op 22 april en daags nadien komt hij terug in Belgie op de dag van de eerste Duitse gasaanval nabij Ieper.  Hij noteert het volgende in zijn dagboek.

23 april 1915

dokter Lievens

dokter Lievens

De terugkeer verloopt op een woelige zee, maar ik word niet zeeziek. In Calais wacht een auto mij op om me direct naar het kantonnement te brengen. Wat een drukte bij mijn aankomst. Ik krijg bevel me onmiddellijk ter beschikking te stellen van de C.D.A. (cavaleriedivisie). De Duitsers hebben de Franse sector, verdedigd door territoriale troepen, in Steenstraete aangevallen. Voor de eerste maal heeft de vijand gebruik gemaakt van gifgas. De verraste soldaten werden vergiftigd. De Fransen moesten zich terugtrekken met verlies van vierentwintig 75-mm kanonnen, vier houwitsers en 1500 gevangenen. De Britten rechts van hen en onze cavaleriedivisie links worden gedwongen zich terug te trekken. De Duitsers bezetten Steenstrate.

24 april 1915
De Duitsers vallen het Belgische front aan na een overvloedige beschieting met gifgasgranaten. Vertrouwend op hun succes rukken ze op in colonnes van vier met het geweer aan de riem. De officieren nemen de leiding met getrokken sabel en de revolver in de vuist. Als gelukkige voorzorg heeft generaal De Ceuninck alle mitrailleurs in de bedreigde sector laten brengen. De moffen naderen tot op 150 meter en worden dan warmpjes onthaald met geweervuur, geratel van mitrailleurs en gedonderd van kanonnen. De Duitsers vallen als vliegen. Niettemin blijven zij die volgen de eersten vooruit duwen en dat blijft achttien minuten duren. Het wordt een bloedbad zonder voorgaande. Je zou medelijden krijgen met die kerels, ze worden als strohalmen neergemaaid. Eindelijk zien we de colonnes wankelen, uiteenvallen en dan wordt het een redde-wie-zich-redden-kan. Een immense zegekreet weerklinkt uit onze loopgraven, overwinningskreten, gehuil van vreugde. Ondanks het verbod van de officieren verlaten onze grenadiers en karabiniers zegedronken hun versterkingen om de verliezers te achtervolgen. Ze omhelzen elkaar, lachen, huilen, dansen, ze zijn als gek geworden.

’s Avonds tellen we voor onze linies achthonderd Duitse doden en we beschouwen de Duitse inspanning als gebroken. Eens te meer heeft ons kleine dappere leger Europa gered, want als wij de Duitsers niet hadden tegengehouden, dan zouden ze doorgebroken zijn en Duinkerke en Calais hebben ingenomen, met alle funeste gevolgen vandien. Diezelfde dag hebben de 418de Franse en het 135e Zouavenregiment bijgestaan door de Britten en Canadezen het verloren terrein heroverd ten koes van heldhaftige inspanningen en verschrikkelijke verliezen. Mijn God, wat een bloed ! Wat een bloed ! ie dag heb ik meer bloed zien bloeien dan gedurende heel de oorlog. Brancardiers en dokters hebben met bewonderenswaardige energie en toewijding stoïcijns hun taak volbracht.

25 april 1915
Bij Steenstrate rukken we nog op, maar de Duitsers verdedigen hardnekkig het gehucht (Luzern). Ze gaan energiek in de tegenaanval, maar wij houden wat we hebben.

Dokter Lievens op verlof in Engeland

Dokter Lievens is vanaf 18 april 1915 op verlof. Hij heeft het geluk naar Engeland te kunnen trekken.

18 april 1915  : In verlof naar Londen met René Van Snick. Eerst logeren we in Calais in het Hotel Terminus.

19 april 1915 : We vertrekken naar Folkestone om 8u15. Na een voorspoedige overtocht komen we omstreeks de middag aan en boeken inb het Pavilion Hotel. Wij zoeken Jozef Ide (schoonbroer van dokter Lievens) in de Folketsone Parade op het adres dat hij ons heeft achtergelaten maar hij is vertrokken zonder enige aanduiding. In de namiddag worden we in een privéclub ontvangen. De leden zijn wat blij met de kleine souvenirs die we van het front hebben meegebracht.

20 april 1915 : Londen. Strand Palace Hotel. Zeker aan te bevelen. Fooien zijn niet toegelaten. We ontmoeten Jozef, een heel chique meneer, een echte gentleman. Hij heeft een kleine kamer in D street. Op een klein plankje boven het bed lees je :”Strikt verboden dames binnen te brengen”. Het is doodstil in Londen, want het is zondag en alles is dicht. ’s Avonds begeven we ons naar Hotel Monico, ontmoetingsplaats van de Belgen.

21 april 1915 : We flaneren en wandelen in Londen.

22 april 1915 : Grote propaganda voor rekrutering : je ziet langs alle kanten mensen samentroepen en mannen en vrouwen die de massa bewerken. Bij Kingsway treedt een buitengewoon originele Schotse muziekgroep op met fluiten en doedelzakken en tamboers die de grote trom roeren. De muzikanten zijn in pantervellen gekleed. Ze worden gevolgd door een auto met een officier en 2 dames in uniform. Daarna houdt de officier een uiteenzetting en vraagt om tien man. Een na een komen die uit de menigte en worden naar de kazerne gebracht. In Groot-Brittanië word je op die manier bij het leger ingelijfd. Bij Kodak koop ik een fototoestel (de foto’s die dokter Lievens daarmee maakt, zijn ook in het boek afgebeeld).

bron : André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo

Pavilion Hotel te Folkestone

Pavilion Hotel te Folkestone

Duitsers bereiden de gasaanval op Ieper voor

Duitse militairen treffen allerhande voorbereidingen om daags erna (22 april 1915) de eerste gasaanval op de geallieerden te lanceren. De twee vorige pogingen werden afgelast omdat de wind niet gunstig zat. Op 21 april 1915 ’s avonds noteert luitenant Becker van een Reserve Infanterie Regiment het volgende :

We zitten in de loopgraven boordevol zelfvertrouwen. De mannen van de genie komen langs en controleren de vergrendeling van de ventielen van de stalen cilinders waarin het gas onder hoge druk opgeslagen zit. Veilig staan de cilinders in de Vlaamse modder. De leidingen waardoor het gas zal worden vrijgelaten, zitten onzichtbaar voor de vijand verborgen in de aarden wal boven de loopgraven. Onze enige bescherming tegen het gas bestaat uit vochtige katoenen doeken voorzien van een draagbandje om ze tegen onze neus en mond te klemmen.

gascilinders

bron

oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

strijders van over de Middellandse zee

Het bericht dat ik gisteren publiceerde over de graven van Algerijnse soldaten (met als titel Arabische stenen), deed me denken aan het dagboek van grenadier Odon van Pevenaege. Odon noteert op 19 oktober 1914 het volgende :

’s Morgens was het om 3 uur reveille. Na het rassemblement gingen we in de richting van Loo. Onderweg zagen we veel Fransen. Te Loo aangekomen zag ik Arabieren te paard. Dat had ik nog nooit gezien.

MarokkaanseSpahi1915De Arabische cavaleristen in dienst van het Franse leger werden Spahis genoemd. Het woord is afkomstig via het Turks van Het Perzische sipahi, wat ruiter betekent. Zowel in Algerije als in Marokko worden er Spahi-regimenten gevormd.

Eind augustus 1914 arriveert een Marokkaanse divisie in Frankrijk. De Duitsers hebben zich dan ingegraven op de heuvelruggen van Vimy, tussen Atrecht en Lens in Frans-Vlaanderen. Daar wordt de Marokkaanse divisie ingezet. Op anderhalf uur tijd breken de Marokkaanse soldaten door de 4 Duitse loopgraven. Ze hebben slechts één fout gemaakt : winnen waar het niet verwacht werd. Het Franse leger heeft bijgevolg geen versterkingen klaar om de overwinning te consolideren en dus wordt deze grond later weer prijsgegeven.

Later wordt de divisie noordelijker ingezet. Een van de weinige Marokkaanse officieren Brick Ben Kaddour sneuvelt  in Radinghem bij Rijsel. Een deel van de divisie arriveert op 13 november 1914 aan het kanaal Ieper-Ijzer en verovert er Bikschote. Ook nabij Hill 60 in Zinnebeke ziet men deze Marokkaanse soldaten vechten. Eind januari 1915 wordt de Divisie op rust gesteld bij Duinkerke.

Naast de Marokkanen zijn er ook Algerijnen aan het front in Vlaanderen. Zij vangen de eerste gaswolk van de Duitsers op nabij Ieper op 22 april 1915.

De afbeelding van modelbouwsoldaat mag geenszins het vermoeden wekken dat ik deze soldaten als speelgoedfiguren wil beschouwen. Onderstaande link met als titel “Marokkanen aan de Ijzer” zal het tegendeel bewijzen. Maar soldaten die al te lang zijn vergeten, worden beter herdacht met een kleurenafbeelding dan met een klassieke zwart-wit-foto.

bronnen

Ivan Adriaenssens, Odon – oorlogsdagboek van een Ijzerfrontsoldaat

http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2013/08/04/marokkanen-aan-de-ijzer