Herbert Sulzbach herstelt in Frankfurt

In het vorige bericht (lees hier)  lazen we dat Herbert Sulzbach de hospitaaltrein nam vanuit Frankrijk. Op 26 juni 1915 noteert hij het volgende in zijn dagboek:

Ik ben beter en krijg mijn uniform terug en word ontslagen uit het hospitaal. Daarna neem ik de trein vanuit Leipzig naar Frankfurt, waar ik aankom op de ochtend van 27 juni 1915. Ik kom thuis en vind mijn aangenaam verraste familie terug. Wat is het heerlijk om ’s avonds nog eens uit te gaan. Ik meld me aan in de kazerne en vind tot mijn verrassing luitenant Reinhardt terug. Die staat op het punt om met het 4e artilleriebataljon te vertrekken. Ik slaag erin om aan te sluiten bij zijn bataljon.

Ik krijg nog enkele dagen herstelverlof en ga fietsen in het bos met mijn liefje en het voelt aan of het vrede is. Ik reed met de Taunus naar het jachthuis, met mijn ouders en vrienden, en daar zaten we in een vredevolle omgeving. Je kon de bijen horen en het was moeilijk om te geloven dat slechts enkele uren verder per trein een vreselijke oorlog woedde.

Op het eerste gezicht is er in de stad niet veel veranderd. Je kan nog altijd uitgaan en dansen, al zie je niet veel burgers meer. Maar de mensen hebben nog geen tekorten.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen and Sword Military

InderHeimat02

Een Taube boven Veurne

Op 23 juni 1915 om 6 uur ’s morgens hangt er al een Taube boven Veurne. Jozef Gesquière verwacht er niet veel goeds van, ook niet wanneer die na een paar uur verdwijnt. In zijn dagboek vervolgt hij :

Nog geen tien minuten na het verdwijnen van de Taube hebben we het al. Veertien schuifelaars, zo worden de aankomende obussen genoemd, volgen elkaar vlug op. Ze komen op verschilende plaatsen terecht. Slechts zes op de veertien ontploffen en richten geringen schade aan. Geen enkel slachtoffer vandaag.

De Taube is een vliegtuigtype dat in 1910 een eerste vlucht maakt. Voor de vorm van de vleugels keer ontwerper Igo Etrich naar de vorm van de zaden van de esdoorn. Van deze eerste militaire vliegtuigen werden er talloze gebouwd voor Duitsland en zijn medestanders. Vanaf begin 1915 werden ze vervangen door nieuwe types.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Taube02

Raoul Snoeck mijmert in De Panne

Raoul Snoeck noteert op 20 juni 1915 het volgende in zijn dagboek :

We rusten nog altijd uit in De Panne bij heerlijk weer. Blijven we hier nog lang, dan krijg ik opnieuw de smaak in het zindelijk leventje te pakken. Mijn nicht Duquenne woont hier niet veraf en komt me dikwijls opzoeken. Met enkele vrienden bereiden we dan lekkere maaltijden, maken mooie wandelingen en zingen liedjes van thuis. Na maanden loopgravenleven ben je een beetje wild. Tijdens de rustperiode breng je je dagen door op zoek naar avontuur, of slaap je van ’s morgens tot ’s avonds. (…)

De villa’s op de dijk die in de zomer nog een riant decor vormden, zijn ingenomen door soldaten en hebben een heel ander uitzicht. Vroeger waren ze bebloemd, koket, net en verzorgd en droegen leuke namen. Samen met de heldere kleurenschakeringen en de met geraniums en hortensia’s versierde terrassen zorgde dit alles voor een innig voorkomen. Deze heerlijke nestjes riepen dromen op van gelukkige bestemmingen, welverdiende rust, liefdesromans en huiselijke gezelligheid.

EN ik denk terug aan mijn kindertijd, aan de gezegende vakantieperiode die we elk jaar aan zee doorbrachten. Ik laat mijn gedachten afdwalen en beleef alles opnieuw. ’s Morgens stoeiden we in het water of visten op garnalen. Dikwijls liep ik naar moeder, nat tot aan de schouders. Gelukkig had ze altijd verse kleren bij want ik was een echte rakker. Ook het zand roept in mij zovele gelukkige herinneringen op. Ik ravotte erin met de kinderen van mijn leeftijd, blootvoets amuseerden we ons.

bron : Raoul Snoeck, vertaald door André Gysel,  In de modderbrij van de Ijzervallei, Snoeck-Ducaju & zoon

DePanne_1910_02

impressie uit de Dodengang

Begin juni 1915 is de dodengang een primitief uitgegraven greppel waarin de soldaten plat op de buik vooruit moeten kruipen. Zelfs bij kniezit dienen ze hun hoofd in te trekken omdat ze anders een te gemakkelijke prooi zijn van het vuur vanuit de petroleumtanks of van de overzijde van de Ijzer. De borstweringen van aardezakjes bieden nauwelijks bescherming en worden voortdurend door Duits artillerievuur omgewoeld.

Korporaal Libois noteert begin juni 1915 de volgende impressie. De foto toont adjudant Vico van het 12e linieregiment, genomen op 18 juni 1915, toen 100 jaar na de slag van Waterloo.

Adjudant Vico 12e regiment dodengang

Adjudant Vico 12e regiment dodengang

’s Avonds moeten we verder, de boyau in. Men brengt koffie aan, wat wij weten te waarderen. We nemen kogels mee, en aardezakjes en ijzeren platen. We laten onze ransels achter en om 23 uur begint de mars door de Boyau de l’Yser. Het duurt wel een eeuwigheid. Dante overdreef niet toen hij zijn hellevisioenen uitbeeldde !

De boyau volgt een rechte lijn langsheen de Ijzeroever. We geraken met moeite door de ingang. We moeten er trouwens niet aan denken enkele van de opgehoopte lijken weg te halen. Om in de boyau te geraken moet je iets van een slang hebben, en van een pad en een mol. De soldaten die we aflossen, moeten plat op hun buik kruipen zodat wij erover kunnen kruipen. Niemand zegt een woord. Shrapnels spatten in het rond en voortdurend horen we kogels fluiten en dof tegen de aardezakken slaan. We kruipen zo vlug mogelijk vooruit, steunend op knieën en ellebogen. Aan de schietgaten die de scherpschutters aan de overzijde van de Ijzer in het oog houden, moeten we springen. Het zweet druipt van onze gezichten. (…)

We houden een ogenblik halt. In het helle licht van een vuurpijl doemt een sinister beeld op : mensen die krioelen tussen opengereten lijken, macabere overblijfsels van mensen, schrikwekkende restanten. Ontzetting, afkeer en walg moeten we overwinnen. Het vergt iets bovenmenselijks om badend in angstzweet over de lijken te klauteren. En intussen fluiten aanhoudend kogels boven onze hoofden, suizen er obussen en verlichten lichtkogels dit schouwspel. (…)

We botsen weer op een reeks lijken, nog meer in ontbinding dan de vorige, waar we over moeten. Ons gelaat op het hunne, onze knieën over hun benen, en onze buik over hun lichaam slepend. En uit die opeenhoping stijgt een walgelijke, vieze geur op. Een hels tafereel.

We stoten alweer op menselijke lichamen. Dit keer leven ze. We hebben eindelijk onze post bereikt. Wat een opluchting. De aflossing zit erop. Niemand is gewond. De opdracht klinkt eenvoudig : loeren en zich in geval van een aanval verdedigen.

bron :  Siegfried Debaeke, Het drama van de Dodengang, uitgeverij de Klaproos

 

Duitse doorbraak bij de San

Florence Farmborough is een Britse vrouw die als verpleegster dienst heeft genomen in het Russische leger. Op 11 juni 1915 is ze voor de derde week gelegerd in Molodycz. Inmiddels is die eerste, paniekerige terugtocht na de doorbraak bij Gorlice vergeten, bijna in elk geval. Sinds die dagen, in het begin van mei, heeft het derde leger het ongelooflijke getal van 200.000 man verloren, van wie er 140.000 als gevangenen zijn verdwenen, maar nu heeft het een nieuwe en naar het lijkt sterke positie ingenomen langs de brede rivier de San (in het huidige Polen, toenmalig Oostenrijks-Hongaars gebied). Er zijn ten slotte versterkingen gearriveerd. En ze hebben order gekregen van hogerhand : hier, precier hier, moeten de Duitsers en de Oostenrijkers uiteindelijk worden tegengehouden : geen terugtochten meer ! Langs de rivier hebben gevechten gewoed, en beide zijden hebben kleinere aanvallen uitgevoerd. ’s Avonds laat heeft Florence voor het eerst grote aantallen grijs geklede Duitse krijgsgevangenen gezien : ze kwamen in de maneschijn over een weg gelopen, met hun typische punthelmen op, bewaakt door Kozakken te paard. Het gerucht gaat dat de vijand grote verliezen geleden heeft. Er is weer hoop.

Waar Florence zich bevindt, wordt nagenoeg niet gevochten, wat het gevoel dat de crisis voorbij is, natuurlijk versterkt. Ze heeft volop de tijd gehad voor andere dingen, zoals de was doen bij de rivier en de Italiaanse toetreding tot de oorlog vieren en haar eigen naamdag.

Het is nu drie uur ’s middags. Florence Farmborough zit voor haar tent te rusten na de werkdag. Alles is zoals gewoonlijk rustig. Ze ziet vier brancardiers die een paar doden wegdragen om hen te begraven op de geïmproviseerde begraafplaats op het veld naast het hospitaal. Een man van de vliegende brigade komt naar haar toe en geeft haar een brief voor hun arts. Ze vraagt in het voorbijgaan hoe het in hun eenheid is. De man vertelt met ingehouden opwinding dat er vanmorgen kogels van granaatkartetsen vlak bij hen zijn neergekomen en dat ze zich opmaken voor vertrek. De Duitsers zijn doorgebroken bij de San !

Ze schrikt van het nieuws maar ze is er niet van overtuigd dat het echt waar is. IN de verte is weliswaar het geluid van zwaar artillerievuur te horen, maar als ze rond etenstijd vol ongeloof bij de anderen informeert, weten ze net zo weinig als zij. Na het eten loopt ze terug naar haar tent, waar ze Anna treft, een andere verpleegster. Anna bevestigt het, moe. De geruchten over een doorbraak bij de San kloppen.

Dan komt de uiteindelijke bevestiging in de vorm van een order zich gereed te maken voor vertrek. Ze beginnen te pakken en breken de tenten in allerijl af.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Jaroslaw1915

Intocht Oostenrijks-Hongaarse soldaten in Jaroslau (Jaroslaw) gelegen aan de San

Herbert Sulzbach neemt de hospitaaltrein

Herbert Sulzbach heeft in zijn dagboek al eerder geklaagd over een hardnekkige uitslag op zijn been. Die uitslag is ondertussen een ontsteking geworden en vanaf 27 mei 1915 ligt hij in het militair hospitaal van Vouziers. Naast de soldaten die gewond zijn tijdens de gevechten, voelt hij zich er niet erg op zijn plaats. En dan krijgt hij goed nieuws…

Op 7 juni verneem ik dat ik naar huis mag in een hospitaaltrein. (…) Op 8 juni ga ik dan aan boord van de hospitaaltrein met goed uitgeruste wagons. Op 9 juni zijn we in Kaiserslautern : ik neem er diep adem, bewonder ons geliefde Duitsland en ik voel me enthousiast en heel gelukkig. We rijden verder naar Ludwigshafen, Mannheim en Heidelberg, Würzberg en Schweinfurt voor de nacht valt.

Op de morgen van de 10e juni bereiken we Hof en om 10 uur stappen we uit in Zwickau. Daar word ik opgenomen in het Reserve Militaire Hospitaal en gezien ik niet zo ziek ben, hoop ik dat ik heel snel verder kan reizen naar Frankfurt.

Sulzbach zal nog in het hospitaal blijven tot de 26e juni.

lazarettzug01

Louis Barthas ontsnapt aan de vuurdood

Op 10 juni 1915 heroveren de Fransen Neuville-Saint-Vaast. De 2e slag om Artois woedt dan nog in alle hevigheid en zal nog enkele weken duren. Louis Barthas neemt deel aan de gevechten in Artois en zit op zo’n 20 kilometer vandaar, ergens tussen Lorette en Saings-en-Gohelle. In zijn dagboek lezen we hoe gruwelijk en ongenadig de gevechten waren.

Op een kruispunt in de verbindingsgangen lag een ongelukkige soldaat op de grond die door een granaat onthoofd was, als door de guillotine. Naast hem lag iemand die vreselijk verminkt was. Ik deed een paar passen naar rechts en zag tot mijn verbijstering een stapel lijken, bijna allemaal Duitsers, die in de op deze plaats zeer brede loopgraaf zelf waren begraven. Bij de ingang van de loopgraaf lag leunend op de borstwering een jonge Duitser die leek te slapen. Geen spoor van verwondingen, maar de dood had hem met zijn vleugels beroerd.  Hij had hem een glimlach gelaten die nu nog op zijn jeugdige gezicht te lezen stond.

“Hier zijn alleen maar doden!”, riep ik. Toen ik terugliep, sloeg ik rechtsaf en vond eindelijk nog levenden die doodsbleek met grote ogen van schrik in groepjes van drie of vier op hun hurken zaten. Het waren net schichtige dieren. Ze zwegen en staarden in het niets. De aanhoudende artilleriebeschietingen lieten hen totaal onverschillig.

Maar wat gebeurde er ? Opende de hel zich onder onze voeten ? Stonden we op de rand van een uitbarstende vulkaan ? De loopgraaf stond in lichterlaaie en vulde zich met een bijtende rook. Er hing een verstikkende lucht. Ik hoorde gefluit en gekraak, maar ook een verschrikkelijke gehuil van pijn. De ogen van sergeant Vergès waren verbrand. Aan mijn voeten rolden twee ongelukkigen over de grond van ellende. Hun kleren en handen, hun hele lichaam stond in brand. Het waren levende toortsen. In de loopgraaf vatte alle vlam : dekens, tentzeilen en zakken. De Duitsers hadden een ontvlambare vloeistof op ons afgevuurd. Tot overmaat van ramp sloeg de brand over naar een kist lichtkogels die omviel. Dat veroorzaakte het meeste lawaai, vonken en rook.

Ik bedekte mijn gezicht met mijn handen en vluchtte weg uit deze hel. Ik verloor alle besef. Zo kwam ik terug bij mijn manschappen. Ze zeggen dat ik wezenloos uit mijn ogen keek en wartaal uitsloeg, maar deze toestand duurde niet lang en al vlug vond ik mijn zelfbeheersing terug.

bronnen

https://makersley.com/neuville-10-jun-1915/

Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uitgeverij Bas Lubberhuizen

flammenwerfer

Przemysl heroverd door de Centralen

Przemysl is Oostenrijks-Hongaars grondgebied als de oorlog uitbreekt. Al heel snel vallen de Russen dit deel van het Oostenrijks-Hongaars rijk aan. Lees daarover meer op deze pagina. Op deze pagina vind je uitleg over de val van de vestingstad.

De Oostenrijkers lijken te bezwijken door de Russische inval in Galicië en dus komen de Duitsers hun bondgenoten te hulp. Begin mei 1915 beginnen ze met een grootscheeps offensief (meer info vind je hier). We zijn nu één maand verder en de Duitse en Oostenrijks-Hongaarse troepen hebben de Russen al de ganse maand teruggedreven. Op 3 juni 1915 trekken de troepen van de Centrale machten de stad terug binnen.

Dit goeie nieuws verspreidt zich al heel snel onder de soldaten van het Duitse en Oostenrijks-Hongaarse leger.Zoverneemt ook de Duitse artillerist Herbert Sulzbach dit in het hospitaal van Vouziers waar hij is opgenomen voor een ontsteking aan zijn been. Hij noteert over het offensief en de herovering het volgende in zijn dagboek.

De slag bij Gorlice under bevel van von Mackensen duurde van de 2e tot de 20e mei. Onze legers hebben de Russische frontlinies doorbroken en hebben bijna 200.000 krijgsgevangenen gemaakt. (…) 3 juni : Przemysl is in onze handen gevallen, onze troepen gingen de stad binnen en namen ze terug in bezit.

Duitse en Oostenrijks-Hongaarse soldaten trekken Przemysl binnen.

Duitse en Oostenrijks-Hongaarse soldaten trekken Przemysl binnen.

bronnen
Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword military

Michael Neiberg & David Jordan, the eastern front 1914-1920, amber books

Frans toestel stort neer te Noordschote

dagboek van aalmoezenier De Wyels

dagboek van aalmoezenier De Wyels

Aalmoezenier Franco De Wyels (de latere abt van Affligem) kijkt van in zijn bergplaats, een schuur, toe op een luchtgevecht boven Noordschote (Lo-Reninge).

Rond 19 u vliegt een Engels of Frans toestel boven de Duitse linie, juist voor Noordschote. Het wordt hevig beschoten en geraakt. Dan daalt het in snelle vaart, al kronkelend terwijl Duitse kanonnen en geweren het onder vuur nemen.
Het toestel valt 300 meter zuidwaarts van Drie Grachten (Merkem), juist op de oostkant van het kanaal in de Duitse linies. De piloten worden gevangen genomen. Onze artillerie vuurt in die richting om de Duitsers die de machine zouden naderen, te treffen en zo mogelijk het toestel te vernietigen.
De Duitsers op hun beurt bestoken hevig de loopgraven van Noordschote. Terwijl we avondmalen onder het prieeltjes, moeten we achter een muur vluchten omdat boven ons shrapnels ontploffen.

bronnen :
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
De tekening hieronder, komt uit de stripreeks “Eedelweiss” van Yann & Hugault (Silvester Strips).
Dit fragment is genomen uit het dagboek van aalmoezenier De Wyels, uitgegeven bij Lannoo.Meer informatie daarover vind je terug op deze pagina.

Edelweiss01_01

Louis Barthas krijgt een andere frontsector en een nieuw uniform

In zijn dagboek noteert de Franse soldaat Louis Barthas het volgende :

In de nacht van 15 op 16 mei (1915) vond in de stromende regen de aflossing plaats. In Vermelles zaten we nog wat koffie en bouillon te drinken toen het plotseling om ons heen granaten regende. Het was alsof de Duitsers onze aanwezigheid geroken hadden. In onze compagnie viel maar één gewonde want iedereen was bij de eerste fluitende geluiden tegen een muur of in de modder gaan liggen. (…)

Bij dageraad kwamen we in Noeux-les-Mines aan, een belangrijk mijndorp waar niemand de moeite nam ons te verwelkomen hoewel het 280e regiment zes maanden lang voor het dorp als menselijk schild had gediend. Onze compagnie had als onderkomen de piepkleine stal van een oude boerderij. Nog geen kwart van onze manschappen kon erin; ransels en andere spullen moesten buiten blijven staan. We waren nog beter af in de loopgraven. (…)

Toen ik terugkwam in mijn kwartier zag ik tot mijn verbazing dat iedereen zich klaarmaakte voor vertrek. Ik dacht al dat ze eindelijk een beter onderdak hadden gevonden maar tot mijn ontgoocheling hoorde ik dat we binnen een uur Noeux-les-Mines moesten verlaten.
Na zeven maanden onafgebroken in de loopgraven, na een pijnlijke winter dachten we dat we wel een maand rust hadden verdiend. Maar zo dachten onze meerderen er niet over. Want nog dezelfde dag dat we rust zouden krijgen, moesten we terug naar het front. Na een uur marcheren kwamen we in Mazingarbe-les-Brebis aan. (…)
In Mazingarbe werden onze rode broeken en onze blauwe kapotjassen vervangen door hemelsblauwe. Tot wel vijf keer was er inspectie om te kijken hoe we het embleem moesten aanbrengen. Het werd zo vaak opgenaaiud en weer losgetornd dat uiteindelijk de kolonel zelf kwam en de knoop doorhakte in deze belangrijke aangelegenheid.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uitgeverij Bas Lubberhuizen

Om een idee te geven van het verschil van de oude en nieuwe uniformen geven we hieronder twee foto’s weer ter vergelijking.

poilus1914B

poilus1915