korporaal Janssen zwaargewond afgevoerd

François Janssen, korporaal bij het 23e linieregiment, geraakt zwaar gewond op 23-8-1918 tijdens een bombardement. Hij noteert het als volgt in zijn dagboek :

Bij het vallen van de avond toen de voorraad uitgedeeld werd brak er weerom
een hevig Duits bombardement op onze vestingen los. Van rond en uit het
bos van Houthulst bromden de obussen van 105 en 110 aanhoudend : de lucht
sidderde en de luchtverplaatsing was geweldig.
Juist aan een kleine gracht kropen we er in, gehurkt tegen elkaar. Ik aan
de rechterkant diende als deur. Opeens kwam er een kanjer vlak op ons af
en ontplofte op ongeveer 5 meter van ons. Een gekraak, een rookwolk, een regen
van scherven. Dit was helemaal geen verrassing want wij voelden dat
dit de onze was. Vluchten gaat in zulke momenten niet al konden wij gemakkelijk de situatie raden.
Een zwaar stuk van de ontplofte obus vloog tegen mijn schouder. Dit stuk
drong er niet door gezien het al te groot was doch de schok gaf me de indruk
dat mijn arm afgerukt was, Daar mocht ik niet onmiddellijk over reppen
om geen paniek onder de mannen te zaaien. Zo bleven wij ineengedrongen
zonder spreken, vol schrik voor een volgende zending. Ondanks alles bibberde
ik niet zoals bij het geschut op de loerpost voor het kasteel van Vicogne
in de sector Pervijze.
Ik kreeg verschrikkelijk veel pijn en gelukkig veranderde het geschut van
richting”. “Is er iemand door de scherven geraakt ?” vroeg ik. “Neen” klonk het antwoord
“Ik wel,” ging ik verder, “ik geloof dat mijn arm kapot is. Toen kwamen mijn makkers dichterbij, ontdeden mij van mijn gordel, mantel en vest. Mijn arm bewoog, deed zeer veel pijn, hing ietwat slap als een flard doch was niet af er was zelf geen bloed te bespeuren.
Dan wou ik me oprichten om terug te gaan naar onze Rode-Kruispost. De mannen zouden deze droevige tocht wel meemaken. Doch door de hevige schok en de luchtverplaatsing wist ik helemaal niet dat ik ook aan het rechterbeen gekwetst was.  Een obusscherf had mijn knie verbrijzeld; een stuk was door mijn broekspijp gevlogen en uit de wonde spatte bloed. Mijn rechterbroekspijp werd van boven tot onder in flarden gescheurd en met dit noodverband werd mijn wonde verbonden. Dan droegen de mannen mij voorzichtig achteruit terwijl een paar andere zich over mijn uitrusting ontfermden. Ook moet ik deze makkers die mij geholpen hebben, zeer dankbaar blijven en ik mag bekennen door ondervinding, dat het niet gemakkelijk is een gekwetste aan arm of been
weg te slepen zonder draagbaar of ander vervoermiddel, Aan de schuilkelder van onze brancardiers werd ik zachtjes op een berrie gelegd om verder naar een hulppost gedragen te worden.
bron : François Janssen, belevenissen aan het Ijzerfront

BelgischeBrancardier_1918

Sulzbach krijgt het Ijzeren kruis

Herbert Sulzbach is samen met zijn artillerieregiment op de terugtocht.

4 augustus 1918 : Ik heb nu vier jaar oorlog achter de rug. Ik ben 24 jaar oud en de schoonste jaren van mijn jeugd heb ik besteed aan deze moorddadige waanzin. De mooiste periode van ons leven gaat op deze manier aan ons voorbij.

5 augustus 1918 : We trekken ons terug ten noorden van Chivy nabij de Chemin des Dames. We zijn nog steeds een Eingreifdivision, wat betekent dat we dichtbij de frontlinies zitten, klaar om in noodgevallen in te grijpen. We hebben hier goede loopgraven en diepe schuilplaatsen want een tijdje geleden waren dit de Franse frontlinies.

Ondertussen heb ik het Ijzeren Kruis eerste klasse ontvangen van generaal Weber en daarna werd ik ontvangen bij mijn regimentscommandant die zijn waardering voor me uitsprak en me hartelijk feliciteerde. Toen de generaal me de decoratie opspeldde, ze hij :”Een van de weinige dappere mannen van het 5e regiment die nog zijn overgebleven…”.

Het legercommuniqué van 9 augustus 1918 meldt dat een grootschalige slag bezig is nabij Montdidier, waar de Fransen eerst een rookgordijn hebben opgezet en daarna zijn opgerukt met een zeer groot aantal tanks en een indrukwekkend aantal soldaten.

Na 10 dagen als Eingreifdivision gediend te hebben, mogen we naar de tweede linies verhuizen. Op 20 augustus 1918 krijgen we plots marsorders om terug te trekken naar Vorges om 20 u. Waarom zo plots ?

23 augustus 1918 : Het lijkt erop dat we in Vorges blijven. Er wordt hier heel wat gehamerd en zaken opgebouwd. Ook hier zijn we een Eingreifdivision in reserve. Het lijkt erop dat we geen rust gaan krijgen in de laatste linies. In plaats daarvan moeten we onze rust vlakbij het front zoeken. De omgeving is hier mooier dan in Chivy, we hebben hier wouden en heuvels en in de verte hebben we een mooi zicht op Laon.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword Military

HerbertSulzbach_IjzerenKruis_1918

 

Foch brengt hoop !

De Belgische onderluitenant Arthur Pasquier heeft op 22 augustus 1918 een prettig verlof achter de rug, met op het programma onder meer een bezoek aan diverse kastelen langs de Loire. De oorlogssituatie lijkt op te klaren.

Marechal-Foch-GuerreMet behoorlijk rijdende treinen keer ik terug naar het front. Over enkele dagen zal de veel kortere lijn via Amiens weer in dienst zijn dankzij het succesrijke initiatief van de Franse troepen.

Heel mijn verlof kende een prettig verloop door de opluchting die de bruuske verandering in de frontsituatie met zich brengt. De oorlog heeft een andere wending genomen sedert de dag waarop Foch opperbevelhebber is geworden van de geallieerde legers. In plaats van versnipperd toe te slaan of oeverloze discussies te voeren tussen stafofficieren hebben de geallieerden begrepen dat zich zich achter één chef moeten scharen.

Onderstaande affiche is een oproep om in te schrijven op oorlogsleningen om geld bijeen te brengen voor het “laatste kwartier” van de oorlog. De Fransen zagen de overwinning naderen.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
http://parismuseescollections.paris.fr/fr/musee-carnavalet/oeuvres/pour-le-dernier-quart-d-heure-aidez-moi-les-souscriptions-a-l-emprunt

PourLedernierQuartdHeure_1918

 

Gaston Le Roy haalt doodvermoeid de tram

Oorlogsvrijwilliger Gaston Le Roy is duidelijk vermoeid op 19 augustus 1918 :

Aan de verzamelplaats stappen wij op de light railways met een vermoeid lichaam en een knorrende maag. Ons brood is op, de buiscuits bijna. Om 3u komen we aan bij Hospital Farm en hongerig vliegen de patatten de maag in. Ik vind vijf vliegen in mijn rantsoen, maar honger is de beste saus.

We zijn hier amper een uur. Ik val bijna in slaap en daar klinkt het bevel : in uniform. Ik voel me als verlamd. Mijn met zwart omrande ogen staren zwak en slaperig. We marcheren tot in Elverdinge vanwaar ons een Belgische stoomtram over Woesten, Oost– en WestVleteren, Krombeke en Roesbrugge tot in Haringe voert.

Het is 9u in de morgen. Ik ben doodop.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

ELVERDINGE         " Zicht op de Tramstatie "

Sulzbach tussen terugtocht en vlucht

In de maandovergang van juli op augustus 1918 noteert Herbert Sulzbach, luitenant bij de Duitse artillerie, een aantal zaken in zijn dagboek die doen twijfelen : is de Duitse artillerie zich aan het terugtrekken of gaat het om soldaten op de vlucht ?

30 op 31 juli : De vijand zet het terrein voortdurend onder gas. Ik werk door zonder een pauze om onze terugtocht voor te bereiden. Ik sta er alleen voor want kapitein Knigge en Seebach zijn een aantal dagen weg op speciale missie, waarschijnlijk om onze nieuwe posities in de achterhoede te verkennen. Ik heb mijn voorbereidingen gedaan en laat ons hopen dat dit volstaat om te voorkomen dat er ook maar iets in handen van de vijand valt. Komende nacht begint onze terugtocht.

1 augustus : Voorbije nacht begonnen onze batterijen zich terug te trekken. Om 5u ’s morgens liggen we onder Frans trommelvuur, waarbij er heel wat gasgranaten zijn gebruikt. Ik zet mijn gasmasker op, maar dit gas is dagenlang actief. Het ligt op de grond, je weet niet dat het er is, je ziet het niet en je riekt het niet en ondertussen doet het zijn werk. We hebben heel wat gewonden en de arme kerels lijden aan tijdelijke blindheid en voortdurend braken.

In de nacht van 1 op 2 augustus geef ik het bevel om terug te trekken. Ons arme regiment heeft heel wat te lijden gehad. Alle kanonnen van batterij nr 1 zijn aan flarden geschoten en batterij nr 4 telt nog maar een handvol manschappen. De rest zijn gewond door het gas. Dit Franse offensief heeft ons al 19 officieren gekost. om 9u30 zijn we in onze nieuwe positie en door de gebeurtenissen van de laatste dagen voel ik me aan het einde van mijn krachten.

2 augustus : We zijn aan de Vesle gelegen. Deze rivier wordt voortaan onze eerste linie. De strategische terugtocht is een compleet succes, maar we kunnen niet ontkennen  dat dit een gevolg is van onze nederlaag. We mogen stellen dat juli 1918 voor ons een ernstige nederlaag  is.

In de avond van 2 augustus 1918 trekken vier divisies zich terug door Braisnes, het verkeer was geregeld, iedere divisie had zijn eigen weg en ze trokken zich langzaam terug als eindeloze reuzewormen. We bivakkeren in Presles.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword Military

DuitseArtillerie_19180801

vertwijfeling bij de Duitsers

Rudolf Binding ziet het einde naderen voor het Duitse leger, waarvan hij zelf officier is. In Reims noteert hij dit op 25 juli 1918.

De verwarring neemt toe. Nu kijken we vanuit het westen op Reims. De buurt is lieflijker : een heuvelland met behoorlijke verhogingen, bossen, dalen en verwilderde wijngaarden. Maar het zijn onaangename dagen geweest in overvolle, kapotgeschoten krotten, doelloos heen en weer gestuurd van de een naar de ander, dag en nacht ergens vandaan beschoten of met bommen bestookt.

Vandaag schijnen we overal stand te houden. Maar ik heb geen vertrouwen meer. Het Amerikaanse leger is er : een miljoen. Dat is te veel.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

De tekening hieronder is van Alfred Stenger – der letzte Deutsche angriff – Reims 1918

AlfredStenger_LetzteDeutscheAngriff_Reims1918

de hel van Sulzbach

Herbert Sulzbach, luitenant bij de Duitse artillerie met frontervaring sinds augustus 1914, maakt een helse ervaring mee op 21 juli 1918.

Ik weet niet welk woord ik moet gebruiken voor het hevige artillerievuur dat de Fransen deze morgen gebruiken als voorbereiding voor de aanval. Het woord “hel” drukt iets teder en vredevol uit in vergelijking met wat wij ervaren. Ik heb heel wat ervaring inzake trommelvuur, zowel van de vijandelijke artillerie als van onze eigen kanonniers. Het lijkt wel alsof aller artilleriebarrages die ik ooit beleefd heb vandaag in een keer op ons terecht komen. Om 6u ’s morgens ben ik op mijn observatiepost maar je kan nauwelijks iets zien omwille van de rok, je moet je voortdurend op de grond gooien om niet getroffen te worden en dan begrijp je daarna niet waarom je nog niet geraakt bent.

Ik begrijp niet hoe de Fransen hierin geslaagd zijn : eerst ons offensief van 15 juli doen stoppen, en daarna een tegenaanval lanceren op grote schaal, met zoveel soldaten en uitrusting. De Amerikanen hebben hierin een groot aandeel, vooral met hun infanterie en artillerie. Het is ook een feit dat de Fransen zowel in kracht, energie als moreel gegroeid zijn. Ze zijn taaier geworden en hebben hun uithoudingsvermogen vergroot.

Het schilderij hieronder is van George Leroux, getiteld “L’enfer” (de hel).

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword Military

GeorgesLeroux_Lenfer

verwarring bij de Duitse artillerie

Herbert von Sulzbach, luitenant bij de Duitse artillerie, maakt het Duitse offensief van 15 juli 1918 in de eerste linies mee. Op enkele dagen tijd kantelt het voordeel van de Duitse naar de geallieerde zijde. We lezen die kanteling in het dagboek van Sulzbach.

15 juli 1918 : Om 1u10 stipt begint een vreselijk gedreun uit de lopen van duizenden en duizenden kanonnen. De offensieven sinds 21 maart 1918 zijn allen op dezelfde manier begonnen. We zijn zo zeker dat alles gaat slagen, het spervuur, de infanterieaanval en de overwinning.
Om 4u50 begint het trommelvuur, gevolgd door de infanterieaanval. Mijn batterij nummer 5 heeft jammer genoeg zware verliezen geleden. We hebben onze gasmaskers heel de tijd op omdat de Fransen een combinatie van gas en shrapnel afvuren. We krijgen geen duidelijk beeld hoe onze infanterie oprukt. En gek genoeg krijgen we zelf ook geen orders om op te rukken.
De aanval wordt gestopt even buiten Prosnes : het verzet van de vijand lijkt onbreekbaar. Hoe gaat het op onze linker- en rechterflank ? We hebben niet meer hetzelfde moreel als op 21 maart of 27 mei.

16 juli 1918 : We hebben wat kunnen slapen en de situatie is nog onveranderd. Tegen de avond komt het bevel om terug te trekken naar de achterhoede. Wat is er toch aan de hand ? Ik verlaat mijn schuilplaats om mijn marsorders te krijgen. We trekken ons terug naar kamp Torgau waar alle hutten al vol zitten, dus bivakkeren we waar er nog ruimte is. Ons moreel is bijzonder laag, we hebben geen flauw benul wat er nu is gebeurd en we vermoeden dat ons grote offensief niet goed verloopt.

17 juli 1918 : orders om terug te trekken naar Bazancourt, de meest verwarrende nacht die ik heb gekend. Als een reactie op de tropische hitte van de laatste dagen, breken er onweders los terwijl we ons terugtrekken. Om 11u ’s avonds is het zo aardedonker dat je geen hand voor je ogen ziet. We krijgen een hagelbui over ons heen die ons nat maakt tot op het bot. Geen ruiter kan de man voor hem zien en de wanorde wordt er alleen maar groter op als nog andere eenheden langs dezelfde weg terugtrekken. Bij Pont Faverger komt alles tot stilstand en we wachten drie uur en half omdat alle wegen vol zitten. We komen toe in Bazancourt druipnat nadat we tien uur onderweg waren voor slechts veertien kilometers.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword Military

Onderstaande schilderij is van Wilhelm von Schreuer, getiteld Schlacht in Flandern.

WilhelmvonSchreuer_AmKemmel_SchlachtinFlandern_1918

Raoul Snoeck defileert in Parijs

Raoul Snoeck viert le quatorze juillet, Franse nationale feestdag, in Parijs.

14 juli 1918 : om drie uur worden we gewekt om ons toilet te maken. We zien eruit als herboren in ons kaki uniform. Met een onbezorgd en vrolijk gezicht vergeten we vlug de oorlogskommer en denken slechts aan het geluk van die enkele vrije uren. We verzamelen in de kazerne Clémencourt die we om zeven uur verlaten. De soldaten vormen rijen van vier en de onderofficieren marcheren naast hun mannen. Onze uniformen zijn in goede staat en vormen een schril contrast met die van de Fransen. We willen er altijd piekfijn uitzien met verlof, voor ons is het een kwestie van eigenliefde. Merkwaardig dat onze Franse wapenbroeders het tegenovergestelde doen. Ze zijn zeker niet van plan hun uniform schoon te maken, opdat iedereen onmiddellijk zou merken dat ze van het front komen.

Om tien uur zet de stoet met troepen uit alle geallieerde landen zich in beweging. Elke groep zingt zijn patriottische liederen. De Fransen bezorgen de Belgen een warm onthaal vol geestdrift en bewondering en brengen laaiend enthousiast hulde aan de soldaten uit het kleine België.

‘s Middags wordt de stoet ontbonden. Het feest dat ’s morgens begon, gaat zonder onderbreking de hele dag door. Nooit hebben de Belgische en Franse harten zo eendrachtig geklopt als op die gedenkwaardige dag. In de kazerne bieden Franse soldaten de Belgen sigaren en Champagne aan. Ik breng mijn vrije uren door bij mijn vrienden.

bronnen
Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, Snoeck Ducaju en zoon

http://www.14-18.bruxelles.be/index.php/fr/nouvelles-du-front/operations-militaires/operations-militaires-galerie?start=7

stormachtige 11 juli voor Gaston Le Roy

Op 11 juli 1918 noteert Gaston le Roy het volgende in zijn dagboek :

Blauwvoet_1918Vlamingen, herdenk de Guldensporenslag ! Vliegt de Blauwvoet ! Storm op zee ! Het leven in de loopgraven nodigt niet uit tot uitbundig vreugdebetoon. Graag had ik mijn bunker met groen en veldbloemen versierd. Helaas, het weer is zo guur, de wind stormachtig dat ik maar liever binnenblijf. Rond ons kaarsje zongen we en spraken we over de helden die Vlaanderen zullen redden van de Franse dwingelandij. Naar verluidt zullen de Duitsers vannacht aanvallen. Dan moet ik in tweede lijn blijven als afgevaardigde. Welke reen zou daarachter schuilen? Ben ik onbetrouwbaar ?

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo