Barthas ontsnapt aan de dood

Louis Barthas voelde de adem van de dood…

Op 17 mei 1916 ontketenden de moffen van twaalf tot vier uur ’s middags het meest verschrikkelijke bombardement op heuvel 304 dat ik tijdens deze oorlog ooit heb gezien of gehoord. De ontploffende granaten lieten dichte rook en stof achter, met daarboven zwarte flarden; een loodgroene lucht verduisterde het licht van de zon. (…)

Ik zat in mijn eentje aan het uiteinde van onze gang, weggedoken in een klein gat, toen plotseling een grote granaat op drie of vier meter afstand van mij insloeg. Door de kracht van de luchtdruk werd het tentzeil weggerukt waarmee ik mij tegen de zon en de vliegen beschermde.  Zelf had ik het gevoel dat ik onder iets verpletterd was. Ik bleef een paar seconden liggen omdat ik geen lucht meer kreeg. Het was de adem van de dood die ik gevoeld had. Ze zeggen dat die ijskoud is, ik vond hem eerder schroeiend heet. (…) Ik was weer een keer aan de dood ontsnapt; ik haastte me uit het boven mij ingestorte gat en liep naar de schuilplaats van onze goede afdelingscommandant, onderluitenant Lorius, twintig meter verderop.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen.

tranchee

Duitse luchtmacht boven Mort-Homme

Louis Barthas stelt vast dat de Duitse luchtmacht ongehinderd verkenningsvluchten kan doen boven de frontlinies in Verdun.

We zouden de hele duur van onze aflossing tot onze nek in het water hebben gestaan als niet op 16 mei 1916 ’s morgens een frisse bries de wolken verdreef en de zon weer scheen. Verschillende vijandelijke vliegtuigen lieten onmiddellijk hun onrustbarende geronk horen en cirkelden de hele dag over de heuvels 304 en Mort-Homme als onheilspellende vogels die de voorbode vormen van storm. Naïef dachten we dat onze moedige vliegers onmiddellijk de indiscrete verkenners zouden verjagen. Maar dat gebeurde niet. Die dag en ook de volgende dagen bleven ze ongestraft op lage hoogte zweven om onze stellingen te verkennen.

Kolonel Douce zei hierover :’Toen we in Artois waren, zeiden ze dat in Verdun elke dag vliegtuigen van de moffen werden neergehaald. Nu we hier zijn verklaren de communiqués dat hetzelfde gebeurt in Artois.’.

bronnen
Louis Barthas, oorlogsdagboeken, vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen
tekening komt uit Yann & Hugault, Edelweiss

Edelweiss01_04.jpg

 

Duitsers heroveren heuvelrug van Vimy

Tijdens de 2e week van april 1916 veroveren Canadese troepen gedeelten van de strategisch belangrijke heuvelrug van Vimy. Deze succesvolle aanval was een voorbereidend onderdeel van een latere grote geallieerde aanval, die de geschiedenis zal ingaan als de slag bij Arras.

Natuurlijk onderkent de Duitse legerleiding evenzeer het strategische belang van de heuvelrug van Vimy en zij lanceren op 21 mei 1916 een tegenaanval. Eerst is er een geweldig Duits bombardement (70.000 granaten in vier uur tijd) dat reikt over een relatief smalle strook tot voorbij de eerste twee geallieerde linies en de verbindingsloopgraven. Tijdens de daaropvolgende grondaanval nemen de Duitsers niet alleen talrijke gevangenen, ze komen ook in het bezit van de bovengrondse toegang tot Britse mijntunnels.

De geallieerden doen nog wel enkele tegenaanvallen, maar de Duitsers behouden het heroverde terrein.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

DuitseAanval.jpg

Barthas op patrouille op de côte 304

Louis Barthas is in de meidagen van 1916 in Verdun, meer bepaald op heuvel 304 (côte 304) tegenover de al even beruchte heuvel van de Mort-Homme. Door de hevige gevechten waarbij loopgraven al eens van bezetter wisselen, is het niet altijd zeker wie je tegenover je hebt.

De eerste linie had tussenruimtes van zo’n 400 meter tussen afdelingen en compagnieën. We waren er daardoor niet zeker van of recht voor ons Fransen of Duitsers lagen. De tussenruimtes werden zwaar gebombardeerd en waren absoluut onverdedigbaar. Die nacht kreeg sergeant Fontès van onderluitenant Lorius de opdracht een ‘moedige’ man te vinden. Hij moest mee op erkenning om te ontdekken of zich vóór ons soldaten van de Kaiser of van Poincaré (Franse president) bevonden. In onze afdeling vond sergeant Fontès geen enkele vrijwilliger die de benaming ‘moedig’ wilde krijgen. Iedereen had wel een voorwendsel te weigeren : de een had blaren aan zijn voeten, of reuma, de ander kon bewijzen dat hij aan de laatste patrouille had meegedaan. Jonge soldaten maakten gebruik van hun kwetsbaarheid en de ouderen van hun uitputting.

Ten slotte richtte sergeant Fontès zich aarzelend tot mij : ik, een korporaal die om zijn vooruitstrevende socialistische ideeën en zijn pacifisme bijna kapot was gemaakt. Het is waar dat hij zich niet als meerdere maar als kameraad of zelfs als vriend tot mij richtte. Ik aanvaardde de opdracht maar wel onder voorwaarde dat ik drie nachten vrijgesteld zou worden van wachtdienst, patrouille en corvee.

Zonder uitrusting, alleen met een geweer bajonet en twee dozen patronen vertrokken we. De maan gaf een beetje licht en het terrein waarover we liepen was doorzeefd en omgeploegd, net alsof er een aardbeving was geweest. Hier was geen leven meer in de natuur. Na enkele honderden meters in die chaos leken de grenzen van de horizon oneindig nietig : we voelden ons verloren in het midden van een uitgestrekte woestijn.

Plotseling hoorden we een verward geluid van stemmen. Angstig spitsten we onze oren : was het een Duitse patrouille of Fransen op corvee ? Maar al gauw hoorden we een paar luide vloeken die deden vermoeden dat hier mensen uit het zuiden van Frankrijk in de buurt waren. Het was een ploeg foerageurs uit mijn vroegere 21e compagnie onder commando van kapitein Hudelle, die ons als door de Voorzienigheid geroepen passeerde.

bron : Louis Barthas, Oorlogsdagboeken, vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen.

broquet_fusee.jpg

Broquet – patrouille suprise par une fusée

 

Strafexpedition

Oostenrijk-Hongarije heeft nog een rekening te vereffenen met Italië. Oorspronkelijk was Italië een bondgenoot, maar het verklaarde zich neutraal toen de oorlog uitbrak in 1914 en koos daarna de zijde van de geallieerden in 1915.In eerste instantie beperkt Oostenrijk-Hongarije zich tot defensieve acties. Maar op 15 mei 1916 lanceert het Königliche und Kaiserliche Armee (K.u.K.) voor het eerst een offensief aan het Italiaanse front, meer bepaald in de Trentinostreek. De Italianen worden verrast. De langgeplande aanval wordt geopend over een 32 kilometer lang front. Ondanks het bergachtige terrein boekt het Oostenrijks-Hongaarse leger vooruitgang, vooral dankzij hun gespecialiseerde bergtrorpen. Het Oostenrijks-Hongaarse 11e en 3e leger, onder aartshertog Eugène, doorbreken in de volgende dagen de linies van generaal Roberto Brusati’s leger. Op 20 mei 1916 beveelt de Italiaanse opperbevelhebber, generaal Luigi Cadorna, zijn mannen van het 1e leger te vechten tot de dood.

Dit offensief staat ook bekend als de Strafexpedition of als de slag bij Assiago.

bronnen
Ian Westwell, 1914-1918, de eerste wereldoorlog dag na dag, Deltas
https://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_bij_Asiago

LudwigKoch_Vergeltung

 

Duitse furie in Diksmuide

Op dinsdag 2 mei 1916, om 4 uur ’s morgens, schiet de streek aan het Ijzerfront wakker van het kanongebulder. De Belgische frontlinie tussen Diksmuide en de Dodengang ligt zwaar onder vuur. In de kantonnementen van Eggewaartskapelle, Kruis-Abeele en Steenkerke wordt alarm geblazen. De drie bataljons van het 2e linieregiment op rust moeten meteen optrekken naar de Ruiterstelling en de Dodengang. Daar vallen die dag liefst 600 obussen. Gelukkig kan het 2e linieregiment die dag een Duitse inval verijdelen. Verliezen : 6 doden en 16 gewonden. Aan de overkant van de Ijzer vallen wel drie Belgische voorposten in Duitse handen. Maar het 8e linieregiment zet alles op alles en kan ze nog dezelfde dag heroveren. De kost aan mensenlevens in het 8e linie is hoog : 30 doden en circa 120 gewonden.

Drie weken houdt de furie van de Duitse kanonnen ten noorden van Diksmuide aan. Op 9 mei 1916, wanneer hij aan de telefoon zit in één van de huisjes De Burg, bevindt René Deckers zich onverwachts te midden van een zondvloed van obussen. De ene na de andere telefoonverbinding wordt verbroken. Vijf, zes obussen van 105 mm ontploffen dicht in de buurt. Het huisje davert. Met de enkele telefoonlijnen die resten kan René Deckers de commandant van het 2e linieregiment (Sint-Jansmolen) en het hoofdkwartier van de 1e legerdivisie alarmeren. Wanneer ook die hun geschut in werking stellen, is het geweld voor de soldaten in eerste linies oorverdovend.

Het 2e bataljon heeft 2 Duitse aanvallen op de dodengang kunnen afslaan, zo luidt het op 12 mei 1916 in het dagboek van René Deckers.

De vijand toonde zich bijzonder stoutmoedig. Eén na één kropen de mannen over de strook van 17 meter die beide loopgraven van elkaar scheidt. De Duitser die de rij aanvoerde, poogde een mitrailleur aan het einde van de Dodengang te plaatsen. Maar zijn hoofd werd door een granaat afgerukt.

De Ruiterstelling bewijst in die periode zijn defensieve kracht. Diverse keren slagen de Duitsers erin om binnen te dringen in de Dodengang, terwijl hun artillerie de Ruiterstelling onder vuur neemt. Maar de aanvallers zijn niet opgewassen tegen het afweervuur van de hoger gelegen mitrailleursposten. Met blank wapen en handgranaten slagen manschappen van het 2e linieregiment er telkens in de Dodengang te heroveren.

bronnen 
Siegfried Debaeke, het drama van de Dodengang, de Klaproos
foto komt uit Daniël Vanacker, België in de grote oorlog, Roularta

Diksmuide_191605.jpg

 

 

De Eiffeltoren bekeken vanuit Duitse linies

Herbert Sulzbach heeft de paasdagen van 1916 in Frankfurt-am-Main kunnen doorbrengen. Hij bezoekt familie en gaat met vrienden op café om de oorlog te vergeten. Maar ook thuis is de oorlog erg aanwezig : hij verneemt er dat de bediende Berthold die voor zijn familie jarenlang heeft gewerkt, in Verdun is omgekomen. Uit zijn laatste brief bleek al dat Berthold ervan uitging dat hij niet levend van het front zou terugkeren.

Eenmaal terug in de linies begeeft Sulzbach zich naar Noyon, meer bepaald de Mont Saint-Siméon. Daar heeft hij begin mei 1916 een heel bijzonder zicht op Parijs.

Tegen de avond gingen we terug via de Mont Saint-Siméon : een observatiepost daar heeft je een heel mooi zicht tot ver in het vijandelijke hinterland. Onze sector nabij Noyon en de sector in Piémont zijn de meest vooruitgeschoven posities die het Duitse leger in handen heeft. En dus liggen ze ook het dichtste bij Parijs. Als ik nu zeg dat ik door de telescoop keek en de Eiffeltoren zag, dan begrijpen de lezers misschien – of misschien ook niet – hoe ik me voelde als ik dit beeld zag : Parijs in zicht ! En toch nog te ver om ernaar te reiken, ook al waren onze legers binnen de laatste tien kilometers van Parijs aan het begin van september 1914.

Guillaume_Apollinaire_Calligramme

 

Louis Barthas op de côte 304

Het bataljon van Louis Barthas krijgt op 11 mei 1916 het bevel naar de frontlinies van Verdun te gaan. De Franse soldaten vertrekken om acht uur ’s avonds. Om elf uur diezelfde avond komen ze aan in de loopgraaf. De helen nacht slepen de soldaten met plaatijzer, planken en takken om de loopgraaf af te dekken en te camoufleren voor vliegtuigen. Over de dag erna (12 mei 1916) , noteert Louis Barthas het volgende in zijn dagboek.

Toen het dag werd, bekeek ik deze beroemde heuvel aan de voet waarvan onze loopgraaf zich bevond. Maandenlang was hierom gevochten alsof er een diamantmijn in haar flanken verborgen lag. Helaas, de heuvel bevatte alleen maar duizenden lijken. Het was een hoogte die zich in niets onderscheidde van de naburige heuvels. Het schijnt dat hij ooi voor een deel bebost was. Maar nu was er geen spoor van begroeiing meer te zien. De aarde was omgewoeld en verwoest en bood alleen nog maar een desolate aanblik.

En dan moeten Louis Barthas en zijn kameraden iets verderop de helling stellingen opnieuw inrichten. Die stellingen liggen bijna midden op de helling. Bij de ingang van de loopgraven leest Barthas de naam :”Tranchée Rascas“.

Die plek was één grote berg van uit elkaar gereten mensenvlees. Op de plaatsen waar de aarde bloed had gedronken, krioelde het van de vliegen. Je zag geen lijken maar waarschijnlijk lagen ze onder een klein laagje aarde in de vlakbij gelegen granaattrechters. Hun aanwezigheid bleek uit de stank van rottend vlees. Overal lagen brokstukken, verbrijzelde geweren, gescheurde ransels, waaruit tedere brieven en angstvallig bewaarde dierbare herinneringen dwarrelden en door de wind werden verspreid.

De helen nacht moesten we de verbindingsgang begaanbaar en bewoonbaar maken. Toen het licht werd, was de hemel tot onze grote vreugde bewolkt. Laaghangende wolken bedekten heuvel 304 en we bleven de hele dag buiten het zicht van de vijand.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen

Verdun_Cote304.jpg

Achtung ! Lebensgefahr !

Den draad, de elektrische afscheiding op de grens tussen België en Nederland, is bedoeld om de doorgang van mensen en goederen in beide richtingen onmogelijk te maken : Belgische vluchtelingen of smokkelaars, Duitse deserteurs, spionnen die uit Groot-Brittannië kwamen en via Nederland naar het oorlogsgebied willen.

Soms is er ook een echte ongeluksvogel bij de slachtoffers van deze hoogspanningsdraad : neem nu reservist Heinrich Metser, uit het infanteriebataljon Neuss. In de buurt van Castelré (niet ver van Baarle-Hertog) wil hij gewoon een konijntje (eveneens een slachtoffer) van tussen de draad halen. Het wordt niet eens zijn galgenmaal maar zijn onmiddellijke dood.

dodendraad03

Sykes en Picot verdelen Midden-Oosten

In het geheime Sykes-Picotverdrag afgesloten op 9 mei 1916 spreken Britten en Fransen af hoe ze het naoorlogse Midden-Oosten onder elkaar zullen verdelen. Het Ottomaanse rijk zou daarvan het grootste slachtoffer moeten worden. Twee andere grote mogendheden, Rusland en Italië, gaan akkoord met het verdrag, dat genoemd is naar de twee voornaamste onderhandelaars : Mark Sykes en Georges Picot.

De Britten zouden het gebied aan het noorden van de Perzische Golf krijgen, de wijde regio om Basra. Voor de Fransen was er het kustgebied van Noord-Syrië en Libanon, met onder meer de steden Beiroet en Damascus. Het tussenliggende binnenland wordt verdeeld in invloedssferen : de Bijbelse regio zou onder internationaal bestuur komen. Voor een derde grote partij is er geen plaats, dus ook niet voor de Ottomanen.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

A-Line-in-the-Sand-01