slecht nieuws voor Herbert Sulzbach

Op 18 mei 1918 is Herbert Sulzbach voor de laatste dag in Lemé, departement Aisne, Frankrijk. Hij krijgt via een soldaat die terug komt uit verlof een brief van zijn ouders.

Ik kan het nieuws niet geloven : Kurt Reinhardt is dood ! Ik heb nooit eerder in de oorlog geweend maar die dag heb ik wel geweend. Ik had nooit een betere vriend. Hij was zo’n wijze en hartelijke man, en zo vaak enthousiast. Ik heb samen met hem in 1914 de kazerne verlaten, we hebben samen onze vuurdoop doorstaan. We verstonden mekaar vanaf het eerste moment en we waren echt zielsverwanten. We deelden alles en als we van mekaar gescheiden waren, zochten we mekaar ook, in welke uithoek van het front ook ofwel aan het thuisfront als we beiden verlof haden. Hoe fier was hij in zijn laatste brief vlak na zijn luchtoverwinning, en enkele dagen later is deze trouwste vriend zelf gesneuveld. Ik denk aan zijn arme moeder die zowel haar man als haar enige zoon nu kwijt is.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword military

Sulzbach_19180518

een brief van Ludendorff

Luitenant Herbert Sulzbach, bij de Duitse artillerie, krijgt begin mei 1918 een brief van Ludendorff, het brein achter het Duitse lenteoffensief. En alles draait om een vermiste piloot. In het dagboek van Sulzbach lezen we het volgende.

23 april 1918 : ’s avonds komt en order van het hoofdkwartier dat een luitenant Pernet, piloot van Jasta 29, vermist is sinds de eerste dagen van het offensief. Een hoge beloning is beloofd door een hogere officier voor iedere informatie over de plaats waar luitenant Pernet zich bevindt. (…) Ik herinner me dat ik een uitgebrand vliegtuig heb gezien naast de hoofdweg op 23 of 24 maart, nu een maand geleden. We hebben heel wat neergestorte vliegtuigen gezien, zeker in die dagen. Maar dit vliegtuig moet heel dichtbij zijn, in de nabijheid van ons huidige kwartier. Ik neem een spade, ga de hoofdweg af en op 100 meter van ons kwartier vind ik de resten van dat vliegtuig dat ik me herinner. Ik ben verbaasd als ik op het wrak het identificatienumer vind dat ik het order vermeld is. Ik vind ook een kleine geldbeurs. Ik loop terug, rapporteer mijn ontdekking via kabel aan Jasta 29 en verneem dat luitenant Pernet de stiefzoon is van Ludendorff.

(…)

1 mei 1918 : In mijn kamer vind ik een grote briefomslag. Ik scheur de omslag open en vind een grote foto met een handgeschreven brief van Ludendorff. De tekst van de brief is als volgt
Mijn beste luitenant,
Ik wens u te bedanken voor uw zoektocht naar het lichaam van mijn zoon die gesneuveld is. Ik heb het graf bezocht dat in de nabijheid van het neergestorte vliegtuig was.
Aanvaard deze foto als een teken van dankbaarheid van een vader die een zwaar verlies heeft geleden. getekend Ludendorff

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen and Sword Military

De tekening hieronder is van Hermann Boden-Heim, getiteld “Gross Hauptquartier 1917”

Hermann_boden-Heim_GrossesHauptquartier_1917

Rondsluipen in niemandsland

Sinds eergisteren is Gaston Le Roy in Reigersvliet. Op 27 april 1918 maakt hij een verkenning in niemandsland.

We zwerven eerst lange tijd rond onze stellingen en met de eerste klaarte vorderen we een honderdtal meter in de richting van de vijandelijke linies. Niets te bespeuren. Van links sluipen we naar de sector rechts. Het wordt klaarder en je kunt gemakkelijk 300 meter ver kijken. De afstand tussen de frontlinies bedraagt enkele honderden meters. We nemen zelf een vooruitgeschoven punt in. De Duitsers geven geen teken van leven. Er wordt geen schot gelost.

Wat verder doen we een lugubere ontdekking. In de grootste wanorde liggen daar drinkflessen, schoppen, knapzakken, helmen kogels, geweren… en een lichte mitrailleur naar onze posten gericht. Daarbij ligt een dode Duitser uitgestrekt op de rug.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

GesneuveldeDuitseSoldaat

dokter Lievens herstelt van een gasaanval

In het vorige bericht over dokter Lievens schrijft hij over zijn werk als dokter tijdens een gasaanval op Nieuwpoort en hoe hij ten slotte zelf door het gas geveld werd. (lees daarover meer in dit bericht).

11-4-1918 : Nog geen beterschap. Hevige keelpijn !

12-4-1918 : Voor de eerste maal kan ik de ogen openen, maar ik kan bijna niets onderscheiden.

13-4-1918 : De koorts is over, ik mag opstaan en een beetje wandelen.

14-4-1918 : Mijn ogen klaren op en ik kan mezelf in de spiegel bekijken. Ik ben geel-groenachtig in het gezicht en al ferm vermagerd. Maar de appetijt komt terug en ik zou wel een hele ham kunnen binnenspelen. Wat ben ik gelukkig dat ik mijn zicht teruggekregen heb !

15-4-1918 : Ik voel me goed en omdat het hospitaal vol ligt en men plaats nodig heeft voor nieuwe slachtoffers, vraag ik naar mijn regiment te mogen terugkeren. Maar dat wordt me geweigerd en ik moet enkele dagen gaan uitrusten in de Colonne d’Ambulance VIième division in Koksijde.

18-4-1918 : Colonne d’Ambulance. Het hangt me hier ferm de keel uit. Het is verwonerlijk hoe je een zekere nostalgie naar dat leger kunt krijgen. Ik geloof dat ik als embusqué maar een ongelukkige jongen zou zijn. Ik loop nog altijd met een blauwe bril op, want ik kan de zon niet verdragen. (Embusqué betekent letterlijk iemand die in een hinderlaag ligt. In werkelijkheid gaat het hier om zogenaamde carottiers of lijntrekkers die de frontdienst ontlopen).

23-4-1918 : Ik ben tevreden dat ik weer bij onze jongens ben en verder mijn plicht mag vervullen.

Het schilderij hieronder is van John Singer Sargent getiteld “Gassed”.

JohnSingerSargent_Gassed

 

Soldaten aan het einde van hun krachten

Rudolf Binding, een Duitse officier en schrijver, blijft wel geloven in Duitsland maar een glorieuze overwinning zit er niet meer in. In zijn dagboek noteert hij op 22 april 1918.

Natuurlijk telt voor het leger het gevoel van superioriteit dat onze soldaten sinds 21 maart 1918 (begin van het lenteoffensief) nog steeds hebben. Maar toch behalen alleen nog verse troepen overwinningen, troepen die echt rust hebben gehad, schoon ondergoed hebben, nieuwe zolen onder de laarzen, schone geweren, gereviseerde kanonnen en uitgeruste officieren.

De lichamelijke uitputting van de infanterie was zo groot dat de manschappen op het laatst nauwelijks meer een schot losten, zich bijna apathisch door het vijandelijk geschut aan flarden lieten rukken en de stellingen niet meer verlieten. Ze waren net afgebeulde paarden die de wagen laten staan en afgestompt de slaag accepteren die op hen neerregent.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

DeutscheSoldatenErschoepft_april1918

gasaanval in Nieuwpoort

Dokter Lievens noteert het volgende in zijn dagboek met datum 8 april 1918 :

’s Nachts moeten twee raids plaatsvinden : een door de 1e karabiniers en een door mijn regiment in Sint-Joris waar ik een eerste verpleegpost moet installeren. Omstreeks 23u regent het Duitse gasgranaten over Nieuwpoort, zeker tot 10 uur.

Om 2 uur moet ik me door de stikwalm naar mijn post in Sint-Joris begeven. Ik hou mijn gasmasker klaar en snuif eerst een beetje de lucht op om te weten of het nodig is het op te zetten. Me dunkt dat de geur niet doordringend is en ik gerust kan doorstappen.

In Sint-Joris slagen onze mannen erin een mitrailleur buit te maken en ze komen ongedeerd terug, uitgenomen de aalmoezenier Franco de Wyels die een wonde aan de rechterarm met beenbreuk heeft opgelopen en die ik ter plaatse verzorg. Ondertussen hebben de Duitsers Nieuwpoort opnieuw met gas bestookt. Rond 8 uur komen enkele mannen naar mijn post met vergiftigingsverschijnselen. Na een eerste verzorging stuur ik hen door naar het hospitaal. Steeds nieuwe ongelukkigen komen er aan met roddelende ogen en bloedfluimen hoestend, maar ik doe mijn werk voort zonder iets te voelen.

Rond 14 uur voel ik een prikkeling aan mijn ogen en wellen er enige tranen op. Ik hecht er niet veel belang aan en werk verder. Meer dan tweehonderd soldaten heb ik op dat ogenblik naar het hospitaal doorgestuurd. De prikkeling op mijn ogen wordt pijnlijk en het is alsof er een waas, een lichte rook voor het gezicht zweeft. Ik heb niet veel tijd om eraan te denken want steeds nieuwe slachtoffers komen aan. Omstreeks 16 uur zie ik bijna niets meer. Mijn hoofd begint te gloeien en mijn oogleden knipperen krampachtig. Dan begin ik te braken en ik voel me zo doodmoe dat ik mij moet laten vallen en zo blijf doorsukkelen. Om 18 uur is elk slachtoffer geëvacueerd en laat ik me meenemen in een wagen die me naar het hospitaal de Oceaan in De Panne brengt. Ik word er helemaal ontkleed en gewassen. Ze verzorgen mijn ogen en stoppen me in bed.

bron : André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo
Onderstaande tekening komt uit de stripreeks Moeder Oorlog.

MoederOorlog_19180408

een paasei voor Louis Barthas

Louis Barthas krijgt aan het einde van dagenlange marsen dan toch een bijzonder paasei aangeboden. 

Op een dag kregen we tijdens het rapport te horen :”Alle verloven zijn ingetrokken.”. Hoe laconiek ook gezegd, toch was dit voor iedereen een zin waarvan een dreiging uitging. Wat een ramp was het voor de soldaten die nog dezelfde dag of de dag erna met verlof zouden vertrekken. Ik ken een paar soldaten die hun familie al blij hadden gemaakt met hun komst en pas toen de oorlog voorbij was tussen vier dennenplanken thuiskwamen ! 

Op 23 en 24 maart 1918 werd Les Islettes zwaar gebombardeerd. Alle diensten in het dorp waren in allerijl verhuisd. 

In de nacht van 24 op 25 maart, gebruik makend van een heldere maan, kwamen de Gothas verschillende keren bommen werpen op de spoorweg en het station. Twee of drie bommen vielen op nog geen honderd meter van onze slaapplaats die we gelukkig hadden verlaten om de nacht in de openlucht door te brengen. Je nam liever het risico van bronchitis dan onthoofd, opengereten of vermorzeld te worden.  

Op 27 maart was er alarm. We moesten de hele dag bij onze uitrustig blijven, klaar om te vertrekken, met de geweren in de rijen gezet. Rond vijf uur ’s middags kwam het bevel dat we de volgende morgen om zes uur te voet moesten vertrekken. 

Op 28 maart 1918 trokken we om acht uur door Sainte-Menehould dat een droevige aanblik bood. Tot nu toe was de stad door een vreemde gril van de Duitsers gespaard, maar sinds zes dagen vielen de granaten in groten getale op de stad. De inwoners sloegen op de vlucht alsof er een verschrikkelijke ramp op komst was.  

Bij de uitgang van de stad stond een oud vrouwtje dat iets in haar schort droeg en naar ons toekwam. Het waren eieren die ze aan ons uitdeelde. In het voorbijgaan mocht in er een nemen. Een ei betekent weinig maar we waren allemaal ontroerd. Dit arme vrouwtje ontzegde zichzelf het noodzakelijkste om het ons te geven. De manier van geven is belangrijker dan wat je geeft. 

Bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uit het Frans vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen 

Paasei_Poilus

geen paasverlof voor Raoul Snoeck

Raoul Snoeck merkt de onrust in de eerste linies en noteert op 31 maart 1918. 

Slecht nieuws voor ons : alle verloven zijn ingetrokken en niemand weet voor hoelang, tenzij de oorlog vlug zou eindigen. Maar dat geloof ik niet, wat er ook over verteld wordt. Ik verwacht geen opheldering in de oorlogssituatie en denk dat we er nog voor lang hebben. Een vliegtuig komt bommen gooien. De paaseieren zijn jammer genoeg niet van chocolade. We volgen de vlucht van de oorlogsvogel. De projectielen gehoorzamen gelukkig aan de wet van de zwaartekracht waardoor ze gemakkelijker ontweken kunnen worden. Vijandelijke piloten bestoken ons niet alleen met bommen, al lang werpen ze over de kampen ook vlugschriften en aankondigingen uit. Ze willen ons uitnodigen tot overgave of ons mentaal klein krijgen, maar dat lukt ze niet. De moffen meten ons beslist met eigen maat. Kennen ze ons dan nog niet ?  

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon 

DuitseVliegtuigen_19180331

gemor in de loopgraven

Gaston Le Roy noteert op 30 maart 1918 het volgende in zijn dagboek.

Het offensief van de Duitsers werkt op ieders gemoed. Want al schrijven de kranten dat het moreel uitstekend is, nooit eerder waren de soldaten zo ontmoedigd. De Duitsers hebben Amiens en Albert veroverd, wel, geen enkele soldaat die daarover verontrust is, wel integendeel, want je hoort niks anders dan het kan ons niet schelen. 

Dat ze Amiens innemen ! 

Dat ze de baas zijn op zee ! 

Dat ze ons omsingelen. 

Dat ze ons krijgsgevangen nemen, als wij er maar vanaf zijn ! 

De jongens worden het moe als slaven behandeld te worden. 

Bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo 

TrancheesBelges_Barbier

 

Duitse artillerie volgt de stormtroepen

Herbert Sulzbach, luitenant bij de Duitse artillerie, volgt de oprukkende stormtroepen samen met zijn kameraden. Zijn startpunt is Saint-Quentin.

21 maart 1918 : De artillerie begint te vuren om 4u40 and na 5 uur trommelvuur, om 9u40 begint de infanterie met zijn stormaanval voorafgegaan door voortschrijdend trommelvuur. ’s Avonds zit ik op een affuit om mijn gedachten van deze dag te ordenen. Ik zou er helder boeken over kunnen schrijven. Het onmogelijke is dan toch gebeurd : we hebben een doorbraak geforceerd. Tijdens het vuren moest ik af en toe een pauze nemen, omdat ik het niet meer uithield met al het gas en de rook. De kanonniers staan in hemdsmouwen met het zweet dat van hen afdruipt. Granaat na granaat wordt afgevuurd op de vijandelijke linies en je moet geen bevelen meer geven omdat de soldaten geestdriftig genoeg zijn om snel de granaten af te vuren.

22 maart 1918 : We rukken op naar Essigny maar er is zo’n opstopping van voertuigen dat we nauwelijks een kilometer verder geraken na drie uur. We passeren de eerste linie van de Britten en zijn al snel in hun tweede linie. We horen dat generaal Foch tegen ons oprukt met het Franse reserveleger.

23 maart 1918 : Onze stormtroepen nemen Ham in en we zullen al snel onze oude posities terug innemen die we in 1916 hebben verlaten. Nu hebben we minder last van opstoppingen en we rukken sneller op.

24 maart 1918 : Onze sappeurs bouwen een brug over het kanaal en we zien enkele grote Britse kanonnen. We gaan verder naar Dury.

26 maart 1918 : Vanuit Eppeville bereiken we om 4 uur Nesle. In Carrépuis nemen we posities in links van het dorp. Onze infanterie brengt grote aantallen Britse krijgsgevangenen naar achter. Er zitten ook enkele Fransen tussen. De eerste Fransen die ik spreek, vragen me angstig of het waar is dat onze zware kanonnen Parijs onder vuur nemen. In Carrépuis worden we voor het eerst gebombardeerd door vijandelijke vliegtuigen.

27 maart 1918 : in Laboissière worden we onder vuur genomen door de Fransen. Ik leid mijn batterij naar veilige posities door het vijandelijk bombardement en we hebben slechts enkele gewonden te betreuren. Het lijkt erop dat we ons doel bereikt hebben en de Britse legers hebben gescheiden van de Franse.

Ook in Faverolles komen we terecht in een Frans bombardement. We trekken ons terug en brengen de nacht door in houten hutten. Daags erna zien we dat Faverolles grotendeels onbeschadigd is.  Alles lijkt hier vreedzaam, een hoop voorraad ligt voor het grijpen en de burgers lijken op het laatste nippertje te zijn gevlucht.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword Military.

operation-michael-german-offensive-march-21-1918