de laatste maanden van Hendrik Aegten

Als Hendrik Aegten uit Hamont zich in 1915 meldt als vrijwilliger voor het Belgische leger, bij het 4e regiment genie, is hij zo gezond als een visje. Een gezonde Kempenzoon.

HendrikAegtenZijn aanwezigheid aan het oorlogsfront gaat niet in de koude kleren zitten. Op 20 maart 1918, ongeveer drie jaar na zijn indiensttreding, brengen zijn medestrijders hem naar het hospitaal in Adinkerke wegens een longaandoening.

Wat er de volgende acht maanden met hem gebeurt, is niet geweten, alleen dat hij overlijdt op 18 november 1918. Postuum bezorgt het leger hem nog vijf frontstrepen.

Opmerking : de oorlogskalender vermeldt dat Aegten uit Achel komt. Het Grevenbroekmuseum vermeld op de website dat hij in Hamont geboren is.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
http://www.grevenbroekmuseum.be/gesneuveldenHamont

op het slagveld na de veldslag

Dokter Lievens bezoekt op 19 maart 1918 de eerste linies na de hevige gevechten in sector Nieuwpoort.

Ik moet naar de post van Sint-Joris (Vache crevée). Tegen de avond krijg ik bevel om met een speciale ploeg het slagveld door te lopen om de doden weg te halen en tevens te zien of er geen gewonden meer liggen. Ik trek de Ijzer over op een vlot, volg de overkant tot tegen de briquetterie (steenbakkerij), neem daar de vaart van Passendale en kom weldra ter plaatse. De maan schijnt maar een fijne regen heeft de bodem in modder herschapen. Met moeite vind ik onze ongelukkige jongens, die in alle houdingen op het verschrikkelijke doorploegde land liggen. Velen lijken enkel te slapen, anderen zijn ijselijk verminkt. Anderen liggen er samen met Duitsers. Nog verderop liggen er alleen vijandelijke lijken.

En tussen al die doden houden onze dappere overlevenden stil en stom de wacht. Onze helden houden daar stand in groepjes van twee of drie man in granaatputten. Sinds twee dagen hebben ze bijna niets te eten of te drinken gekregen en dat nog te midden van al die emoties bovenop de gaswalm en de kruitrook, die keel, longen en darmen doen branden. Wie zal zich ooit het honderdste deel kunnen inbeelden van de pijn, de agnst en de ontbering die onze arme jongens moeten doorstaan ? 

De tekening hieronder is van de Fransman George Barrière.

bron : André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo

GeorgeBarriere_SoirdAttaque

Belgisch spionagenetwerk ontmanteld

Op de Stedelijke Schietbaan in Gent executeren de Duitsers tijdens de eerste wereldoorlog zowat vijftig mensen, onder wie een eigen officier. Op 19 maart 1918 sterven Theo Goedhuys, Achille De Backer en Alfons Van Caeneghem voor het vuurpeloton nadat een andere Belg hen heeft verraden. Op een drietalige aanplakbrief krijgt het publiek het nieuws over hun executie te lezen, ter afschrikking. 

Theo Goedhuys en zijn makkers waren actief in een spionagenetwerk dat de Britten inlichtingen verschafte over verplaatsingen van Duitse troepen en materiaal per trein. Theo, die na zijn huwelijk van Ledeberg naar Kortijk verhuist, werkt bij de spoorwegen als hoofdtreinwachter, een functie die toegang biedt tot allerhande nuttige spoorinformatie. 

Naar Theo Goedhuys is een plein genoemd in zijn geboorteplaats Nieuwpoort alhoewel zijn ouders kort na zijn geboorte naar Ledeberg verhuisden. 

Bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds 

TheoGoedhuys_19180319

 

Gaston Le Roy onder Duits vuur

Gaston Le Roy noteert op 18 maart 1918 

Bij een Duitse aanval hebben we veel mannen en enkele gevechtsposten verloren. Na de middag in volle daglicht rukken de karabiniers op om wat verloren ging te heroveren. De kanonnen vuren om het hardst, zowel de onze als de Duitse. Het is helder weer en de steenweg is van ver zichtbaar. Eén enkele weg leidt naar Nieuwpoort. Niet te verwonderen dat we duchtig beschoten worden als wij achter de karabiniers ee steenweg optrekken. Natuurlijk hebben de Duitsers de troepenbeweging gemerkt. Nieuwpoort is in een kruitwolk gehuld. Onze compagnie wordt uiteengeslagen en we krijgen bevel op eigen gevoel op te rukken en ’s avonds bijeen te komen aan de Pelikaanbrug. 

Eerst doorkruis ik een veld en stoot op een kanonnenbatterij die zelf onder vuur ligt. Ten einde raad neem ik toch maar de steenweg. Zoals steeds als het er warm aan toegaat, troost ik me met de gedachte : dood is dood, je sterft maar eens. De wagens van het Rode Kruis die af en aan rijden, worden niet ontzien, voor en achter ontploffen granaten. Ik slaag er toch in ongedeerd de verzamelplaats te bereiken. De beschieting houdt niet op. 

Boven onze hoofden voeren piloten acrobatentoeren uit. Dikke shrapnels ontploffen rond de vliegtuigen, de sierlijk in beweging blijven. Na de aanval maken zij enige loopings als om te groeten na hun welvervulde taak. 

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger , Lannoo

ArtillerieBelgeEnAction_191803

 

dokter Lievens ontsnapt aan de dood

Dokter Lievens noteert op 18 maart 1918 in zijn dagboek.

Vorige nacht beleefden we een hevige gasbeschieting. Gedurende anderhalf uur moesten we onze gasmaskers opzetten. Zes mannen zijn lichtjes van streek omdat zij niet rap genoeg hun maskers opzetten. Vanmorgen vallen de Duitsers nog eens aan in de sector Nieuwpoort. Voor ons wordt alarm geblazen en we staan klaar om onze makkers in de eerste linies hulp te bieden. Maar de aanval wordt afgeslagen en wij mogen weer in onze hutjes kruipen om wat rust te nemen.

Om 12 uur wordt nieuw alarm geblazen voor onze compagnie die het bevel krijgt om als versterking naar Nieuwpoort te trekken. Alle wegen naar onze stellingen worden zwaar bestookt. Als onze majoor Flémalle met de eerste mannen over de Pelikaanbrug sluipt, heeft de Duitse kabelballon ons opgemerkt en gemeld aan de artillerie. Het volgende ogenblik liggen brug en weg onder kanonvuur. Het wordt bijna onmogelijk nog een voet te verplaatsen en toch kruipen we tegen de dijk aan van boom tot boom tegen het water. Zo raak ik heelhuids bij de brug. Op dat ogenblik wordt het hachelijk. Al onze kanonnen links uit het driehoekige bos en uit de duinen spuwen hun trommelvuur. De Duitse granaten gieten een zee van moordend ijzer over heel Nieuwpoort en daartussenin mitrailleren Duitse vliegtuigen onze jongens vanop nauwelijks vijftig meter hoogte.

Met de laatste compagnie ben ik helaas nog vijfhonderd meter van de onderaardse gang die ons moet redden. En ik moet er nochtans door. Tien passen lopen, dan op de buik tegen de aarde geplakt. Nu bestoken de vliegtuigen ons met een soort projectielen die vuursprankelend openkletsen terwijl het maar granaten en shrapnels blijft regenen. Ik spring recht, gevolgd door een brancardier die naast mij huilt en roept e, stormrecht voor me uit zo rap als mijn benen me kunnen dragen. Ik loop de onderaardse gang voorbij zonder hem op te merken en bereik de eerste huizen van Nieuwpoort. Ik loop voort, altijd voort tot ik een driehonderd meter verder bij de grote Rodekruisvlag uitkom, die boven een goed versterkte kelder uitsteekt. Daar weigeren mijn benen me verder te dragen en rol ik uitgeput en ademloos de trappen af. Ik ben gered !

De tekening hieronder is van Léon Broquet, “ma dernière vision de la guerre”.

bron : André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, LannooLeonBroquet_MadernièreVisiondeLaGuerre

hevige gevechten nabij Nieuwpoort

Rond 6 u in de ochtend van 18 maart 1918 breekt in het gebied tussen Nieuwendamme en Sint-Joris (Nieuwpoort) een hevig Duits bombardement los met obussen en stikgassen. Het is slechts het begin van twee dagen van hevige gevechten waarbij uiteindelijk 230 doden en gewonden vallen. 

Eén van hen is Leo Baelden : omstreeks 9u30 doorboren scherven van een Duitse granaat zijn schedel. Leo is vrijwel onmiddellijk dood. Enkele dagen later op zijn 21e verjaardag wordt hij begraven in De Panne. Zijn lichaam rust er nu op de Belgische militaire begraafplaats. 

Leo Baelden, afkomstig uit Wulveringem, moest na zijn lager onderwijs thuis helpen op de boerderij tot hij in 1916 wordt opgeroepen voor legerdienst. Je kan niet anders dan vragen stellen bij de beslissing van de Belgische militaire overheid om hem een bijkomende opleiding als mitrailleur te laten volgen ondanks zijn verminderd zicht. 

Bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds 

premiere-guerre-mondiale-gaz-moutarde

gifgas en tegenaanval in Sint-Jacobskapelle

Raoul Snoeck maakt op 17 maart 1918 een Duitse aanval mee in de sector Sint-Jacobskapelle.

Het kanongebulder bereikt ons eerst gedempt, dan rolt het geluid van de ontrploffingen in alle richtingen. Een soort mist trekt onze aandacht en allemaal kijken we naar de afschuwelijke explosies : de Moffen vallen heel het Belgisch front aan met stikgas. De lucht wordt zwart. Vlug zet iedereen zijn masker op. Er worden ook obussen afgevuurd met niespoeder dat door het linnen van ons masker dringt. De soldaten niezen, hun mond vult zich met slijm. Je moet een ongehoorde moed hebben om dat masker op je gezicht te houden. Het afnemen is levensgevaarlijk want je zou het dodelijke stikgas kunnen inademen. De Moffen kennen van die verfijnde wreedheden. Velen van ons hebben hun laatste gebeden opgezegd want ze dachten dat het met hen afgelopen was.

Met die grote maskers op  ons gezicht lijken we op duikers. We hebben een razende tegenaanval uitgevoerd. De mannen wentelden zich echt in het bloed, uitzinnig van woede. De Duitsers die zich in de sector bevonden, zullen thuis niet meer kunnen vertellen dat het warm was. Een kleine officier stond te pronken op een borstwering. Ik heb hem enkele kogels in de pens gejaagd. Je had zijn ogen moeten zien toen hij naar beneden tuimelde. Die zal het een paar ogenblikken erg kwaad hebben gehad. Dat zal hen leren ons met stikgas te beschieten. Je wreekt je zoals je kunt. Dat is niet mooi maar de oorlog is geen pretje. Zoveel mogelijk vijanden doden, is dat niet onze dwingendste plicht ?

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

Het schilderij hieronder is van Erik Nagels.

ErikNagels_GroteOorlog_Hoofdstraat

 

door honger geplaagd

De Vlaamse auteur Karel Van de Woestijne schrijft op 15 maart 1918 in een brief aan een Nederlandse vriend over het leven in België. 

Gij schrijft mij van al de miserie om u heen, die gij helpt lenigen. Gij zegt mij ook dat het leven voor u Hollanders lang niet aangenaam is. Beste vriend, wist gij maar hoe het ons hier in België vergaat. Een klein voorbeeld : boter voor zover te krijgen, kost tot 35 frank de kilo. Vlees is een goede 20 frank. En het overige is even duur, tenminste wanneer het te koop is. Van koffie en thee is allang geen sprake meer. En het wordt langs om erger, ook hier op het land. Wij zijn evenwel een taai ras. Wij willen niet ondergaan, zo houden wij er de moed in en willen voor niets ter wereld in zak en as gaan zitten. 

Bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds 

Brood_WIllen_We_Hebben

Strijd zonder kwartier te Nieuwpoort

Dokter Lievens noteert op 12 maart 1918 het volgende in zijn dagboek.

Volgens een Duitse krijgsgevangene is om 4 uur een aanval op Nieuwpoort gepland. Onmiddellijk krijgt mijn divisie het bevel om de Duitsers te verschalken en om 3 uur vertrekken onze mannen na een hevig voorbereidingsvuur op de vijandelijke lijnen. Die zitten vol Duitsers die zich klaarmaken voor hun geplande aanval. Orders waren gegeven om geen krijgsgevangenen te maken.

Een onmenselijk gehuil stijft uit de Duitse lijnen op en een ijselijke slachting vangt aan, die maar ophoudt als de laatste Duitser gesneuveld is. Meer dan driehonderd vijandelijke lijken bedekken de grond, maar onze verliezen zijn zwaar : 33 doden en 69 gewonden.

De tekening hieronder komt uit een stripalbum van Jacques Tardi.

bron : André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo

Tardi_19180312

Raoul Snoeck in de dodengang

Raoul Snoeck noteert het volgende in zijn dagboek :

6 maart 1918 : Buitengewoon weer, echte maartse buien : sneeuw, zon en regen. Als het sneeuwt, is het zo koud dat je een pelsmantel kunt verdragen. Schijnt de zon, dan hebben we de neiging onze jas uit te trekken. Maar we moeten oppassen om geen kou te vatten. Alles is kalm en rustig. Het lijkt wel alsof iedereen vermoeid is na de voorbije moordpartijen. Af en toe schudt een kanonschot met oorverdovend gerommel onze stellingen dooreen.

8 maart 1918 : Mijn mannen en ik opteren voor de bezetting van de dodengang. We hebben die van in het begin zo genoemd omdat hij het dichtst bij de vijand ligt en er bijna altijd doden of gewonden vallen. Het uiteinde van onze loopgraaf ligt slechts op een vijftiental meter van de Duitse. Met de verrekijker kunnen we heel goed de bewegingen van de vijand volgen. Daar beleven we nog wat actie en voelen we ons vrijer en onafhankelijker. Geloof maar niet dat we stil praten in dat bolwerk, zelfs al waakt de vijand recht tegenover ons. Waarom zouden we ? De moffen weten dat die loopgraaf nooit leeg is. Doorheen de gangen weerklinkt soms luid gelach en gezang, onze enige toegeving aan het noodlot.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

Dodengang01