Louis Barthas ziet zijn eerste tank

Louis Barthas zit eind november 1916 ergens aan de frontlinies van de Somme. Daar ziet hij voor de eerste keer een Engelse tank.

Niet ver van de loopgraaf zag ik een tank die midden in een veld was vastgeraakt. Een zware granaat had zonder te ontploffen de tank doorboord. Luitenant Lorius vertelde me dat deze Britse tank had deelgenomen aan de inname van Combles. Zo’n toestel hadden we nog nooit gezien. Het kreeg na dood en verderf bij de moffen te hebben gezaaid op de terugzeg motorpech, midden tussen de vijandelijke linies. Tevergeefs probeerden de Britten hun kameraden die opgesloten waren in de tank te bevrijden. Liever dan zich over te geven en het geheim van dit toestel prijs te geven, staken ze hun benzine in brand. Je zag de vlammen en rook door de schietgaten naar buiten spuiten en tegelijkertijd rook je de stank van gegrild vlees. Toen Combles was ingenomen werden er vier verkoolde lijken uitgehaald.

Helden ? Martelaars ? Of gekken ? Misschien waren ze gewoon het slachtoffer van een ongeval, van een ontploffing van de motor bijvoorbeeld ? Als ze vrijwillige slachtoffers waren, was het wel heel naïef te denken dat hun dood de Duitsers zou beletten op hun beurt tanks te bouwen.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken 1914-1918, uit het Frans vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen

british-mark-iv-3

naar het front bij Miraumont

In zijn dagboek beschrijft gezondheidsofficier Hugo Natt op 16 november 1916 hoe hij in de buurt van Miraumont (ten zuiden van Arras) ’s nachts naar het front trekt.

De weg was redelijk, ganzenmars. Af en toe een granaattrechter. De eerste die er een ziet, roept “granaattrechter”, de mannen achter hem geven het door. De wegen worden alsmaar slechter. Zo nu en dan komt er een munitiewagen aangesuisd, dan is het “rechts houden”, meestal beland je dan in een diepe sloot.

Nu kruisen we een spoorwegovergang en lopen dan in hoog tempo verder omdat juist dit gebied straks onder vuur komt te liggen. Langs een steile spoordijk, omhoog naar de heuvel waar de toegang tot de schuilplaats ligt.

“Wat zal er gebeuren ?”, is de telkens herhaalde vraag.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

De tekening hieronder is van Albin Egger-Lienz, “Die Namenlosen”.

albineggerlienz_dienamenlosen

cursus mitrailleur in Criel

Raoul Snoeck wordt op cursus gestuurd naar Criel (Normandië).

15 november 1916 : Ik ben in Criel voor inwijding in het gebruik van de mitrailleur, hoewel ik absoluut niet de bedoeling heb me in dat regiment te laten inlijven. Het is een reglement en iedereen moet het gehoorzamen. Voor de rest ben ik er gelukkig om, ik ben van nature erg nieuwsgierig en verlang zoveel mogelijk te leren. In het leven weet je nooit genoeg.

18 november 1916 : ’s Morgens theorie, ’s namiddags oefeningen met de mitrailleur. Bij terugkeer van de rotskust, waar wij schietoefeningen hielden, worden we in het kamp opgewacht door een fotograaf. Hij maakt een kiekje van ons bij de mitrailleur. Ik stuur die foto naar mijn ouders, ze zullen blij zijn met die prettige oorlogsherinnering.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

raoulsnoeck_november1916

Vredesgesprekken Duitsland Rusland

Hugo Natt, gezondheidsofficier bij de Duitse reservedivisie 56, is op 14 november 1916 aangekomen in Marquion (ten zuidoosten van Arras) en slaat een praatje met zijn collega’s.

We praten over de vredesonderhandelingen met Rusland, waarover de afgelopen dagen weer veel is gesproken. Er zouden onderhandelingen gaand e zijn : in Berlijn zou een huis van de Russische gezant verlicht zijn geweest, ook zou er een dubbele wachtpost hebben gestaan. Volgens de laatste berichten zouden de onderhandelingen op het laatste ogenblik afgebroken zijn, nadat de landen van de Entente (de geallieerden) Rusland een grote lening hadden toegezegd.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

eingang_zur_russischen_botschaft_in_berlin

Russische ambassade in Berlijn

Marsorders voor Herbert Sulzbach

Herbert Sulzbach is een Duitse onderofficier bij de artillerie. Op 11 november 1916 krijgt hij goed nieuws en marsorders voor de Somme.

Ik word vandaag gepromoveerd tot luitenant met ingang vanaf 3 november 1916. Het is een heel inspirerend moment en ik ben er heel vereerd mee.

Aan de Somme is de slag nog altijd bezig en we krijgen onze marsorders… naar de Somme ! Ik heb al voorspeld dat we hiervan niet gespaard zouden blijven. Na al de voorbije rustige maanden gaan we naar de grootste veldslag ooit. We zijn in actie geweest op alle grote slagvelden in het westen, op Verdun na, ondanks dat we aan een rustig front in Evricourt gelegerd waren. En dus worden we teruggetrokken uit onze divisie en op de marsweg, in Noyon, neemt onze divisiecommandant, generaal Sack, plechtig afscheid van ons. Voor de eerste keer mag ik mijn nieuwe plaats innemen en salueren voor de rangen der soldaten op appèl. Het is eeb bijzondere eer voor ons om de divisie te verlaten en in actie te komen aan de Somme.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword military

De tekening hieronder is van Otto Flechtner en is getiteld “Deutsche Artillerie auf dem Marsch”.

ottoflechtner_deutscheartillerieaufdemmarsch_1916

Mijmeringen aan het Ijzerfront

Raoul Snoeck vraagt zich af hoe het zal zijn later, om weer burger te zijn. Op 9 november 1916 noteert hij in zijn dagboek.

Alvorens ons hier te begraven had iedereen in het burgerleven een sociale betrekking of beroep. De meesten waren landbouwers of werklieden. Er zijn weinig geletterden bij de mensen die ons omringen en ondanks de maatschappelijke verschillen, gelijken we erg op elkaar. We spreken dezelfde taal doorspekt met het bargoens van de loopgraven. Door het gedwongen samenleven hebben we dezelfde smaak, dezelfde manieren ontwikkeld en vragen ons af hoe het zal zijn als we in het burgerlijk leven terugkeren.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei uit het Frans vertaald door Andre Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

belgischesoldaten_rustpauze_1916

Een brief vanuit bezet gebied

Veel Belgische militairen kijken elke dag uit naar de komst van de postbode (2e man van links, met helm en fiets). Misschien brengt hij eindelijk een teken van leven van de geliefden. Vier jaar lang is het rechtstreekse contact tussen de Ijzerstreek en het bezette land nagenoeg helemaal verbroken. Vier jaar lang horen velen niets van hun achtergebleven familie en weet de familie niet of haar frontsoldaat nog in leven is. Correspondentie tussen beide kanten van de frontlinie is erg moeilijk maar niet onmogelijk. Daarvoor doet men een beroep op smokkelaars of kennissen in het neutrale Nederland, die wel met het bezette land kunnen corresponderen.

postbedeling_belgischleger

Op 1 november 1916 is Raoul Snoeck bij de gelukkigen. In zijn dagboek noteert hij :

Ik krijg nieuws van mijn ouders. Tussen de regels lees ik hun angst. Moeder schrijft in elke brief:”Wees voorzichtig, stel je niet teveel bloot aan het gevaar, hou je goed warm.”. Ik heb juffrouw Bulthé van Holland gevraagd hen zoveel mogelijk gerust te stellen. Helaas ! Onze ouders vrezen het ergste en denken dat we voortdurend in de strijd betrokken zijn, de bajonet op het geweer en de pet op het oor. Wild, bebloed en groots. Het is volstrekt niet altijd zo, hoewel een soldaat steeds gevaar loopt. We scheppen plezier in het vechten want we houden van actie, en aan het front zijn we vrolijk en talrijk. Vinden we na de strijd iedereen aanwezig in het kantonnement, wat doet het dan deugd te beseffen dat we enkele ‘grijzen’ gemold hebben en daarmee onze plicht vervuld. (…)

Overigens heb ik in het ergste voorzien. Vrienden bezitten mijn adres voor het geval me iets fataals zou overkomen, zodat ze mijn ouders kunnen verwittigen. Na het nemen van die voorzorg praten we er niet meer over, het is een stilzwijgende overeenkomst.

bronnen
Daniël Vanacker, Belgie in de Grote Oorlog, Roularta Books
Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

geen rustige Allerheiligen aan de Ijzer

Gaston Le Roy noteert op 1 november 1916 in zijn dagboek :

Bij terugkeer van de keuken naar de eerste lijn merkten we enkele explosies op langs de kant van de vijfde divisie. De beschieting schoof op naar onze schuilplaats aan F.A.. Niet enkel granaten maar ook vleugelbommen ontploften donderend op de grond. Ons geschut wachtte niet om de granaatwerpers wat terug te gooien.
Toen we de eerste lijn naderden, verergerde het nog. Met moeite kreeg de adjudant de mannen vooruit. Met enkele makkers bleef ik ook enige tijd vanaf de tweede lijn het spel gadeslaan. De zon dook onder, het werd nacht en nog steeds is het een razend sissen van weg- en aanvliegende moordtuigen. Een rood streepje van de brandende wiek maakte de bommen zichtbaar in de lucht. Angstige wachtten we het einde af, meer dan eens dacht ik dat mijn laatste ogenblik gekomen was, maar het ging voorbij. Ik geloof zelfs dat er bij ons geen enkel slachtoffer viel.

Nu is het weer rustig. Er klinkt zelfs geen geweerschot. Wie hier vannacht zou aankomen, zou nooit kunnen vermoeden dat op deze plek enkele uren geleden zoveel mensen in doodsangst verkeerden. Er wordt gelachen en geschertst.

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

BelgischeArtillerie02.jpg

Verbroedering in de Champagne

Louis Barthas schrijft over de leven-en-laten-leven-mentaliteit in de loopgraven in de Champagne.

Op zes meter van onze versperring hadden de Duitsers hun eigen versperring opgericht. Tussen de twee was prikkeldraad gesmeten maar slechts vier sprongen scheidden de twee volken, de twee rassen die elkaar aan het uitmoorden waren. Er was zelfs een overdekte gang die op één meter van de Duitse zandzakjes uitkwam.

(…) Hun verbazing (van de burgers aan het thuisfront bedoelt Barthas) zou in verbijstering zijn omgeslagen als ze de Franse en Duitse wachtposten hadden gezien die rustig op de borstwering een pijp zaten te roken en van tijd tot tijd als goede buren in hun buitendeur een luchtje schepten en met elkaar een babbeltje maakten. Bij elke aflossing werden deze gewoonten en gebruiken van de wachtposten doorgegeven. De Duitsers deden hetzelfde en al stond de hele Champagne in vuur en vlam, dan nog zou op deze bevoorrechte plaats geen granaat zijn gevallen.

(…) Soms wisselden we geschenken uit : pakjes Franse legertabak die ze in hun dikke Duitse pijpen oprookten of heerlijke sigaretten “made in Germany” die in onze Franse post terechtkwamen.
(…) De een zal het prachtig vinden, de ander misdadig. Het hangt ervan af of je het ideaal van menselijkheid onder of boven het ideaal van het vaderland plaatst. We kunnen er zeker van zijn dat dit gebaar van verbroedering op meer dan één plaats is voorgekomen. Onze bevelhebbers , onze leiders, moeten zich geen illusie maken : was er tussen de loopgraven een redelijke afstand geweest, waren er geen prikkeldraadversperringen geweest, dan zou iedereen elkaar de hand hebben gereikt. Eén bewijs, van de duizenden, dat deze gruwelijke oorlog tegen de wil van het volk ontketend is.

bronnen 
Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uit het Frans vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen
http://www.lefigaro.fr/culture/2015/12/17/03004-20151217ARTFIG00239-monument-des-fraternisations-mon-grand-pere-serait-fier.php

De tekening hieronder is van Thérèse Bisch en draagt de titel “Fraternisation”.

ThereseBisch_Fraternisation.jpg

Taalstrijd achter de linies

Gaston Le Roy noteert in zijn dagboek op 3 oktober 1916 :

opinionwallonneWegens een pas verschenen Waal strijdblad, L’Opinion Wallonne, hadden we hier een felle woordenwisseling. Het leek op een herberg waarin twee partijen vlak voor de verkiezingen een meeting hielden. Mijn vriend, de sergeant, een Walensympathisant, eindigde met de veelbetekenende woorden :”We hebben jullie altijd onder de duim gehouden en willen strijden voor het behoud van die onderdrukking.”. Zulke discussies zijn uiterst goed voor onze Vlaamse jongens. Hun ogen gaan open. De zitting wordt besloten met een Vlaamse Leeuw. Van beide kanten zijn we tevreden met onze openbaringen. Naar de loopgraven. Met een van bloed doortrokken kous en schoen kom ik er aan. Arme Voet !

bron : André Gysel, Gaston le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger tijdens WO 1, Lannoo