slachtpartij in Siirt

Rafael de Nogales is een Zuid-Amerikaans avonturier die zich heeft aangemeld bij het Ottomaans leger. Op 18 juni 1915 in de ochtend hebben een paar Turkse officieren in zijn gezelschap verteld dat de voorbereidingen in Bitlis nu klaar waren en dat ze nog alleen wachtten op een order van hogerhand, dat het doden in Siirt daarna op elk moment kon beginnen. Als de Nogales in Siirt toekomt, ziet hij een heuvel vlak bij de hoofdweg. Hij noteert het volgende in zijn dagboek.

De heuvel was gekroond met duizenden halfnaakte en nog bloedende lichamen, die op stapels lagen, in elkaar vervlochten in een laatste omarming in de dood. Vaders, broers, zonen en kleinzonen lagen zoals ze gevallen waren door de kogels of jatagans van de moordenaars. Uit meer dan één opengesneden keel liep het leven weg in hartslagen van warm bloed. Zwermen gieren zaten op de hopen, pikten de ogen van doden en stervenden uit, wier verstijfde blikken nog angst en onuitsprekelijke pijn leken te weerspiegelen, alles terwijl de aasetende honden hun scherpe tanden zetten in ingewanden die nog pulseerden van het leven.

Het veld van lichamen strekt zich uit tot op de straat, en om zich een weg te banen moeten ze hun paarden ten slotte ove de ‘bergen kadavers’ laten springen. Gechoqueerd en verdoofd rijdt de Nogales Siirt binnen. Daar zijn de politie en het islamitische deel van de stadsbevolking druk bezig om samen de christelijke huizen te plunderen. Hij ontmoet enkele overheidspersonen van de streek, onder meer het hoofd van de gendarmes van de stad, die de massamoord persoonlijk heeft geleid. Opnieuw krijgt de Nogales bevestigd dat het vermoorden van alle christelijke mannen van boven de twaalf niet zoals eerder een tamelijk spontaan opvlammende pogrom is geweest, maar een goed geplande, centraal gestuurde operatie.

Hij krijgt een nachtkwartier toegewezen in een van de geplunderde gebouwen. De Nogales begrijpt nu dat de aanvallen niet alleen meerd e Armeniërs betreffen, maar ook andere christelijke groeperingen. Het huis is namelijk van een Syrische familie geweest. Het is volkomen leeggeplunderd, op enkele kapotgeslagen stoelen na. Van de vorige eigenaars is geen spoor te bekennen, behalve een Engels woordenboekje en een heel klein beeldje van de Maagd Maria, verborgen in een hoekje. Op de vloeren en muren zitten bloedspatten.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

armenian-genocide01

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.