Herbert Sulzbach gaat terug naar het front

In het vorige bericht (lees hier) was Herbert Sulzbach uit het hospitaal ontslagen en had hij een aantal dagen verlof gehad in Frankfurt. Maar begin augustus 1915 gaat hij terug naar het front. In zijn dagboek lezen we het volgende.

30 juli 1915 : Op de trein naar het westelijk front. De commandant van onze artilleriebatterij is luitenant Reinhardt, geassisteerd door de luitenanten Becker en Bremshey. Onze kanonnen zijn getooid met de Duitse, Oostenrijkse en Turkse vlaggen. We reizen terug langs dezelfde weg die we op 2 september 1914 langs de Rijn hebben gevolgd en de “Rijnmeisjes” brengen ons eten aan de stopplaatsen.

31 juli 1915 : Luik, en daarna gaan we langs mijn dierbaar oude Namen en ook Maubeuge, waar ik de eerste zeppelinhangar zie in vijandelijk gebied. We verlaten de trein in Baboeuf.

1 augustus 1915 : Een gans jaar oorlog ! Wie zou dat gedacht hebben, een jaar geleden ? We brengen de dag door in onze kwartieren, die me doen terugdenken aan Les Petites Armoises. ’s Avonds rijden luitenant Reinhardt,  2 onderofficieren en ikzelf voorbij Noyon naar onze nieuwe posities nabij Evricourt. Ik heb nooit zo’n rustige artilleriepositie gezien. Daarna rijden we terug naar onze kwartieren.

2 augustus 1915 : We rijden terug naar Evricourt, door een idyllisch landschap, heuvels en valleien, kleine bossen en weiden – dit is Picardië. We rijden verder dan gisteren, laten de paarden achter en wandelen verder om onze nieuwe observatiepost in de infanterielinies te inspecteren. Het is wonderlijk om te zien dat in deze gevechtszone de mooie, kleine dorpen, die slechts deels zijn beschadigd, toch nog door de burgers bewoond worden.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword military.

Herbert Sulzbach in Picardië, zomer van 1915

Herbert Sulzbach in Picardië, zomer van 1915

Dudzelenaar sterft in Cannes

Louis Timmerman

Louis Timmerman

Louis Timmerman uit Dudzele overlijdt op 13 juli 1915 in Cannes, ver van huis, op 24-jarige leeftijd.

Op 20 mei 1914, kort voor het uitbreken van de oorlog, huwde Louis Timmerman, stoker op de stoomtram, met Paulina Dusoir,een kindermeisje. Lang duurt hun huwelijksgeluk niet : in de namiddag van 29 juli krijgt Louis zijn oproepingsbevel voor het leger, meer bepaald het 4e linieregiment. In Tienen lijdt Louis honger, in Hakendover ziet hij duizenden vluchtelingen en in Grimde bewaakt hij het station. Hij trekt voorbij Kumtich en Boortmeerbeek, hij vervoegt zijn regiment in Walem, vandaar trekt hij naar Wilrijk en Mortsel. Tussendoor moet hij ook nog defileren voor de koning, in Hofstade liggen de lijken op de velden… De eerste oorlogsmaand is een nachtmerrie voor Louis en zijn medesoldaten.

Meer ellende volgt in 1915 : Louis wordt ziek aan het front in Ramskapelle, waarna hij naar een hospitaal in Calais verhuisd. Via via belandt hij uiteindelijk in Cannes, in het hôpital militaire belge de Cannes. Dit hospitaal bestaat in feite uit 3 villa’s, met name Saint-Jean, Saint-Charles en Anastasie. Het is niet geweten in welke van deze 3 villa’s Louis Timmerman zijn laatste adem heeft uitgeblazen.

bronnen

oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

http://wo1dudzele.brugseverenigingen.be/JUWEELTJES/LOUISTIMMERMAN

http://www.1914-1918.be/hopitaux_belges_france_2.php

Arras verliest haar kathedraal

Arras is net zoals Ieper een frontstad en lijdt enorm onder de voortdurende bombardementen van de Duitsers. Sinds 6 oktober 1914 is er al iedere dag minstens een Duitse granaat op e stad terechtgekomen. In mei 1915 heeft een aanzienlijk deel van de bevolking van Arras hun thuisstad verlaten op zoek naar veiliger oorden nadat hun huizen vernield zijn.

Einde juni 1915 ligt Arras constant onder Duits artillerievuur. De Fransen schatten dat er op 25 juni 1915 zo’n 15.000 Duitse obussen op Arras zijn terecht gekomen. Op 5 en 6 juli kent deze stad een triest hoogtepunt en lijkt het of de Duitsers deze stad met de grond willen gelijk maken. De typische symbolen van een stad worden aangepakt. Op 6 juli 1915 zijn de kathedraal en het paleis Saint-Vaast ruïnes geworden. Nog meer inwoners van Arras zullen hun valiezen pakken en de stad verlaten.

Arras 1915 - stadhuis en belfort

Arras 1915

bron : http://www.archivespasdecalais.fr/Activites-culturelles/Chroniques-de-la-Grande-Guerre/Les-Arrageois-sous-les-obus-en-juin-et-juillet-1915

Louis Barthas verdwaalt in de voorste linie

Eind juni 1915 is Louis Barthas gelegerd nabij Sains-en-Gohelle, een gemeente in de Pas-de-Calais op zo’n 15 kilometer van Lens en 40 kilometer ten zuidwesten van Rijsel (Lille). Hij krijgt samen met zijn frontmakkers de opdracht een nieuwe loopgraaf aan te leggen op een plek waar de voorste linie niet meer bestaat door de aanhoudende artilleriebombardementen. In zijn dagboek noteert Barthas het volgende.

Om negen uur ’s avonds volgden we met circa veertig soldaten onderluitenant Malvesy die ons in groepjes verspreid opstelde. Het was een donkere nacht, landkaarten en kompas hadden geen enkel nut. We moesten ons door ons gevoel laten leiden. Maar deze keer kwamen we bedrogen uit want degenen die met de onderluitenant voorop liepen, kwamen in een Duitse loopgraaf terecht. We merkten het pas toen de vijandelijke wachtposten, misschien nog banger dan wij, met een keelstem riepen :”Halt, wer da ! Halt, wer da !”. We raakten in totale paniek. Het was redden wie zich redden kan, we wisten zelfs niet meer waar de Franse loopgraven waren. Er werd geschoten en met handgranaten gegooid. We verstopten ons in granaattrechters. (…)
Dit alarm zou wel eens aan aanleiding kunnen zijn tot een hele nacht ononderbroken vuurgevecht. Gelukkig gebeurde er niets. Het werd weer rustig en we konden verder werken.

bron : Louis Barthas , vertaald door Dirk Lambrecht, oorlogsdagboeken, uitgeverij Lubberhuizen

schilderij van Géo Michel - fusée éclairante

schilderij van Géo Michel – fusée éclairante

Louis Barthas ontsnapt aan de vuurdood

Op 10 juni 1915 heroveren de Fransen Neuville-Saint-Vaast. De 2e slag om Artois woedt dan nog in alle hevigheid en zal nog enkele weken duren. Louis Barthas neemt deel aan de gevechten in Artois en zit op zo’n 20 kilometer vandaar, ergens tussen Lorette en Saings-en-Gohelle. In zijn dagboek lezen we hoe gruwelijk en ongenadig de gevechten waren.

Op een kruispunt in de verbindingsgangen lag een ongelukkige soldaat op de grond die door een granaat onthoofd was, als door de guillotine. Naast hem lag iemand die vreselijk verminkt was. Ik deed een paar passen naar rechts en zag tot mijn verbijstering een stapel lijken, bijna allemaal Duitsers, die in de op deze plaats zeer brede loopgraaf zelf waren begraven. Bij de ingang van de loopgraaf lag leunend op de borstwering een jonge Duitser die leek te slapen. Geen spoor van verwondingen, maar de dood had hem met zijn vleugels beroerd.  Hij had hem een glimlach gelaten die nu nog op zijn jeugdige gezicht te lezen stond.

“Hier zijn alleen maar doden!”, riep ik. Toen ik terugliep, sloeg ik rechtsaf en vond eindelijk nog levenden die doodsbleek met grote ogen van schrik in groepjes van drie of vier op hun hurken zaten. Het waren net schichtige dieren. Ze zwegen en staarden in het niets. De aanhoudende artilleriebeschietingen lieten hen totaal onverschillig.

Maar wat gebeurde er ? Opende de hel zich onder onze voeten ? Stonden we op de rand van een uitbarstende vulkaan ? De loopgraaf stond in lichterlaaie en vulde zich met een bijtende rook. Er hing een verstikkende lucht. Ik hoorde gefluit en gekraak, maar ook een verschrikkelijke gehuil van pijn. De ogen van sergeant Vergès waren verbrand. Aan mijn voeten rolden twee ongelukkigen over de grond van ellende. Hun kleren en handen, hun hele lichaam stond in brand. Het waren levende toortsen. In de loopgraaf vatte alle vlam : dekens, tentzeilen en zakken. De Duitsers hadden een ontvlambare vloeistof op ons afgevuurd. Tot overmaat van ramp sloeg de brand over naar een kist lichtkogels die omviel. Dat veroorzaakte het meeste lawaai, vonken en rook.

Ik bedekte mijn gezicht met mijn handen en vluchtte weg uit deze hel. Ik verloor alle besef. Zo kwam ik terug bij mijn manschappen. Ze zeggen dat ik wezenloos uit mijn ogen keek en wartaal uitsloeg, maar deze toestand duurde niet lang en al vlug vond ik mijn zelfbeheersing terug.

bronnen

https://makersley.com/neuville-10-jun-1915/

Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uitgeverij Bas Lubberhuizen

flammenwerfer

Louis Barthas krijgt een andere frontsector en een nieuw uniform

In zijn dagboek noteert de Franse soldaat Louis Barthas het volgende :

In de nacht van 15 op 16 mei (1915) vond in de stromende regen de aflossing plaats. In Vermelles zaten we nog wat koffie en bouillon te drinken toen het plotseling om ons heen granaten regende. Het was alsof de Duitsers onze aanwezigheid geroken hadden. In onze compagnie viel maar één gewonde want iedereen was bij de eerste fluitende geluiden tegen een muur of in de modder gaan liggen. (…)

Bij dageraad kwamen we in Noeux-les-Mines aan, een belangrijk mijndorp waar niemand de moeite nam ons te verwelkomen hoewel het 280e regiment zes maanden lang voor het dorp als menselijk schild had gediend. Onze compagnie had als onderkomen de piepkleine stal van een oude boerderij. Nog geen kwart van onze manschappen kon erin; ransels en andere spullen moesten buiten blijven staan. We waren nog beter af in de loopgraven. (…)

Toen ik terugkwam in mijn kwartier zag ik tot mijn verbazing dat iedereen zich klaarmaakte voor vertrek. Ik dacht al dat ze eindelijk een beter onderdak hadden gevonden maar tot mijn ontgoocheling hoorde ik dat we binnen een uur Noeux-les-Mines moesten verlaten.
Na zeven maanden onafgebroken in de loopgraven, na een pijnlijke winter dachten we dat we wel een maand rust hadden verdiend. Maar zo dachten onze meerderen er niet over. Want nog dezelfde dag dat we rust zouden krijgen, moesten we terug naar het front. Na een uur marcheren kwamen we in Mazingarbe-les-Brebis aan. (…)
In Mazingarbe werden onze rode broeken en onze blauwe kapotjassen vervangen door hemelsblauwe. Tot wel vijf keer was er inspectie om te kijken hoe we het embleem moesten aanbrengen. Het werd zo vaak opgenaaiud en weer losgetornd dat uiteindelijk de kolonel zelf kwam en de knoop doorhakte in deze belangrijke aangelegenheid.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uitgeverij Bas Lubberhuizen

Om een idee te geven van het verschil van de oude en nieuwe uniformen geven we hieronder twee foto’s weer ter vergelijking.

poilus1914B

poilus1915

de eerste observatieboom aan het front

arbre-blindeIn Lihons (departement Somme) zetten de Franse troepen op 16 mei 1915 voor het eerst een observatieboom in. Dit handgemaakte en beschilderde metalen kader, dat er op een asftand uitziet als een echte boom, moet de militairen toelaten om vanaf een zekere hoogte de vijandelijke activiteiten waar te nemen.

De observatieboom was een nieuwe stap in het aanwenden van camouflagetechnieken tijdens de oorlog. Drie maanden geleden kreeg een ploeg onder leiding van Lucien Guirand de Scevola, schilder van beroep, de opdracht om zijn ideeën rond camouflage uit te werken. De camouflageactiviteiten vielen zo in de smaak dat er op het einde van de oorlog bij het Franse leger duizend ontwerpers en achtduizend makers van camouflage aan de slag waren.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

het Artois-offensief

Als onderdeel van het Artois-offensief van de Franse opperbevelhebber generaal Joseph Joffre – zijn 2e grote aanval na het Champagne-offensief – bestormen de Britten samen met Canadezen en Indiërs op 9 mei 1915 het dorpje Neuve-Chapelle en zes dagen later, op 15 mei 1915 Festubert, beiden in de buurt van Ieper. Na een bombardement van vier dagen, waarbij 100.000 granaten worden afgevuurd, maken de vooral Indische troepen in eerste instantie snelle progressie. De Duitsers trekken zich terug naar een linie vlak voor het dorp.

Sikhs_Festubert1915

Een tweede Canadese aanval op 18 mei 1915 tijdens hevige regenval levert geen terreinwinst op; de Duitsers versterken hun posities met extra reservetroepen. Festubertkaart1915Een hernieuwde poging op 20 mei 1915, die zeven dagen zal duren, resulteert uiteindelijk in de verovering van Festubert. Alles bij elkaar zijn de Britten minder dan een kilometer opgeschoten. De slag kost de geallieerde troepen 16.000 slachtoffers.

Ondertussen proberen de Fransen bij Artois de 60 meter hoge heuvelrug van Vimy te bereiken. Deze plek geeft een prachtig overzicht op de vlakte van Douai. In mei, juni en september 1915 doen de Fransen hardnekkige pogingen om deze heuvels te veroveren. Hoewel de dorpen Carency, Neuville-Saint-Vaast en Souchez wel worden veroverd, wordt de heuvelrug van Vimy niet bereikt, zodat die onder Duitse controle blijft. Alles bij elkaar vergt de aanval 150.000 slachtoffers, zonder dat het hoofddoel ooit serieus bedreigd wordt.

bron : Roel Tanja, een korte geschiedenis van de eerste wereldoorlog, BBNC Uitgevers

wielrenner François Faber sneuvelt

François Faber02Het lot van François Faber, winnaar van de ronde van Frankrijk in 1909, illustreert hoe dicht het opperste geluk en de dood bij elkaar liggen. Terwijl hij zich in de loopgraaf bevindt, krijgt François Faber op 9 mei 1915 een telegram met de boodschap dat zijn echtgenote bevallen is van een dochtertje. Van pure vreugde springt de kersverse vader uit zijn schuilplaats en wordt meteen gedood nabij Mont-Saint-Eloi door een kogel van een Duitse scherpschutter.

Faber werd geboren in Frankrijk, maar neemt later de Luxemburgse nationaliteit aan. In de jaren voor de eerste wereldoorlog was hij een wielrenner van topniveau. Zijn Tourwinst van 1909 was de eerste van een niet-Fransman. In diezelfde Tour won hij vijf ritten na elkaar, een record dat ondertussen nog door niemand verbeterd werd, zelfs niet door de allergrootste.

Gezien de Luxemburgse nationaliteit nam Faber dienst in het Vreemdelingenlegioen. Zijn reden om dienst te nemen heeft hij als volgt verwoord :”La France a fait ma fortune, il est normal que je la défende.”. Hij tekende een contract als oorlogsvrijwilliger voor de duur van de oorlog, maar zal het einde dus niet meemaken.

François Faber01

bronnen

oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

http://fr.wikipedia.org/wiki/François_Faber

http://blog.seniorennet.be/wilfried_1944/archief.php?ID=700851

met zicht op een dode kameraad

Eduard Offenbacher, een van de vele student-vrijwilligers in het Duitse leger, bevindt zich ergens in de heuvels van Notre-Dame-de-Lorette nabij Vimy.  Hij schrijft begin mei 1915 over het harde leven in de loopgraven.

Ik ben hondsmoe. Geen wonder. Twee dagen onafgebroken in een half ingestorte loopgraaf, iedere man in opperste waakzaamheid op zijn post. Dag en nacht, bajonet op het geweer. Daarginds 20 meter bij ons vandaan, loert de vijand. Loopgraven gaan die kant uit, maar ze zijn met barricades versperd. Een berg handgranaten ligt klaar voor een warme ontvangst.

Midden op die barricades, maar voor ons onbereikbaar, ligt een kameraad. Zijn gebroken oog is naar het westen gericht, in de ene hand zijn trouwe geweer, de andere klaar voor de afzet om te springen. Zijn blonde haar is nu donkerrood gekleurd. Zo liggen er tallozen, in de loopgraaf en daarbuiten, vriend en vijand. Niemand begraaft ze, niemand heeft tijd.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

gefallener-deutscher-01