einde van de Märzkämpfe

Begin april 1921 stelt de Duitse communistische partij vast dat de Märzkämpfe (maartgevechten) een mislukking zijn. Ze roept op om alle acties stop te zetten. Dat heeft voor de communistisiche partij zware gevolgen. Meer dan de helft van de 450.000 leden levert zijn lidkaart terug in. De VKPD (Vereinigte Kommunistische Partei Deutschlands) wordt daarmee politie geïsoleerd en verliest aan slagkracht.

De Märzkämpfe zijn nochtans ambitieus begonnen. In de ochtend van 13 maart 1921 ontdekken voorbijgangers een plakkaat aan de Berlijnse Zegezuil (Siegessaule) met het opschrift “Dr. Oetkers sauspoeder”. Het poeder in kwestie is echter zes kilogram dynamiet. Door een slechte ontsteker was de ontploffing niet doorgegaan. De politie volgt het spoor van de dynamiet tot in midden-Duitsland, meer bepaald Merseburg, een streek in Saksen-Anhalt met een lange traditie van klassenstrijd. Op 18 maart 1921 roept de Rote Fahne de arbeiders van Saksen op tot actie en spoort hen aan wapens op te nemen waar ze ze maar kunnen vinden. Op 21 maart 1921 wordt opgeroepen tot algemene staking. Op dezelfde dag worden een aantal personen in Berlijn gearresteerd in verband met de mislukte aanslag op de zegezuil. Binnen de linkse beweging ziet men twee strekkingen. Peter Utzelmann kiest voor de staking en de bezetting van bedrijven. Max Hölz is een communistische leider die met zijn brigade geregels gewapende acties tegen de overheid onderneemt. Daar horen bankovervallen en dynamieteren van spoorlijnen en treinen bij. Links slaagt er zo niet in om de acties gezamelijk te coördineren en men blijft in gespreide slagorde verder actie voeren.

Door die gespreide slagorde en het verdelen van de acties slagen de communisten niet in hun doel : met de revolutie de macht veroveren. De stakingen worden stopgezet en heel wat communistische militanten worden gearresteerd. Onder meer Max Hölz wordt opgepakt en veroordeeld to levenslang. Wat nog erger is : heel wat communisten sturen hun lidkaart terug. De daadkracht van de communisten is daarmee gehalveerd.

bronnen

https://www.marxist.com/the-tragedy-of-the-march-action.htm
https://www.neues-deutschland.de/artikel/1150084.maerzaktion-verdraengtes-desaster.html
https://de.wikipedia.org/wiki/M%C3%A4rzk%C3%A4mpfe_in_Mitteldeutschland

opiumroes voor Hans Tröbst

Hans Tröbst is in Kastamonu aangekomen op zijn weg naar Ankara. Daar blijft hij drie dagen lang en op zeker moment besluit hij dat het tijd is voor wat extra ontspanning.


Ik nam afscheid van mijn gezelschap, bedankte hen voor de mooie avond en zocht mijn hotel op. Hier besloot ik me een bijzonder genoegen te gunnen : een opiumroes. Een Turk had me heimelijk twee stukken bezorgd, die er als gummi uitzagen en die ik nu in kleinere stukken sneed en in vier zelfgedraaide sigaretten draaide. Dan legde ik me op bed en ik begon te roken met de bedoeling mijn hoofd zo lang mogelijk helder te houden om de effecten te observeren. Het smaakte ietwat zoet en nam de bittere smaak van de tabak weg. Na de eerste sigaret voelde ik een enorm welbehagen dat zich uitte in luid lachen. Ik wist zeer goed dat ik aan het lachen was, maar ik wist de reden niet. Na de tweede sigaret begon een ietwat versnelde hartslag en ik werd diepzinnig. Mijn denkvermogen begon achteruit te gaan en het was me onmogelijk om kleine rekenopgaven op te lossen. Na de derde sigaret had ik bij volle bewustzijn en open ogen hallucinaties. De kleine gele leeuw, die op de Belgische lucifersdoos afgebeeld was, zag ik als levensgrote figuur op bed aan mijn voeten en grijnsde mij met open tanden aan. Met moeite stak ik mijn vierde sigaret aan. Nu vielen mijn ogen toe, handen en voeten werden zwaar en geleidelijk aan verloor ik de controle over mijn ganse lichaam.

Omdat Hans Tröbst expliciet een Belgisch lucifersmerk vermeld, voegen we hier ook nog Kuifje met een opiumpijp aan toe. De tekening komt uit “de Blauwe Lotus”.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

karavaan naar Kastamonu

Nadat Hans Tröbst eindelijk zijn marsbevel naar Ankara heeft ontvangen, spreekt hij op 10 maart 1921 met een aantal reisgezellen af om eindelijk Inebolu aan de Zwarte Zee te verlaten.

We wilden met een kleine karavaan van ongeveer twintig ezelfs en muildieren afreizen. Stipt om twaalf uur hadden we afgesproken. Natuurlijk zorgde Hakki Bey op het laatste moment voor een langer oponthoud omdat hij het praktischer vond om de reis met “babouchen” te maken. Dat was een schoeisel dat in feite een stuk leer op de voet gesneden en voorzien van riemen, een beetje zoals sandalen in de riddertijd. Ik verwittigde hem want in Bulgarije had ik al gezien dat je daar enkel mlee kan lopen als je het van kindsbeen af gewoon bent.

Het was een heerlijke winterdag, met perfect weer om urenlang te marcheren. Na een uur bereikten we een wachtpost, waar de soldaten onze papieren nakeken. We namen afscheid van onze begeleiders die ons lang nawuifden en ons de zege en de hulp van Allah toewensten. Met onze gids verlieten we de straat en we begonnen aan onze klim om een kortere weg te nemen. De sneeuw reikte tot aan de knie en al na vierhonderd meter moest ik een adempauze inlassen. De zon brandde zoals in de zomer en noodgedwongen deed ik mijn mantel uit, stak de kalpak in mijn tas en ploeterde verder. Hakki begon al de steunen en te vloeken. Met zijn schoeisel schoof hij na drie stappen telkens twee stappen terug. Een uur later kwamen we met trillende knieën terug op de hoofdweg, hoog op de berg. De ontelbare ezelkaravanen hadden alle vijftig meter een diepe groef nagelaten, zodat het leek dat we op spoorstaven moesten wandelen. We zaten midden in een geweldig hooggebergtelandschap. Waar men ook zag, waren diepe dalen en hemelshoge, met sneeuw bedekte bergen waarlangs de weg zich als een slang omheen kronkelde. Uiteindelijk hadden we onze karavaan ingehaald en de halfdode Hakki klampte zich ogenblikkelijk aan een ezel vast.

Iedere tien kilometer troffen we langs de weg een zogenaamde “han”, een overnachtingsplaats, meestal een kleine schuilhut, waar je je aan de oven kon warmen en voor een paar piaster thee kon drinken. In iedere hut die we tegenkwamen, slurpten we een paar tassen thee, rookten we enkele sigaretten, en haalden dan weer de kolonne in. De weg werd echter alsmaar slechter, de wind begon te huilen, en regelmatig slipte of viel er iemand omdat je met de vallende duisternis de groeven in de weg niet meer zag. Hakki en ik hielden de handen diep in de tassen, de kalpak over de oren getrokken, de kop diep gebogen voor de sneeuwstorm, en zo zetten we urenlang stompzinnig de ene voet voor de andere. Eindelijk, rond negen uur ’s avonds, kwamen we aan onze overnachtingsplaats toe.

’s Anderendaags lieten wij de karavaan, die beduidend langzamer was als wij, al om 8 uur vertrekken. WIj sliepen tot half tien, lieten ons thee op bed brengen, gingen naar een kleine gaarkeuken waar we ons rond aten voor vijftien piaster, en trokken dan verder. Het sneeuwde voortdurend en er waren momenten dat ik dacht met Hannibal in de Alpen te zijn. Maar uiteindelijk hadden we de top van het gebergte bereikt die de Zwarte Zee afgrensde van de Anatolische hoogvlakte.

Op de derde dag komt Hans Tröbst in Kastamonu aan waar hij drie dagen zal verblijven alvorens verder te trekken naar Ankara.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Verdrag van Sèvres in de prullenbak

Het verdrag van Sèvres, ondertekend op 10 augustus 1920, heeft de grenzen van het Ottomaanse rijk hertekend.
In het noordoosten van het huidige Turkije is er ruimte voor een onafhankelijk Armenië, een autonoom Koerdistan en de Grieken krijgen een deel van Thracië en de streek rond Smyrna waar er een gemengde bevolking van Turken en Grieken woont. Het Ottomaanse leger wordt ontbonden en wat er nog rest van het Ottomaanse rijk, komt onder controle van Britten, Fransen en Italianen.
De sultan aanvaard het verdrag van Sèvres, maar generaal Kemal en zijn nationale beweging verwerpen dit verdrag. Het wordt door geen enkel parlement geratificeerd, op het Griekse parlement na. Generaal Mustafa Kemal, later bekend als Kemal Atatürk, verzamelt getrouwen om zich heen en gaat in de tegenaanval.

In de herfst van 1920 verklaart de Franse politicus Georges Leygues op een conferentie in Londen dat Frankrijk dit verdrag niet zal ratificeren en dat het herzien moet worden. Mustafa Kemal voert op dat moment oorlog tegen de troepen die de sultan trouw zijn gebleven, tegen de Grieken en Armeniërs en tegen de bezettingstroepen van de geallieerden. Op 2 december 1920 dwingt Kemal de Armeniërs het verdrag van Kars te ondertekenen en lijft hij de regio rond Kars bij Turkije in. De oorspronkelijke bevolking van Lazaren, Mescheten, Georgiërs en Armeniërs
worden verjaagd en vervangen door Turken en Koerden.

In februari en maart 1921 is er een conferentie in Londen over de herziening van het verdrag van Sèvres. Op 9 maart 1921 ondertekenen de Franse een akkoord waarmee ze afzien van hun rechten op Cilicië.
Op 12 maart 1921 volgen de Italianen die afspreken om de regio rond Antalya te verlaten vanaf juni.

In Duitsland is er een aankomend politicus die het hele gebeuren aandachtig volgt en ziet hoe generaal Kemal met standvastigheid en wapengeweld verdragen met de geallieerden herschrijft : Adolf Hitler.

bronnen
http://www.memoiresdeguerre.com/article-traite-de-lausanne-1923-107400884.html
https://fr.wikipedia.org/wiki/1921

Marsbevel naar Ankara

De spanning van de voorbije weken begint zich te wreken bij Hans Tröbst. Eindelijk is hij aangekomen in Inebolu, een Turkse havenstad aan de Zwarte Zee. Maar daar krijgt hij te horen dat hij weken moet wachten op verdere marsbevelen vanuit Ankara. De verveling slaat toe en ook een verkoudheid waar hij maar niet van af geraakt. Na enkele dagen in bed gelegen te hebben, wordt Hans onder zachte dwang opgenomen in een lazaret. Daar maakt hij kennis met lotgenoten die net zoals hij ook verder willen reizen naar Anatolië om te gaan vechten in dienst van de Kemalisten.

Het lazaret lag boven op een berg, vanwaaruit men een heerlijk vergezicht had op de Zwarte Zee en de bergen. En zo bracht ik veertien dagen in de ziekenzaal door met andere patiënten terwijl we met groot ongeduld wachten op ons marbevel. De ene dag duurde al even lang als de andere. Na twee weken werd ik eindelijk gezond verklaard en ik werd op staatskosten ondergebracht in een hotel.

Na vijf weken kreeg ik eindelijk het verhoopte nieuws. En wie beschrijft mijn vreugde als ik op 5 maart 1921 het langverwachte telegram uit Ankara kreeg. Wat een ongelooflijk toeval. Op 5 maart 1910 werd ik aangesteld als Fahnenjunker in het Pruisische leger en op dezelfde dag maar elf jaren later, kreeg ik de mededeling dat ik voortaan de halve maan als kokarde mocht dragen.

Men stuurde me naar de commandant, die me beloofde alles voor te bereiden, ezels te huren en me te verwittigen als alles klaar zou zijn. Jammer genoeg werd het weer slechter en de afreis was dan ook niet mogelijk. Tot mijn vreugde kreeg de goede Hakki de volgende dag zijn marsbevel en we besloten samen op te trekken. We spraken af om de tiende maart te vertrekken.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

het lange wachten in Inebolu

In het vorige bericht over Hans Tröbst hebben we gezien hoe hij er eindelijk in slaagt Constantinopel per schip te verlaten (lees meer hierover op deze pagina). Hij komt uiteindelijk aan in Inebolu aan de Zwarte Zee. Over zijn aankomst noteert hij het volgende :

Een grote mensenmassa, die me nieuwsgierig bekeek, stond op de kaai. Ik baande me een weg met mijn soldaten, waarvan er één een Franse blauwe mantel droeg (een souvenir van het Adanafront) en de andere droeg bereidwillig mijn koffers. We kwamen aan een groot gebouw, waarvan het gelijkvloers meerdere bureauruimtes omvatte. Ik werd naar een bureau begeleid en de soldaat zei tegen de burger achter de schrijfmachine een aantal zinnen, waarin ik “Alman Yüzbaşı” herkende. Dat betekent “Duitse officier”.

Ik werd door de aanwezigen met interesse bekeken. Niemand van de aanwezigen sprak Duits of Frans, maar men deed me teken dat ik mocht gaan zitten en ik kreeg sigaretten aangeboden. Later werd me verteld dat men twijfelde of de Duitse keizer was aangekomen. Dat gerucht had de ronde gedaan na mijn aankomst. De haven van Inebolu was de enige aan de ganse noordkust die door de Kemalistische regering geopend was. Na een uur verscheen er eindelijk een jongeman, buiten adem, die vloeiend Duits sprak en wel zo vloeiend en met gebruik van allerlei germanismen, dat ik hem eerst voor een landgenoot hield. Tijdens het voorbije uur had men hem gezocht als tolk en nu kon de arbeid beginnen. Ik begon mijn levensverhaal te vertellen om bij het punt te komen dat ik hier was aangekomen met de bedoeling in Turkse dienst te treden… Sensatie ! Een paar ogenblikken lang stopte de bedrijvigheid in het gebouw, beambten en klerken omringden me en vroegen de tolk mij hun vragen te vertalen.

Mijn aanvraag werd schriftelijk vastgelegd, ik ondertekende. Dan werd mijn bagage onderzocht en onder begeleiding van tolk Hakki Bey gingen we naar een ander gebouw waar men mijn papieren opnieuw nakeek. Dan vertelde de tolk me :”Men zal voor u een onderkomen zoeken. Hikmet Bey is een vertegenwoordiger van de stad, die voor u onmiddellijk een woning zal uitkiezen. Het is hier zeer druk in de stad want er zijn hier veel soldaten en officieren die op een marsbevel uit Ankara wachten om verder te reizen. Iedereen die zich hier aanmeldt, wordt telegrafisch doorgegeven aan Ankara en de regering beslist of de betreffende persoon mag verder reizen of teruggestuurd wordt. “.

Ik stelde natuurlijk de vraag hoe lang dat ongeveer zou duren voor ik weer kon verder reizen. – “Een telegram naar Ankara en terug duurt pakweg twee weken. Maar het wachten hier duurt altijd vier weken. “.

En zo begon het lange wachten voor Hans Tröbst op zijn marsbevel.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

Inebolu – havenstad aan de Zwarte Zee

Duits verzet tegen de herstelbetalingen

Eind januari 1921 stellen de geallieerden op de conferentie van Parijs de oorlogsschuld van Duitsland vast op 226 miljard goudmark. De golf van woede die na het bekend worden van dit bedrag door Duitsland gaat, schept een ideaal klimaat voor agitatie. Op aandringen van Hitler neemt de NSDAP het risico om binnen één dag, dus zonder de gebruikelijke propaganda vooraf, een massabijeenkomst te organiseren. Het enorme circus Krone wordt geboekt en er worden twee vrachtwagens gehuurd om in de stad München pamfletten uit te strooien. Ook deze methode is van de marxisten afgekeken en wordt nu voor het eerst door de nazi’s gebruikt.

Vrees voor een halflege zaal houdt Hitler en zijn kameraden tot de laatste minuut in spanning. Die blijkt niet terecht : met ruim zesduizend mensen wordt dit de grootste NSDAP-bijeenkomst tot dusver. Hitler houdt een toespraak onder de titel “toekomst of ondergang”. Duitsland, zo betoogt hij, wordt door de herstelbetalingen tot slavernij gebracht. De regering had er nooit mee mogen instemmen.

bron : Ian Kershaw, Hitler – hoogmoed (1889-1936)

Hitler spricht! Zirkus Krone

Hans Tröbst krijgt zijn kalpak

Hans Tröbst is aangekomen in Constantinopel om verder te reizen naar Anatolië en zich daar aan te sluiten bij het leger van Mustafa Kemal. Maar in de stad moet hij voorzichtig zijn omdat het er wemelt van Britse en Franse militairen. Hij vindt nergens een luisterend oor op de contactadressen die hem zijn doorgegeven. Maar heel toevallig ontmoet hij een voormalige Turkse kapitein die ook naar Anatolië wil. Ze spreken af om daags erna terug samen te komen om hun reis voor te bereiden. We laten Hans Tröbst aan het woord…

’s Anderendaags was ik stipt op de afgesproken plaats. Kapitein Ishan wachtte me al op en we gingen naar een koffiehuis in de buurt van het ministerie van Oorlog waar een bonte mengeling van mannen in burger en uniformen samenzaten en de tijd verdreven met spelletjes en roken. “Dit zijn allemaal officieren die uit krijgsgevangenschap zijn teruggekeerd,” wist Ishan me te zeggen, “Die willen allemaal naar Anatolië.”. We namen plaats, bestelden een koffie en na enige ogenblikken zette een man zich bij ons en groette ons. We legden hem de situatie uit, ik gaf hem mijn militaire documenten mee en hij verdween met Ishan. Na twee uren wachten was Ishan terug, maar de man durfde me niet verder helpen uit schrik dat ik een spion was.

“Blijf hier nog even wachten,”vroeg Ishan. “Hierover is het ministerie van oorlog, daar is een majoor en hij zal ons verder kunnen helpen.”. Ishan verdween opnieuw en na een half uur was hij terug met de melding dat we over 2 dagen om 2 uur met majoor Halid een afspraak hebben.

Twee dagen later is Hans Tröbst bij majoor Halid die hem in goed Duits te woord staat. Hij verwijst Hans door naar majoor Rimsey. Die is wel heel hartelijk , heeft het over zijn diensttijd onder de Duitse generaal Liman von Sanders, maar zegt ook dat hij niets kan doen en verwijst hem door naar majoor Essad. Als die derde majoor hem vraagt om maandag terug te komen, besluit Hans Tröbst om klare wijn te schenken.

Neem me niet kwalijk, majoor, maar ik ben sinds een week in Constantinopel. Iedereen die ik gesproken heb over mijn reisdoel, laat me daags erna terugkomen, om me dan te zeggen dat hij niets voor me kan doen en dan krijg ik een nieuw adres. Ik ben sinds oktober onderweg, mijn geldmiddelen zijn karig geworden. Op dit moment heb ik nog voldoende geld om zowel naar Anatolië als naar Duitsland te kunnen reizen. Daarom moet ik nu duidelijk weten : is het mogelijk om naar Anatolië te gaan, ja of neen ? Anders word ik van dag tot dag aan het lijntje gehouden om dan als mijn geld op is, te moeten vaststellen dat ik helemaal niet meer naar Anatolië kan. Dat is mijn situatie”.

De majoor begint zenuwachtig heen en weer te schuifelen, overlegt lang met een andere Turkse militair en zegt me dan :”Komt u morgen om 4 uur terug en mogelijk kan u dan maandag al afvaren.”.

Daags erna biedt Hans Tröbst zich weer aan. Hij krijgt thee en sigaretten aangeboden. En na een kwartier over allerlei zaken gesproken te hebben , heeft de majoor het verlossende bericht :”Wat ik ook nog zeggen wou, u kunt morgen meevaren. Dan vaart een Italiaans schip naar Trabzon. Kapitein en bemanning zijn Italianen, de secretaris en de tweede kapiteitn zijn Turken. ZIj zullen u in een kabine verstoppen. Kom morgen om 2 uur naar hier en dan zorgen we voor het nodig”.

De dag van vertrek is Tröbst weer in het ministerie van Oorlog waar hij door een adjudant wordt opgevangen. Na een uur wachten stopt een Turkse luitenant hem een reisbiljet in de handen. En dan krijgt hij een duidelijk teken dat het de Turken ernst is.

Weer ging een half uur voorbij. Opnieuw verscheen de luitenant, dit keer met een zwart voorwerp in zijn hand die hij mij zonder iets te zeggen overhandigde. Een kalpak ! De officierenmuts van de Kemalisten ! Alle respect ! Dat ziet er schitterend uit.

Daarna wordt Hans Tröbst door een Turk in burger naar zijn hotel begeleid waar hij zijn koffer neemt. Dan gaat het naar de Galatabrug. Daar ziet hij kapitein Ishan terug die met hem in een roeiboot instapt om naar het schip te roeien. Hans Tröbst is onderweg naar Anatolië.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

op zoek naar de juiste contactpersoon

Hans Tröbst is in Constantinopel aangekomen. Het is zijn bedoeling om zich aan te sluiten bij het Turkse leger dat tegen de Grieken vecht in Anatolië. Maar Constantinopel is bezet door de geallieerden en het wemelt er van de Franse en Engelse soldaten. Een Duitser op weg naar het Grieks-Turkse front zou zeker gearresteerd worden. Het komt er dus op aan om discreet naar de juiste contactpersoon te zoeken die hem kan helpen om in Anatolië te geraken.

Hij vindt eerst een onderkomen in een hotel waarvan de uitbater Duits spreekt. Hij merkt al snel dat de Turken hun oude Duitse bondgenoten nog zeer genegen zijn. Daarna trekt hij voor hulp bij zijn ondernemen naar het consultaat. Omdat het Duitse consultaat door de geallieerden gesloten is, wordt het noodgedwongen het Zweedse consultaat dat de Duitse belangen behartigt. Maar daar wacht hem een teleurstelling. De Zweedse consul is ziek en de dame die hem vervangt, is niet echt gelukkig als Hans Tröbst haar vertelt dat hij een Duitse officier is die dienst wil nemen bij de Kemalisten. Ze antwoordt het volgende :

U brengt ons in een netelig parket. Als iemand gezien heeft dat u hier binnen gestapt bent ! Het wemelt hier van spionnen en agenten ! Ik verzeker u dat we ons hier niet met politiek bezig houden. Dat hebben de Engelsen ons uitdrukkelijk verboden. Ik geef u daarom de goede raad zo snel als mogelijk naar Duitsland terug te keren. Hier in de gevangenis zitten al twee Duitse officieren die de Engelsen opgepakt hebben op hun reis naar Anatolië. Reis daarom zo snel mogelijk terug. We kunnen u echt niet helpen. Eigenlijk is het onze plicht u te laten arresteren.

Tröbst maakt zich nog kwaad op de dame maar begrijpt dat het vergeefse moeite is. Hij rondt het gesprek af en trekt terug de stad in. Hij besluit dan maar zich even als toerist te gedragen en de bezienswaardigheden te gaan opzoeken. En het eerste waar hij aan denkt, is de Hagia Sophia. Daar aangekomen ziet hij een Turk staan die met een droevig gezicht naar de zee staart. Hij spreekt hem aan in het Frans of hij hem wat over de omgeving kan vertellen. Zijn nieuwe metgezel leidt hem bereidwillig rond en aan het einde neemt het gesprek een andere wending. De Turk wijst in de verte en zegt :
– Ginder heb ik in de oorlog gevochten.
– Ach, u was soldaat.
– Soldaat ? Capitaine de l’infanterie !
– En wat doet u nu ?
– Ik ben afgezwaaid maar krijg geen pensioen. Drie dagen per week werk ik bij de post maar dat stelt natuurlijk niet veel voor. Ik heb nog een postzegelverzameling en die wil ik verkopen. En daarna vertrek ik.
– En waar gaat u dan heen ?
– Naar Anatolië, naar Mustafa Kemal.
– Sta me toe dat ik me voorstel : kapitein Tröbst, ik ben een Duitse officier en ik heb hetzelfde reisdoel als u. Kunt u me raad geven hoe ik dat het beste aanpak.

De Turkse oud-kapitein Ishan bekijkt Tröbst even argwanend maar wordt dan toch overtuigd als Tröbst hem zijn militaire papieren toont. Jazeker is het mogelijk om naar Anatolië te reizen. Maar Mustafa Kemal heeft ook tegenstanders in de stad en eigenlijk kan je niemand vertrouwen. De Britten hebben zelfs wervingsbureau’s opgesteld om argeloze vrijwilligers gemakkelijker te kunnen arresteren. Ishan en Tröbst spreken af daags erna mekaar te ontmoeten en dan naar de juiste persoon te zoeken,.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie

de overtocht naar Constantinopel

We vinden Hans Tröbst terug in Varna, Bulgarije, aan de Zwarte Zee. Het was zijn bedoeling om zich aan te sluiten bij het Witte leger van generaal Wrangel. Maar door de verovering van de Krim door het Rode leger kan daar geen sprake meer van zijn. Door geldgebrek zit Hans Tröbst nu vast in Varna waar hij in een cementfabriek werkt om geld te sparen. Met dat geld wil hij een ticket kopen om aan boord van een schip de Zwarte Zee over te steken om zich aan te sluiten bij het Ottomaanse leger. Er is echter één groot probleem : Bulgarije is bezet door de geallieerden en een Duitse officier zal zeker worden gearresteerd, ook als hij zich in burger wil aansluiten bij de legers van Kemal Atatürk. In het boek “Band 8 : vom Baltikum zu Kemal Pascha” lezen we het volgende.

Zo waren we aan de 12e januari 1921 aangekomen. Als om me uit de dagen brachten de kranten dagelijks lange artikels over Kemal Pasja en zijn getrouwen. Aan de overkant in Anatolië werd wereldgeschiedenis gemaakt en ik zat hier in Varna om zand te zeven ! Morgen is het Russisch nieuwjaar en dan wordt er zowiezo niet gewerkt en dan zal ik de gelegenheid hebben om met Astadsjov erop uit te trekken. Maar dan zei een stemmetje in mij :”Laat dat uitgaan maar even wachten, ga liever deze avond naar Serafimov. Er hangt iets in de lucht.”. Ik had zijn huis snel terug gevonden en werd ontvangen door een dame die zich voorstelde als de stiefmoeder van kapitein Serafimov. om half 9 kwam de kapiteit eindelijk thuis en ik vroeg hem opnieuw om me op zijn zeilschip mee te nemen naar Constantinopel. Maar het was tevergeefs. Hij legde in het lang en het breed uit waarom hij me niet kon meenemen en beëindigde zijn uiteenzetting met de woorden :”En zelfs als ik het zou willen doen, dan zou het nog te laat zijn voor u want ik vertrek al deze avond om 10 uur.”.

Ik hoorde eigenlijk alleen maar dat hij diezelfde avond om 10 uur zou vertrekken. Daarmee wist ik voldoende. Het was dus nu of nooit. Ik nam snel afscheid van de kapitein, spurtte door de stad, kocht nog twee broden en wat spek en thuis schrijf ik snel een afscheidsbrief voor mijn werkgever. Ik stopte snel wat spullen in mijn koffer en vertrok weer. Omdat ik wist dat het kantoor van politie en douane continu bezet was, ging ik tot aan de marinekazerne om dan via het strand langs de vissersboten te wandelen tot ik aan de ankerplaats van de “Triton” was geraakt. Daar zag ik drie Bulgaarse agenten bij de loopplank van de Triton staan. Ze waren aan het praten met de bemanning. Ik wachtte tot de agenten weg waren, ging dan naar de kaai en riep met luide stem :”Hallo , Triton ! Hallo, bagage van kapitein Serafimov.”. Er verschenen twee matrozen die me aan boord lieten. Ik had dus juist gegokt : de kapitein was nog niet aan boord en de matrozen hielden me voor een knecht die nog bagage nabracht. Ik legde de koffer in de kabine die me werd aangewezen. Tijdens een van mijn boemelpartijen in de haven had ik gehoord dat er een Rus aan boord was die Duits kon praten en die in de machinekamer werkte. Die zou me verder kunnen helpen.

In de machinekamer stelde ik direct de vraag :”Goeienavond, heren. Spreekt iemand van jullie misschien Duits ?”. Waarop snel het antwoord kwam :”Ja, ik spreek Duits. Dat heb ik in Sint-Petersburg geleerd. Wat wenst u ?”. – “Luister even. Ik ben een Duitser en wil naar Constantinopel varen. Omdat de Fransen me de toestemming niet geven, heeft kapitein Serafimov me toegestaan zonder de juiste papieren mee te varen. Maar voor alle zekerheid heeft de kapitein gezegd dat ik me bij jullie verstop tot we de haven uit zijn.”

“Maar natuurlijk”, antwoordde de Rus. “Hier ! Kruipt u maar in mijn kooi. Daar zoekt u geen mens.”. Het volgende half uur bracht ik in spanning door. Op dek was het een drukke bedrijvigheid. Als we een tijdje aan het varen waren, ging ik aan dek. We waren al lang de haven uit, de lichten van Varna glinsterden als glimwormen in de bergen. Aan het roer stond kapitein Serafimov. Ik vond het raadzaam hem het snelste voor het voldongen feit te stellen. “Goedenavond, kapitein !” – “Wat ? bent u aan boord ? En daar weet ik niets van ?”. – “Zoals u ziet, kapitein. En zo ongezien als ik aan boord ben gekomen, zo ongezien zal ik uw schip verlaten.”.

Het schip maakt nog een tussenstop in de Bulgaarse havenstad Mesembrija en vaart dan verder naar Constantinopel. De dag is zonnig en warm en het is heerlijk lenteweer, ook al is het nog maar half januari. Hans Tröbst maakt zich zorgen over de geallieerden paspoortcontrole want de stad is bezet door Engelse en Franse soldaten. Kapitein Serafimov zegt hem dan ook :”Morgen om negen uur komen er Fransen aan boord. U moet tegen dan het schip verlaten hebben.”.

Hans Trönst trekt een blauwe machinistenkiel aan, wikkelt zich een sjaal om de hals, zet een geruite sportpet op waarin hij zijn militaire papieren verstopt. Hij bedankt kapitein Serafimov en neemt afscheid. Heel discreet verlaat hij dan het zeilschip en zet voet aan wal in Constantinopel.

bron : Die Reise nach Anatolien – Band 8: Vom Baltikum zu Kemal Pascha (Ein Soldatenleben in 10 Bänden 1910 – 1923) Kindle-editie