Duitse duikers te Steenstrate

Dokter Maurice Lievens noteert in zijn dagboek voor 1 maart 1916.

We vertrekken voor de sector Noordschote – Steenstrate. Voor ons ligt het XXIIIste Duitse Reservekorps met veldartillerie en zware houwitsers. Twee Duitsers, die in onze sector gevangen genomen werden, waren helemaal gekleed in een ondoordringbare, waterbestendige uitrusting met masker, wat de totale onderdompeling toelaat. Zij waren door onze linies gestoten, maar onmiddellijk daarna aangehouden. Naar eigen zeggen was het hun bedoeling zich in een granaattrechter te verbergen achter onze linies. Daar zouden ze notities nemen over de plaats van onze mitrailleurs en onze waarnemingsposten. Daarna zouden ze dwars door de inundatie naar hun eigen posten zijn teruggekeerd. Zij bevestigden dat deze list al was geslaagd in de Britse sector.

Op wikipedia valt er in het artikel over de slag om de Ijzer nog het volgende te lezen.

Lange tijd bleef het stil aan het westfront, soldaten kropen zo diep mogelijk weg in de loopgraven. De onderwaterzetting gaf een gevoel van veiligheid, al bleek dit gevoel van veiligheid vals toen tijdens de nacht van 15 januari – 16 januari 1916 de soldaten plots oog in oog kwamen te staan met drie Duitsers. Men dacht dat het onmogelijk was zo’n grote afstand af te leggen door het ijskoude water. Met grote ontzetting ondervond men dat de soldaten uitgerust waren met speciaal ontworpen zwempakken, bestaande uit zeildoek, teer en rubber zodat ze zich gedurende lange tijd in uiterst koud water konden voortbewegen. Bovendien kwam men te weten na ondervraging dat er soldaten getraind werden om op deze manier de vijand te besluipen. Meteen werd de beveiliging van de wachtposten strenger gecontroleerd. Het bleef echter bij deze drie “zwemmers”.

Het dagboek van dokter Lievens spreekt dit artikel echter tegen. na januari 1916 waren er dus nog Duitse zwemmers die de Ijzer hebben overgestoken. In het boek van dokter Lievens uitgegeven bij Lannoo wordt er verwezen naar Vandeweyer, Onder water, oorlog in het overstroomde gebied ism Ijzerbedevaartcomité Diksmuide.

bronnen :
André Gysel, Dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo
https://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_om_de_IJzer

IjzerOverstroming02

Van Folkestone naar Auvours

Zoals ik reeds eerder vermeldde, weet ik niet veel zaken over mijn grootvader aan het Ijzerfront. Wat ik wel met zekerheid weet, is dat Martinus Evers zich heeft laten inlijven bij het Belgische leger in Folkestone op 16 februari 1916. Het document van die inlijving vermeldt eveneens dat hij naar het opleidingscentrum in Auvours gestuurd wordt.

Aan de hand van een tweetal boeken probeer ik zijn reis van Folkestone naar Auvours te reconstrueren. Het eerste boek is van Michael en Christine George, Dover & Folkestone during the Great War, Pen & Sword Military. In dit boek wordt geschreven over de troepentransporten van Folkestone naar Boulogne. Het lijkt me evident dat de Belgische soldaten zich aansloten bij de Engelsen om de oversteek te doen.

Het tweede boek heb ik al googelend gevonden. Het is het Jaarboek Abdijmusuem Ten Duinen 1138 . Google Books vermeldt het onder de titel Novi Monasterii – Vol. 8 – 2008

Je kan het nalezen op deze link https://books.google.be/books?id=c9ru1J4Dn7AC&pg=PA95&lpg=PA95&dq=folkestone+auvours&source=bl&ots=t4PrS1fG0Q&sig=gtQWiCnUX5Ww8nybJScSfZhJ-bE&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjr-pKklv_KAhWJXhQKHUl5CesQ6AEIRzAH#v=onepage&q&f=false

Hieronder vind je twee uittreksels. Het eerste komt uit pagina 94. Het vermeldt dat Auvours het enige opleidingskamp was voor Belgische brancardiers. En daar komen de monniken terecht die in vredestijd geen militaire diensplicht moeten doen. In 1916 wordt echter iedere Belgische man tot 40 jaar opgeroepen.

NoviMonasteri_p94

De reis die de monniken hebben afgelegd, staat vanaf Boulogne beschreven.

NoviMonasteri_p96

Samengevat krijgen we dan het volgende traject. Martinus Evers is samen met andere soldaten de boot opgegaan om van Folkestone naar Boulogne te varen.

Folkestone_Auvours01

Het volgende deel van het traject is per trein gebeurd. Mogelijk heeft Martinus Evers net zoals de monniken het laatste traject tussen Le Mans en Auvours te voet afgelegd. Google Maps vermeldt 5u 1 min met de wagen. De troepentransporten gingen per trein en het valt sterk te betwijfelen of alles naadloos aan mekaar aansloot.

Folkestone_Auvours02

Martinus Evers ingelijfd in Folkestone

Op 16 februari 1916 is mijn grootvader Martinus Evers ingelijfd in het Belgische leger te Folkestone. Daarvan getuigt onderstaande uittreksel dat we uit het archief van het Belgische leger ontvangen hebben. Jammer genoeg staat de datum van inscheping er niet bij vermeld. Hoe snel Tinus naar Frankrijk is gestuurd, weet ik dus niet, maar ze zullen er allicht geen weken mee gewacht hebben. Wat wel zeker is, is dat hij naar het opleidingscentrum in Auvours (Frankrijk) gestuurd werd.

InlijvingMartinusEvers19160216

Martinus Evers onderweg naar Engeland

Ik weet zeer weinig over mijn grootvader met zekerheid. Ik heb hem nooit gekend. Mijn moeder was 4 jaar toen haar vader stierf. Ik ken alleen een aantal verhalen over mijn grootvader. Wat ik wel zeker weet is dat hij op 16 februari 1916 is ingelijfd in het Belgische leger te Folkestone. Ik mag dan ook veronderstellen dat hij op 13 februari 1916 al onderweg was naar Engeland. Alleen of met kameraden ? Wie zal het zeggen ? Feit is wel dat hij in februari 1916 geen last heeft gehad van de dodendraad. Die was toen nog aangelegd aan de quatre-bras, dus ten zuiden van Hamont. Martinus Evers kon dus met gemak de Belgisch-Nederlandse grens oversteken zonder dat hij beroep moest doen op een passeur. Op de foto hieronder staat hij helemaal rechts.

MartinusEvers01

Joris Lannoo in opleiding

In Octeville wordt Joris Lannoo op 10 januari 1916 voorlopig ingedeeld bij de 8e compagnie van het 5e linieregiment. Hij moet nu een tweetalige verklaring ondertekenen, een uittreksel uit de Code Pénal Militaire, waaraan het Nederlands in kleinere letters is toegevoegd. Voor mannen zoals Joris Lannoo kon het Frans geen probleem vormen : zij hadden het geleerd in hun collegejaren. Het betekent wel dat alleen zij die Frans kennen de ladder van de legerpromoties kunnen beklimmen en dat de grote meerderheid van de Vlaamse soldaten ter plaatse blijft trappelen door een discriminerende taalbehandeling waartegen ze nauwelijks iets kunnen inbrengen. Sergeant Lannoo spreekt zich niet uit over dat taalregime, maar hij zal dat anderhalf jaar later wel doen, en nog wel tegenover een minister.

Op 5 februari 1916 vertrekt Joris voor een maand naar het kamp van het Normandische Criel voor een speciale opleiding in het hanteren van nieuwe types van mitrailleurs en het bouwen van weerstandsnesten. Door de vastgelopen loopgrachtenoorlog kent de militaire technologie op het gebied van weerstandsnesten een snelle ontwikkeling. Zeker in de Belgische sector tussen Steenstrate en de Minoterie in Diksmuide is de noodzaak aan snelvurende mitrailleurs bijzonder hoog.

Na de korte opleiding in Criel moet Joris Lannoo onmiddellijk naar Fécamp voor de allerlaatste fase van de opleiding. Hij behoort dan, opnieuw voorlopig, tot het 12e linieregiment. De opleiding eindigt op 2 april 1916.

bron : Romain Vanlandschoot, Een Vlaamse Viking aan het front, Lannoo

JorisLannoo1916

Joris Lannoo begin 1916

Cultuur voor de piot in Auvours

Op 3 februari 1916 noteert Raoul Snoeck in zijn dagboek :

Sinds zeven dagen ben ik in Auvours, morgen vertrek ik naar Dieppe. Ik rouw er niet om. Temidden van die bossen is het verschrikkelijk mistroostig, ik dacht er gek te worden. Voeding, huisvesting en verzorging zijn slecht, nog erger dan aan het front. Auvours is een doorgangskamp voor alle gewonden en zieken die nog aan het front terugkeren.

Als Raoul Snoeck iets later was toegekomen, had hij nog kunnen kennis maken met De Kring. De Legerbode beschrijft op 8 februari 1916 hoe er ook tijdens de oorlog aandacht is voor de culturele verheffing van de militairen : in het kamp van Auvours wordt een kring gesticht waartoe alle soldaten toegang hebben.

De Kring bestaat uit een harmonie, een symfoni, een toneelafdeling, een zangafdeling en een sportafdeling. Verstrooiing en vermaak zullen dan ook op veelvuldige wijze verschaft kunnen worden. Op de vergaderingen zullen er muziek, zang, voordrachten en toneelstukken gegeven worden. Het is de vereniging van alle mannen van goede wil en toewijding, die de leefbaarheid van De Kring zullen verzekeren. De vergaderingen zullen dan eens tweetalig, dan eens uitsluitend Vlaams of Frans zijn.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

auvours-lemans-camps

 

 

 

De Vlaamsche Stem aan het front

Gaston Le Roy schrijft in zijn dagboek op 18 januari 1916 het volgende :

In De Vlaamsche Stem lees ik verheugend nieuws. Op nieuwjaarsavond hebben de Duitse bezetters de vervlaamsing van de Gentse universiteit aangeboden. Groot verheugend nieuws. Bedroevend toch dat onze regering ons dit niet schonk als nieuwjaarsgift.

De Vlaamsche Stem was een dagblad dat in Nederland werd uitgegeven. Door de oorlog zijn heel wat Belgische burgers naar Nederland uitgeweken en daar zitten ook Vlaamsgezinden tussen. Op 1 februari 1915 verschijnt het eerste nummer van De Vlaamsche Stem.

Hoofdredakteur Deswarte staat sterk afwijzend tegenover elke samenwerking met de Duitse bezetter. Als het nieuws doorkomt dat de Duitsers te Oostende en te Brugge het bevel gegeven hadden alle Franse opschriften te verwijderen, wordt dit door het blad ten zeerste betreurd: de Duitsers bewijzen Vlaanderen een slechte dienst door als bevorderaars van de Vlaamse zaak op te treden want dit zal na de oorlog door de fransgezinden uitgespeeld worden in hun strijd tegen het Vlaams (9 mei 1915). Maar in de redactie zitten ook mensen die de samenwerking met de Duitsers voor de Vlaamse zaak wel genegen zijn. Door de aanwezigheid van deze zogenaamde activisten dient Deswarte zijn ontslag in op 17 augustus 1915. De eis tot zelfbestuur en de kritiek op de Belgische regering klinken steeds heftiger zodat het blad aan het front verboden wordt. De Vlaamsche Stem verdwijnt in februari 1916 wegens geldgebrek

bronnen
André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo
http://www.dbnl.org/tekst/elia002vijf01_01/elia002vijf01_01_0008.php
http://users.telenet.be/frankie.schram/tijd/feit/tekst/19/1/5/1915.02.01.html

DeVlaamscheStem

 

 

recyclage van aardappelschillen in Gent

aardappelschilIn haar oorlogsdagboeken schrijft Virginie Loveling op 9 januari 1916 hoe in Gent zelfs de aardappelschillen gerecycleerd worden. Het comité dat zich daarmee bezighoudt, kwam tot stand tijdens de winter 1915-1916. Regelmatig gaan de leden rond met een korf om de schillen in te zamlelen. Die worden vervolgens gedroogd en gemalen tot meel dat ze verkopen aan landbouwers, die het mengen onder de dierenvoeding. De geboekte winst dient om krijgsgevangenen te steunen. Sommige mensen vertellen dat het meel ook gebruikt wordt in brood.

Virginie Loveling vormde met haar in 1875 overleden zus Rosalie een schrijversduo dat zorgde voor een eigen inbreng in de Nederlandstalige literatuur. Na Rosalies dood schreef Virginie alleen verder.

bron
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfons

Protest tegen de von Bissing universiteit

Von_Bissing

von Bissing

Op 8 januari 1916 plaatsen 38 vooraanstaande Vlamingen hun naam onder het zogenaamde Auto-Rekwest, dat als motto draagt :”Geen Vlaamsche hoogeschool uit Duitsche handen”. De ondertekenaars keren zich tegen de beslissing van Moritz von Bissing, gouverneur-generaal van België, om de Gentse universiteit te vernederlandsen en te heropenen.

Die heropening past in de Duitse Flamenpolitik, waarmee ingespeeld wordt op de verzuchtingen van de Vlaamse Beweging, die worstelt met de vraag of ze mogen ingaan op het aanbod van de vijand om een oude eis te verwezenlijken.

Tot de ondertekenaars van het Auto-Rekwest horen onder meer August Vermeylen, Edward Anseele, Paul Fredericq en Alfons Siffer. Ondanks hun verzet opent de universiteit toch op 24 oktober 1916.

bron 
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

 

 

Raoul Snoeck op herstelverlof

Raoul Snoeck is al een hele tijd gewond in een hospitaal. Even vreest hij zelfs voor de amputatie van een been… Maar op 3 januari 1916 noteert hij in zijn dagboek :

Ik ben genezen. Ik had reeds veertien dagen eerder kunnen vertrekken, kreeg ik niet die celvliesontsteking, een kwalijke verwikkeling. Al bij al was het bijna een geluk gewond te zijn. Want ondertussen gingen twee wintermaanden voorbij die ik bij de kachel kon doorbrengen. Ik ontvang een brief van juffrouw Bulthé uit Holland. Ze heeft vernomen dat ik een onderscheiding gekregen heb en behandelt me in alle toonaarden als dappere held. Kom, zo heldhaftig is dat nu ook weer niet, ik heb zoals zovelen enkel mijn plicht gedaan. Daar hoef ik niet fier op te zijn. In de loopgraven vragen we niets liever dan actie, nietsdoen is moordend. Op verkenning wreken de Duitsers zich door gaten in ons vel te schieten.

Het zal duren tot maart 1916 voor Raoul Snoeck weer aan het front is. In die periode passeert hij ook in Parijs waar hij onderstaande foto laat maken.

bron : Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

RaoulSnoeck_Jan1916