Een Taube boven Veurne

Op 23 juni 1915 om 6 uur ’s morgens hangt er al een Taube boven Veurne. Jozef Gesquière verwacht er niet veel goeds van, ook niet wanneer die na een paar uur verdwijnt. In zijn dagboek vervolgt hij :

Nog geen tien minuten na het verdwijnen van de Taube hebben we het al. Veertien schuifelaars, zo worden de aankomende obussen genoemd, volgen elkaar vlug op. Ze komen op verschilende plaatsen terecht. Slechts zes op de veertien ontploffen en richten geringen schade aan. Geen enkel slachtoffer vandaag.

De Taube is een vliegtuigtype dat in 1910 een eerste vlucht maakt. Voor de vorm van de vleugels keer ontwerper Igo Etrich naar de vorm van de zaden van de esdoorn. Van deze eerste militaire vliegtuigen werden er talloze gebouwd voor Duitsland en zijn medestanders. Vanaf begin 1915 werden ze vervangen door nieuwe types.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Taube02

Lemberg wordt terug Oostenrijks

Sinds de Duitsers hun Oostenrijks-Hongaarse bondgenoten meer ondersteunen, hebben de Russen hun greep op het Oostenrijks-Hongaarse Galicië moeten lossen. Alles is begonnen in mei 1915 met de slag bij Gorlice (lees meer daarover op deze pagina) . Begin juni heroveren de troepen van de Centralen Przemysl en half juni breken ze door de Russische linies aan de San (lees meer op deze pagina) .

Op 22 juni 1915 heroveren Duitse en Oostenrijks-Hongaarse troepen Lemberg (vandaag Lviv in Oekraïene). Deze herovering is bijzonder goed voor de moraal en is in feite vooral een Duitse overwinning. Maar om hun bondgenoten wat extra moed te geven, staan de Duitsers toe dat de Oostenrijks-Hongaarse troepen de stad binnenmarcheren.  Naast de opsteker voor de moraal is de verovering van Russische kanonnen en munitie een meevaller voor de bevoorrading van het Oostenrijks-Hongaarse leger. De Duitse generaal von Mackensen en de Oostenrijkse stafchef Conrad krijgen allebei promotie.

Oostenrijks-Hongaarse soldaten marcheren Lemberg binnen.

Oostenrijks-Hongaarse soldaten marcheren Lemberg binnen.

bron

Michael Neiberg en David Jordan, The history of world war I – the eastern front 1914-1920, amber books

Tilburger Courant telt de Belgische vluchtelingen

Het uitbreken van de eerste wereldoorlog leidde tot een grote vluchtelingenstroom naar het neutrale Nederland. In hoofdzaak ging het om burgers, maar er waren ook flink wat Belgische militaire en zelfs wat Duitse. Naar schatting een miljoen vluchtelingen bevonden zich tijdens de oorlog korte of langere tijd in Nederland, dat toen zelf maar zes miljoen inwoners telde.

Tilburger Courant meldt op 22 juni 1915 dat er zich volgens ambtelijke tellingen, in het begin van deze maand 16.500 Belgische vluchtelingen in de provincie Noord-Brabant bevinden. De meesten verblijven in Breda (2636), Bergen-op-Zoom (2578), Roosendaal (2000), Tilburg (1335) en Ossendrecht (536)

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Vluchtelingenmonument Enschede

Vluchtelingenmonument Enschede

Britten veroveren Bukoba

Britten veroveren Bukoba

Britse manschappen van het 25e Royal Fusiliers (Frontiersmen) komen op 21 juni 1915 over het Victoriameer om de kustplaats Bukoba (Duits Oost-Afrika, vandaag Tanzania, Rwanda en Burundi) aan te vallen. Het wordt de eerste overwinning van de Britten op de Duitsers in deze regio. Bij hun aanval verwoesten ze ook het telegraafkantoor om verdere communicatie met de Duitse legerleiding onmogelijk te maken.

Omwille van hun status als ‘onregelmatige troepen’ krijgen de Frontiersmen van de aanwezige Britse generaal de toelating om het stadje te plunderen, wat het Britse oppercommando later zal ontkennen.

bronnen

oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

https://nl.wikipedia.org/wiki/Duits-Oost-Afrika

http://www.25throyalfusiliers.co.uk/bukoba.html

Britse troepen halen de Duitse vlag omlaag in Bukoba - juni 1915

Britse troepen halen de Duitse vlag omlaag in Bukoba – juni 1915

Raoul Snoeck mijmert in De Panne

Raoul Snoeck noteert op 20 juni 1915 het volgende in zijn dagboek :

We rusten nog altijd uit in De Panne bij heerlijk weer. Blijven we hier nog lang, dan krijg ik opnieuw de smaak in het zindelijk leventje te pakken. Mijn nicht Duquenne woont hier niet veraf en komt me dikwijls opzoeken. Met enkele vrienden bereiden we dan lekkere maaltijden, maken mooie wandelingen en zingen liedjes van thuis. Na maanden loopgravenleven ben je een beetje wild. Tijdens de rustperiode breng je je dagen door op zoek naar avontuur, of slaap je van ’s morgens tot ’s avonds. (…)

De villa’s op de dijk die in de zomer nog een riant decor vormden, zijn ingenomen door soldaten en hebben een heel ander uitzicht. Vroeger waren ze bebloemd, koket, net en verzorgd en droegen leuke namen. Samen met de heldere kleurenschakeringen en de met geraniums en hortensia’s versierde terrassen zorgde dit alles voor een innig voorkomen. Deze heerlijke nestjes riepen dromen op van gelukkige bestemmingen, welverdiende rust, liefdesromans en huiselijke gezelligheid.

EN ik denk terug aan mijn kindertijd, aan de gezegende vakantieperiode die we elk jaar aan zee doorbrachten. Ik laat mijn gedachten afdwalen en beleef alles opnieuw. ’s Morgens stoeiden we in het water of visten op garnalen. Dikwijls liep ik naar moeder, nat tot aan de schouders. Gelukkig had ze altijd verse kleren bij want ik was een echte rakker. Ook het zand roept in mij zovele gelukkige herinneringen op. Ik ravotte erin met de kinderen van mijn leeftijd, blootvoets amuseerden we ons.

bron : Raoul Snoeck, vertaald door André Gysel,  In de modderbrij van de Ijzervallei, Snoeck-Ducaju & zoon

DePanne_1910_02

slachtpartij in Siirt

Rafael de Nogales is een Zuid-Amerikaans avonturier die zich heeft aangemeld bij het Ottomaans leger. Op 18 juni 1915 in de ochtend hebben een paar Turkse officieren in zijn gezelschap verteld dat de voorbereidingen in Bitlis nu klaar waren en dat ze nog alleen wachtten op een order van hogerhand, dat het doden in Siirt daarna op elk moment kon beginnen. Als de Nogales in Siirt toekomt, ziet hij een heuvel vlak bij de hoofdweg. Hij noteert het volgende in zijn dagboek.

De heuvel was gekroond met duizenden halfnaakte en nog bloedende lichamen, die op stapels lagen, in elkaar vervlochten in een laatste omarming in de dood. Vaders, broers, zonen en kleinzonen lagen zoals ze gevallen waren door de kogels of jatagans van de moordenaars. Uit meer dan één opengesneden keel liep het leven weg in hartslagen van warm bloed. Zwermen gieren zaten op de hopen, pikten de ogen van doden en stervenden uit, wier verstijfde blikken nog angst en onuitsprekelijke pijn leken te weerspiegelen, alles terwijl de aasetende honden hun scherpe tanden zetten in ingewanden die nog pulseerden van het leven.

Het veld van lichamen strekt zich uit tot op de straat, en om zich een weg te banen moeten ze hun paarden ten slotte ove de ‘bergen kadavers’ laten springen. Gechoqueerd en verdoofd rijdt de Nogales Siirt binnen. Daar zijn de politie en het islamitische deel van de stadsbevolking druk bezig om samen de christelijke huizen te plunderen. Hij ontmoet enkele overheidspersonen van de streek, onder meer het hoofd van de gendarmes van de stad, die de massamoord persoonlijk heeft geleid. Opnieuw krijgt de Nogales bevestigd dat het vermoorden van alle christelijke mannen van boven de twaalf niet zoals eerder een tamelijk spontaan opvlammende pogrom is geweest, maar een goed geplande, centraal gestuurde operatie.

Hij krijgt een nachtkwartier toegewezen in een van de geplunderde gebouwen. De Nogales begrijpt nu dat de aanvallen niet alleen meerd e Armeniërs betreffen, maar ook andere christelijke groeperingen. Het huis is namelijk van een Syrische familie geweest. Het is volkomen leeggeplunderd, op enkele kapotgeslagen stoelen na. Van de vorige eigenaars is geen spoor te bekennen, behalve een Engels woordenboekje en een heel klein beeldje van de Maagd Maria, verborgen in een hoekje. Op de vloeren en muren zitten bloedspatten.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

armenian-genocide01

impressie uit de Dodengang

Begin juni 1915 is de dodengang een primitief uitgegraven greppel waarin de soldaten plat op de buik vooruit moeten kruipen. Zelfs bij kniezit dienen ze hun hoofd in te trekken omdat ze anders een te gemakkelijke prooi zijn van het vuur vanuit de petroleumtanks of van de overzijde van de Ijzer. De borstweringen van aardezakjes bieden nauwelijks bescherming en worden voortdurend door Duits artillerievuur omgewoeld.

Korporaal Libois noteert begin juni 1915 de volgende impressie. De foto toont adjudant Vico van het 12e linieregiment, genomen op 18 juni 1915, toen 100 jaar na de slag van Waterloo.

Adjudant Vico 12e regiment dodengang

Adjudant Vico 12e regiment dodengang

’s Avonds moeten we verder, de boyau in. Men brengt koffie aan, wat wij weten te waarderen. We nemen kogels mee, en aardezakjes en ijzeren platen. We laten onze ransels achter en om 23 uur begint de mars door de Boyau de l’Yser. Het duurt wel een eeuwigheid. Dante overdreef niet toen hij zijn hellevisioenen uitbeeldde !

De boyau volgt een rechte lijn langsheen de Ijzeroever. We geraken met moeite door de ingang. We moeten er trouwens niet aan denken enkele van de opgehoopte lijken weg te halen. Om in de boyau te geraken moet je iets van een slang hebben, en van een pad en een mol. De soldaten die we aflossen, moeten plat op hun buik kruipen zodat wij erover kunnen kruipen. Niemand zegt een woord. Shrapnels spatten in het rond en voortdurend horen we kogels fluiten en dof tegen de aardezakken slaan. We kruipen zo vlug mogelijk vooruit, steunend op knieën en ellebogen. Aan de schietgaten die de scherpschutters aan de overzijde van de Ijzer in het oog houden, moeten we springen. Het zweet druipt van onze gezichten. (…)

We houden een ogenblik halt. In het helle licht van een vuurpijl doemt een sinister beeld op : mensen die krioelen tussen opengereten lijken, macabere overblijfsels van mensen, schrikwekkende restanten. Ontzetting, afkeer en walg moeten we overwinnen. Het vergt iets bovenmenselijks om badend in angstzweet over de lijken te klauteren. En intussen fluiten aanhoudend kogels boven onze hoofden, suizen er obussen en verlichten lichtkogels dit schouwspel. (…)

We botsen weer op een reeks lijken, nog meer in ontbinding dan de vorige, waar we over moeten. Ons gelaat op het hunne, onze knieën over hun benen, en onze buik over hun lichaam slepend. En uit die opeenhoping stijgt een walgelijke, vieze geur op. Een hels tafereel.

We stoten alweer op menselijke lichamen. Dit keer leven ze. We hebben eindelijk onze post bereikt. Wat een opluchting. De aflossing zit erop. Niemand is gewond. De opdracht klinkt eenvoudig : loeren en zich in geval van een aanval verdedigen.

bron :  Siegfried Debaeke, Het drama van de Dodengang, uitgeverij de Klaproos

 

Britse piloot Warneford komt om

ReginaldWarnefordReginald Warneford komt op 17 juni 1915 om het leven, slechts 10 dagen nadat hij boven Gent een zeppelin neerschoot (lees mees daarover op deze pagina) . In de korte tijdsspanne tussen zijn huzarenstuk in Gent en zijn dood mag hij twee hoogegewaardeerde eretekens ophalen. Op 11 juni 1915 krijgt hij het Victoria Cross uit handen van de Engelse koning George V en op 17 juni 1915 eert de Franse legeraanvoerder Joseph Joffre hem met het Légion d’Honneur.

Na de ontvangst van zijn eretekens en de bijbehorende lunches vliegt Warneford naar Veurne, waar hij een korte testvlucht maakt met een Farman HF 27. Daarna gaat hij de lucht in met aan boord de Amerikaanse journalist Henry Beach Newman. Tijdens het optrekken breekt een vleugel van het toestel en wordt Warneford net als zijn passagier uit het vliegtuig geslingerd. De journalist overlijdt ter plekke, de befaamde piloot onderweg naar het ziekenhuis.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
Op het forum eerste wereldoorlog voeg Ivan Adriaenssens nog een opmerking toe :”Hij is natuurlijk niet in Veurne neergestort, maar in Buc, nabij Parijs. Kort na het opstijgen.”.
Volgens https://nl.wikipedia.org/wiki/Reginald_Warneford was het de bedoeling dat Warneford vanuit Buc naar Veurne zou vliegen maar daar is hij dus nooit toegekomen.

Duitse doorbraak bij de San

Florence Farmborough is een Britse vrouw die als verpleegster dienst heeft genomen in het Russische leger. Op 11 juni 1915 is ze voor de derde week gelegerd in Molodycz. Inmiddels is die eerste, paniekerige terugtocht na de doorbraak bij Gorlice vergeten, bijna in elk geval. Sinds die dagen, in het begin van mei, heeft het derde leger het ongelooflijke getal van 200.000 man verloren, van wie er 140.000 als gevangenen zijn verdwenen, maar nu heeft het een nieuwe en naar het lijkt sterke positie ingenomen langs de brede rivier de San (in het huidige Polen, toenmalig Oostenrijks-Hongaars gebied). Er zijn ten slotte versterkingen gearriveerd. En ze hebben order gekregen van hogerhand : hier, precier hier, moeten de Duitsers en de Oostenrijkers uiteindelijk worden tegengehouden : geen terugtochten meer ! Langs de rivier hebben gevechten gewoed, en beide zijden hebben kleinere aanvallen uitgevoerd. ’s Avonds laat heeft Florence voor het eerst grote aantallen grijs geklede Duitse krijgsgevangenen gezien : ze kwamen in de maneschijn over een weg gelopen, met hun typische punthelmen op, bewaakt door Kozakken te paard. Het gerucht gaat dat de vijand grote verliezen geleden heeft. Er is weer hoop.

Waar Florence zich bevindt, wordt nagenoeg niet gevochten, wat het gevoel dat de crisis voorbij is, natuurlijk versterkt. Ze heeft volop de tijd gehad voor andere dingen, zoals de was doen bij de rivier en de Italiaanse toetreding tot de oorlog vieren en haar eigen naamdag.

Het is nu drie uur ’s middags. Florence Farmborough zit voor haar tent te rusten na de werkdag. Alles is zoals gewoonlijk rustig. Ze ziet vier brancardiers die een paar doden wegdragen om hen te begraven op de geïmproviseerde begraafplaats op het veld naast het hospitaal. Een man van de vliegende brigade komt naar haar toe en geeft haar een brief voor hun arts. Ze vraagt in het voorbijgaan hoe het in hun eenheid is. De man vertelt met ingehouden opwinding dat er vanmorgen kogels van granaatkartetsen vlak bij hen zijn neergekomen en dat ze zich opmaken voor vertrek. De Duitsers zijn doorgebroken bij de San !

Ze schrikt van het nieuws maar ze is er niet van overtuigd dat het echt waar is. IN de verte is weliswaar het geluid van zwaar artillerievuur te horen, maar als ze rond etenstijd vol ongeloof bij de anderen informeert, weten ze net zo weinig als zij. Na het eten loopt ze terug naar haar tent, waar ze Anna treft, een andere verpleegster. Anna bevestigt het, moe. De geruchten over een doorbraak bij de San kloppen.

Dan komt de uiteindelijke bevestiging in de vorm van een order zich gereed te maken voor vertrek. Ze beginnen te pakken en breken de tenten in allerijl af.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Jaroslaw1915

Intocht Oostenrijks-Hongaarse soldaten in Jaroslau (Jaroslaw) gelegen aan de San

luitenant-kolonel uit Maaseik sneuvelt in Diksmuide

kolonelRademakers1915

Het 3e regiment Jagers te voet krijgt in mei 1915 de opdracht om de Ijzer over te steken en op de oostelijke oever een bruggenhoofd te veroveren en behouden. Daar slaagt dit regiment in tijdens de nacht van 9 op 10 mei 1915. De Duitsers lanceren vanaf dan geregeld tegenaanvallen en beschietingen op deze voorpost.

Het is in deze voorpost in een loopgraaf aan de Ijzer in Diksmuide dat op 12 juni 1915 een kogel luitenant-kolonel Maximilien Rademakers in het hoofd treft. Een drietal manschappen snelt hem nog te hulp, maar ook zij laten het leven. Eerst wordt hij begraven op de Belgische militaire begraafplaats in Adinkerke, maar later verhuizen zijn stoffelijke resten naar Sint-Kruis Brugge.
Luitenant-kolonel Rademakers, geboren in 1864 in Maaseik, had er reeds een behoorlijke militaire carrière op zitten toen de wereldoorlog begon. Hij raakte gewond tijdens de slag bij Halen (12 augustus 1914) en nogmaals in Hofstade (27 september 1914). Vanaf april 1915 was hij actief in Diksmuide.

Toeristische tip : Aan het huis Beerstblotestraat 8, vlak bij de Dodengang in Diksmuide, hangt een gedenkplaat ter nagedachtenis van luitenant-kolonel Rademakers. De plaat hangt precies op de plek waar hij sneuvelde.

bronnen

oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/woi/relict/313