Barthas en de sovjet

De muiterijen nemen hand over hand toe en Louis Barthas krijgt er in zijn regiment ook mee te maken.

Op 30 mei 1917 werd er ’s middags buiten het dorp een vergadering gehouden om naar het voorbeeld van de Russen een sovjet samen te stellen uit drie soldaten per compagnie die de leiding van het regiment zouden overnemen. Tot mijn grote verbazing boden ze mij het voorzitterschap van de sovjet aan. Dat wilde zeggen dat ik niemand minder dn de kolonel moest vervangen. Zie je het al voor je ? Een gewone boer als ik die in augustus 1914 zijn werk had  achtergelaten, moest nu het 296e regiment commanderen. Dat overtrof alle verbeelding.

Ik weigerde natuurlijk, want ik had geen zin om voor een kinderachtige na-aperij van de Russen met de executiepaal kennis te maken. Ik besloot een schijn van wettelijkheid aan deze revolutionaire demonstraties te geven. Ik stelde een manifest op om aan onze compagniecommandanten te overhandigen waarin geprotesteerd werd tegen het uitblijven van de verloven.

Het manifest begon als volgt :’Aan de vooravond van het offensief heeft generaal Nivelle aan de troepen een dagorder laten voorlezen waarin stond dat het uur van het offer had geslagen… Wij hebben ons leven voor het Vaderland opgeofferd maar nu is het de beurt aan ons om te zeggen dat het uur van de verloven allang heeft geslagen.’

Zo was de opstand in wettelijke banen geleid. Het manifest werd door een poilu die schrijlings op een boomstronk zat met duidelijke stem voorgelezen. Een razend applaus begeleidde zijn laatste woorden. Het streelde mijn ijdelheid maar matig. Want als ze zouden horen wie dit protest had geschreven, hoe gematigd dan ook, was mijn situatie duidelijk.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken 1914-1918, vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen

CharlesVally_Mutin1917

 

dure frieten aan het front

Raoul Snoeck komt op 1 juni 1917  terug van oefeningen en merkt dat logement van zijn kameraden en hemzelf in brand staat.

Een triestige dag. Na de oefeningen keer ik met mijn bataljon terug naar ons logement. We merken een dikke rookwolk en snellen erheen : de hoeve waar we verblijven, brandt als een strovuur. We hollen er heen als gekken in de hoop nog iets uit de vlammen te redden, maar komen te laat. De inboedel is volledig vernietigd en we zijn alles kwijt. Ik verlies kostbare herinneringen : foto’s van thuis, onderscheidingen, een deel van mijn oorlogsverslag. Door onachtzaamheid (ik verlaat anders nooit het logement zonder mijn geld mee te nemen) heb ik mijn portefeuille in de koffer laten liggen. Ik doorwoel mijn zakken en vind een potemonnee met vijf frank vijfenveertig. En over veertien dagen moet ik naar de CISLAI vertrekken (Centre d’Instruction pour Sous-Lieutenance Auxiliaire d’Infanterie).

Verslag van het onderzoek. Terwijl we op oefening waren, golfaanvallen uitvoerden en water en bloed zweetten (het was snikheet), waren artilleriesoldaten die het lokaal met ons delen, frieten aan het bakken. Daarbij is de frietpot omgekanteld op de gloeiende kolen. Vlammen schoten omhoog tot tegen het strodak dat kurkdroog was want het heeft al in vier, vijf weken niet meer geregend. Die frieten zijn duurder dan in de Gentse Donkersteeg !

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

BelgischeFrieten

 

Ontmoeting van wapenbroeders in Parijs

Raoul Snoeck is in Parijs waar hij een oude kameraad ontmoet.

17 mei 1917. Sinds twee dagen ben ik in Parijs. Vandaag heb ik Freddy Lecluse bezocht. ’s Namiddags zijn we samen naar Garche geweest. Op de heuvel vinden we een dure herberg met slechte wijn. Het weer is heerlijk. In de tuin schommelen vrouwen onvermoeibaar heen en weer. Sommigen nemen de voorzorg hun rok vast te spelden, maar dan wel boven de knieën om ons hun onberispelijk mooie benen te laten zien. Oh, die vrouwen ! We keren naar huis terug met een lege maag langs een stille welriekende lommerrijke dreef. Aan de hemel staan heel veel sterren.

20 mei 1917. Ik neem afscheid van Freddy. Met beklemd hart verlaat ik hem. Ah ! Bob de Béthune en Freddy, twee echte vrienden. Morgen lig ik opnieuw aan de ketting. Zou de trein niet kunnen ontsporen voor mij alleen ?

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

RaoulSnoeck_FreddyLecluse1917.jpg

huiselijke sfeer achter het front

Raoul Snoeck geniet van de rust achter het front en noteert op 10 mei 1917 het volgende in zijn dagboek

Nog altijd in Stavele. Ik heb het genoegen kennis te maken met de heer en mevrouw Recour, brave mensen die tijdens de oorlog vele soldaten geholpen hebben. Mevrouw heeft me welwillend ontvangen en een kamer ter beschikking gesteld. Keer ik uit de loopgraven terug, dan kan ik me daar wassen en me op mijn gemak verzorgen. Elke avond komen we bijeen : Fernand Batta, Jacques de Béthune, Binche Hoebeke, Hollemans en ik. Anderen komen ons dikwijl gezelschap houden. Die huiselijke sfeer, de gedekte tafel, een weinig comfort en vriendelijke woorden geven ons de illusie thuis te zijn. Er staat onder meer een oude piano. We zingen onder meer “sluit je lieve ogen” in twee of drie stemmen. Sommigen vallen buiten de toon maar wat voor belang heeft dat ? De uren die we in dit aangename verblijf doorbrachten, kunnen tot de zonnigste herinneringen in ons pijnlijke bestaan worden gerekend.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

RaoulSnoeck_Stavele_19170510.jpg

 

een Duitse krijgsgevangene in Lettenburg

Dokter Lievens is op de avond van 27 mei 1917 in de medische divisiepost in Lettenburg. Daar wordt een Duitse soldaat gewond binnen gevoerd na een overval op een Duitse luisterpost.

Ik verzorg en ondervraag hem. Hij heet Friedrich Papenberg, is 42 jaar en hoort tot de 387e Landsturm. Hij was twee jaar in Charleroi, waar hij tot de lokale politie hoorde. Nog maar twee dagen geleden was hij naar ons front gestuurd, waar hij deel uitmaakte van het peloton op de stelling Kloosterhoek. Hij werd getroffen op het ogenblik dat de Belgen binnenvielen en hij weet niet wat er met zijn wachtcollega is gebeurd.

Hij is erg verzwakt door het traject doorheen de inundatie. Nochtans levert hij een zichtbare inspanning om onze vragen te beantwoorden. Rechts van hen is de sector door marinetroepen bezet en links door een Landsturmregiment net als dat van hem. De beschietingen van 24 mei op Vicogne hebben niet de gewenste resultaten opgeleverd.  Er vielen geen dodelijke slachtoffers en de schuilplaatsen werden niet volledig vernietigd. Daarentegen waren de Duitse verliezen in Diksmuide zwaar als gevolg van het gebruik van torpedoprojectielen. (…)

Het nieuws dat zijn vrouw in Hannover hem laat weten, deugt niet : ze krijgen een beetje slecht zwart brood, geen aardappelen en weinig vlees. Hij toont een postkaart waarop zijn vrouw hem gelukwenst met zijn verjaardag en dat is juist vandaag. Zij hoopt dat ze volgend jaar die dag samen kunnen vieren en dat de goede God hem mag sparen tot het einde van de oorlog.

Dan begint de gewonde man te snikken en met ogen vol angst vraag hij “Komm ich wieder gesund ?”. Hij wordt naar Sint-Jansmolen (Lampernisse) geëvacueerd. Ik blijf in Lettenburg tot de 31e mei.

bron : André Gysel, Dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo

DuitseSoldaatKrijgsgevangen01.jpg

 

Luchtacrobatie boven Ijzerfront

Dokter Lievens noteert het volgende in zijn dagboek op 26 mei 1917.

Wacht Noord. Op 26 mei maak ik tegen de middag onder een lekker zonnetje een toch langs de kleine posten en luisterposten en neem foto’s die nog interessant beloven te zijn. In de namiddag nemen onze vliegtuigen een reeks vernietigingen van vijandelijke constructies voor hun rekening. Ze worden met ongehoorde hevigheid bestookt en wel twintigmaal heb ik de indruk dat ze worden geraakt door de ontelbare shrapnels die in hun omgeving ontploffen. Maar onze piloten raken erdoorheen met een stoutmoedigheid gekoppeld aan een wonderlijk toeval.

Na een uur schermutselingen zijn de Duitsers door hun voorraad heen en moeten ze noodgedwongen onze vermetele piloten ongestraft laag over hun linies laten vliegen. De Duitse woede uit zich dan in karabijnschoten en mitrailleurgeratel. Als toetje bezorgen onze piloten hen wat spektakel door loopings en plotse koersveranderingen uit te voeren, wat de Duitsers, als ze positief zijn, toch moeten bewonderen.

bron : André Gysel, Dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo

Onderstaande tekening is van Romain Hugault, de piloot met de edelweiss

PilootEdelweiss20170529.jpg

Rouw in de compagnie

Gaston Le Roy noteert op 28 mei 1917 het volgende in zijn dagboek.

Rouw in de compagnie. Wij verliezen de heer Delannoy, onze geliefde kapitein, geliefd om zijn rechtvaardigheid.

Piloten die bij dit prachtige weer de streek overvlogen, gooiden enkele bommen, waarvan er één onze kapitein en onze chef-kok doodde. Nog anderen kwamen om het leven of raakten gewond (Fortem). Dit is het onbegrijpelijke van het noodlot : je hebt al zoveel beschietingen doorstaan in de eerste lijn en dan word je dodelijk getroffen tijdens de rustperiode, waarin je had gehoopt prettige dingen te beleven.

Ik sloop achterin binnen in het hospitaal en zag de gesneuvelde kapitein op een brancard liggen. In het kantonnement wordt over niks anders gesproken. De chef-kok ging zelden van zijn soepketel weg en zijn vriend, bij wie hij op bezoek was, is eveneens dood. John, de hond van de kapitein, loopt te treuren en is links en rechts op zoek naar zijn verloren meester.

Bron : André Gysel, Gaston le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

De tekening hieronder is “tombes de camarades” van Jean Lefort.

JeanLefort_TombesdeCamarades.png

oorlogswinst

Louis Barthas maakt de volgende bedenking in zijn dagboek :

We kwamen in de buurt van een enorm munitiedepot van de artillerie. Er waren duizenden en duizenden granaten van elk kaliber opgestapeld, als monstrueuze insectenlarven die op een dag als een wolk van vuur en zwavel zouden wegvliegen.

Eén ding staat vast : met elk offensief verrijkten zich de munitiefrabrieken. Hier lag voor verschillende miljoenen francs aan munitie. Anatole France schrijft terecht :”Men denkt te sterven voor het vaderland maar men sterft voor de industriëlen.”.

Het was onbegrijpelijk dat de Duitsers nog nooit één enkel kanonschot op het munitiedepot hadden gelost en dat nog geen enkel vliegtuig ooit een bom had laten vallen. En toch lg het depot op de route van de Duitse vliegtuigen die dikwijls overvlogen om Châlons-sur-Marne en Mourmelon te bombarderen.

Je zou bijna denken dat er in deze vernietigingsoorlog der volkeren een stlzwijgende overeenkomst bestond om de munitie van de tegenpartij te sparen.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uitgeverij Bas Lubberhuizen

ObussenVoorraad

Marsorders voor het oostfront

Herbert Sulzbach, een Duitse luitenant bij de artillerie, zit al enkele jaren aan het westfront. In april 1917 heeft hij verlof maar daarna moet hij naar zijn nieuwe regiment aan het oostfront.

Op 10 april ben ik in Keulen en dan reis ik door via Mainz naar Frankfurt-am-Main. Daar zie ik mijn ouders, mijn vrienden en kennissen weer eens. Ik ontmoet er ook mijn vriend Kurt Reinhardt en zijn broer, luitenant Reinhardt, maar ze zijn jammer genoeg hier voor een droevige reden. Hun vader is ernstig gewond geraakt en ligt op zijn sterfbed.

Vanuit Frankfurt-am-Main reist Sulzbach naar Berlijn en op 26 april verlaat hij Berlijn om op 28 april in Wenen aan te komen. Op 29 april reist hij dan naar Boedapest. Op 30 april neemt hij opnieuw de trein, dit keer met bestemming Lemberg (momenteel Lvov in Oekraïne).

Op 30 april begin ik aan een rit van 22 uur op de trein. Bijzonder charmant, dit groene Hongaarse platteland, zo weelderig, rijk en gevarieerd. We rijden voorbij de Tokay regio, voorbij de Karpaten waar we 2 jaar geleden de Russen verjaagd hebben. Stilletjesaan begint het landschap Oost-Europese trekken te vertonen. De trein stopt vaak en je ziet er een mengeling van allerlei volkeren : Tsjechen, Slovaken, Slovenen. De trein rijdt door de Lubkow pas, valleien en kloven. Ik ben bijzonder gefascineerd door het Hongaarse landschap en alle nieuwe dingen die ik zie, maar tenslotte val ik in slaap. Op 1 mei 1917 kom ik aan in Lemberg. Ik verfris me en doe een eerste wandeling door dit Galicische stadje. Ik breng ook een bezoek aan mijn nicht Vera. ’s Middags reis ik door naat Krasnoe en Zolochev, het laatste station voor ik het front bereik en mijn nieuwe post bij batterij nr 8.

bron : Herbert Sulzbach, with the German guns, Pen & Sword military

Galizien

Galicië

de pijp van de kolonel

Louis Barthas maakt het offensief van Nivelle mee. Gelukkig niet op de allereerste rij, maar hij is er wel bij als op 16 april 1917 het dagorder van Nivelle voorlezen. De divisie van Barthas is gelukkig geen stoottroep maar een achtervolgingstroep. Voortdurend zijn Barthas en zijn kameraden op mars en de 17e april maken ze zelfs nog een sneeuwstorm mee. Ze bouwen enkel schuilplaatsen en wachten verkleumd op hun bevelen.

LaBonnePipeOp 19 april weer dezelfde onzekerheid, weer afwachten. Het toeval wilde echter dat ik ’s middags aanwezig was bij het gesprek van onze kolonel Robert met een generaal te paard die zei :”Kolonel, het is de beurt aan uw regiment om op te rukken en aan te vallen. Stel uw manschappen onmiddellijk in rijen op.”. Onze kolonel nam de pijp uit de mond, spuwde en tot mijn verbazing antwoordde hij, zonder zich te haasten, met een zware ruwe stem :”Generaal, kijk eens in welke staat deze soldaten zijn. Denkt u soms dat ze niet weten op welke onverwachte tegenstand wij steeds opnieuw zijn gestuit ? De eerste dag zouden ze nog zijn opgetrokken, maar nu niet meer en ik ook niet.”.

Weinig kolonels zouden de moed gehad hebben op die manier te antwoorden om het leven van hun mannen te sparen. Onder een ruw, bars en knorrig uiterlijk verborg kolonel Robert een goed en genereus hart. Ik dacht dat de generaal in woede zou uitbarsten bij deze formele weigering. maar niets daarvan. “Oh,” zei de generaal,” dat is goed. Als uw mannen te moe zijn, moeten ze maar gaan rusten in een of ander dorp hier vlakbij.”. En inderdaad trokken we om drie uur ’s middags dolgelukkig naar het dorp Sept-Saux, drie kilometer verder. Het was een groot dorp dat iets voorbij Prosnes lag, op maar vijf kilometer van de eerste linies.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen