Overval op Duitse loopgraaf

Raoul Snoeck noteert op 18 juli 1916 het volgende in zijn dagboek :

Vandaag zijn we met een compagnie doorgestoten tot in een ver vooruitgeschoven Duitse loopgravenkop. De aanval werd voorafgegaan door een artilleriebombardement en is volledig geslaagd. We hebben de vierentwintig Duitsers die de versterkte bunker bezetten met dolken omgebracht. De loograaf werd ondersteboven gekeerd door onze artillerie. We vonden er halfbedolven uiteengereten lijken, de overlevenden bewaarden nog schrikbeelden van angst in de ogen. Als je het nog niet bent, zou je gek worden van dergelijke gruwelen. Maar tijdens de actie geven we niet toe aan sentimentaliteit. We zijn beneveld door kruitgeur, haat en overleveingsinstinct. In het begin van de oorlog zijn we al te dikwijls slachtoffer geweest van onze goedhartigheid. Maar de tijden zijn veranderd, teveel beproevingen hebben ons gestaald !

Onderstaande schilderij is van François Flameng en heeft als titel “tranchée conquise”.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

flameng_tranchee_conquise.jpg

Flameng – tranchée conquise

Jaak Tasset wordt gefusilleerd

Op 14 juli 1916  fusilleren Duitse soldaten  Jaak Tasset in Hasselt. Tasset is zowel lid van de inlichtingendienst als grenspasseur. Zoals bij zovelen uit de inlichtingendienst loerde verraad ook bij hem ergens op de achtergrond. Samen met enkele medestanders werd hij verklikt en aangehouden. Een rechtbank achtte hem schuldig en sprak de terechtstelling uit.

Reeds in 1919 verschijnt er een gedenkboekje over hem en wordt er een straat naar hem genoemd in Neerpelt. Omwille van de aanwezigheid van ‘den draad’, de elektrische grensversperring op de grens met Nederland, is de taak van grenspasseur een hachelijke onderneming, maar blijkbaar bracht Tasset het er altijd levend van af.Tot hij jammer genoeg verraden werd.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

JaakTasset

andere gevechtstechnieken aan Ijzerfront

Terwijl de slag aan de Somme in alle hevigheid woedt, is er aan het Ijzerfront weinig beweging te merken. Dat betekent echter niet dat er geen gevechten zijn, integendeel. Maar waar de geallieerde soldaten nog met de bajonet op het geweer naar voor stormen aan de Somme, daar krijgen de Belgische soldaten aan het Ijzerfront andere wapens uitgedeeld. En deze wapens zijn eerder bedoeld voor snelle overvallen op vijandelijke loopgraven. Raoul Snoeck noteert op 2 juli 1916 het volgende in zijn dagboek.

Vandaag hebben we grote messen gekregen, een soort dolken. Ze werden verdeeld onder de beste soldaten van elke compagnie. Velen onder ons durven ze nauwelijks hanteren, op mij maken ze een vreemde indruk. We zijn verrast dit nieuwe moorddadige wapen in handen te krijgen, waarmee we ons in de toekomst moeten verdedigen. De bajonet is te lang en te hinderlijk. En zeggen dat we beschaafde mensen zijn, niet te geloven. De Duitsers bedienen zich al lang van dit soort wapens. Zij hebben ons gedwongen soldaat te zijn en naar hun voorbeeld moordenaars te worden. Dumdumkogels, duikboten die eerzame reizigers aanvallen, brandbommen, stikgas, alle middelen zijn goed. Maar dat belet niet dat wij hen vroeg of laat wel zullen liggen hebben.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

loopgraafdolken.jpg

Martinus Evers in het 23e linieregiment

Ik heb al eerder op deze blog geschreven dat ik weinig met zekerheid van mijn grootvader weet.De meeste berichten verwijzen naar feiten van de dag om de sfeer te scheppen waarin mijn grootvader heeft geleefd. Maar soms kan ik feiten gebruiken om veronderstellingen te doen over het lot van Martinus Evers.

Eerste feit : via onderstaande website weet ik dat mijn grootvader deel uitmaakte van het 23e linieregiment http://www.tenboome.webruimtehosting.net/guldenboek/index/naam.pdf

Tweede feit : in zijn dagboek noteert Jeroom Leuridan einde juni 1916 dat zijn regiment is ontdubbeld.

Ik ben nu in première, I/1 van het 23e linieregiment.

Verder vermeldt het boek over Leuridan dat hij in die periode in Alveringem in de school een studentenvergadering bijwoont, geleid door Dr. Hilaire Gravez. Een paar dagen later is er een revue-vertoning voor het 3e en het pas opgerichte 23e linieregiment.

Ivo De Wispelaere is zo vriendelijk geweest me al geruime tijd geleden informatie door te sturen. Daardoor weet ik dat het 3e linieregiment in juni 1916 600 recruten had ontvangen. Door deze versterkingen kom men het 3e linie terug opdelen in het 3e en het 23e linieregiment. Ivo vermeldt trouwens eveneens Jeroom Leuridan die van het 3e naar het 23e overgaat.
In februari 1916 is Martinus Evers ingelijfd in Folkestone. Eind april 1916 is de foto genomen van Hamontenaren in het Franse kamp Auvours. We zijn nu 2 maanden verder. Ik neem aan dat het nu 100 jaar geleden kan zijn dat Martinus Evers bij het 23e linieregiment is aangekomen.

EversMartinusGuldenBoek

 

teloorgang van Nieuwpoort

Dokter Lievens gaat van Ramskapelle naar Nieuwpoort en noteert in zijn dagboek op 18 juni 1916 het volgende :

Wat een verschil met het Nieuwpoort van vorig jaar, hoewel toen de meeste huizen ook al beschadigd waren. Maar nu hinderen alle soorten van puin de doorgang van de straten niet meer, want ze worden dagelijks geruimd. De Tempelierstoren is compleet in de vernieling geschoten. Op de Markt is het spektakel betreurenswaardig. Van de Hallen blijft alleen een skelet van vier muren over. De stoere, bijna massieve kerktoren is aan het wankelen gebracht, gescheurd en verkruimeld. Het bedehuis raakt elke dag wat meer verpulverd door de inslag van zware granaten. Daarrond zijn de graven van heldhaftige Fransen blijven aangroeien. De Franse bezetters van de sector onderhouden ze met grote zorg. Hier en daar gapen gaten in de grond voor nieuwe slachtoffers en de Franse poilus die ernaast passeren, moeten zich afvragen of ze daar morgen rust en vrede zullen vinden. Want elke dag vallen er nieuwe slachtoffers.

bron : André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo

Nieuwpoort_Station

water voor het front

Een legerkamp met flink wat soldaten heeft nood aan een behoorlijke voorraad water. Onderpastoor Van Walleghem legt uit hoe dat gebeurt in Westouter.

Te Westouter heeft men op drie plaatsen de beken afgedamd die van de heuvels stromen. Zo heeft men grote waterreservoirs, soms wel met de oppervlakte van een gemeet (oude landmaat die varieert in grootte). Dat water leidt men dan door ijzeren buizen soms een half uur ver, maar op sommige plaatsen ook wel eens een uur ver. Daar wordt het water opgevangen in grote bakken, waar de waterkarren het komen halen. Eveneens daar zijn de drinkbakken voor de paarden. In veel plaatsen zijn ook waterputten gedolven, soms wel 12 meter diep. De boorden ervan zijn sterk bezet met hout.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
foto komt uit Daniël Vanacker, België in de grote oorlog, Roularta
Wie gedetailleerde informatie wilt over waterwinning in de oorlog, kan terecht op http://wereldoorlog1418.nl/drinkwaterzuivering/index.html

Drinkwater_1916.jpg

 

makkers rouwen om Firmin Deprez

Firmin Deprez was samen met Joris Lannoo (de latere uitgever) ingedeeld bij het 6e linieregiment in de sector Noordschote. Hun compagnieën lagen vlak naast elkaar. ALs student in de rechten werd Firmin Deprez eens opgeroepen om een andere soldaat te verdedigen voor de krijgsauditeur. Inzake de Vlaamse taalkwestie was Firmin duidelijk wat radicaler dan Lannoo. Begin april 1916 had hij Jeroom Leuridan opgezocht in de sector Pervijze, niet zo ver van dez beruchte petroleumtanks in Diksmuide. Leuridan noteerde op 13 april 1916 in zijn dagboek dat er aan en achter het front heel wat commotie was bij de Vlaamse soldaten. Er was toen al veel beweging onder de Vlamingen aan het front, maar nog geen volwaardige ‘frontbeweging’.

FirminDeprez1916In mei 1916 zijn de Duitsers extra actief aan het Ijzerfront en elders in België. Met hun gedurige aanvallen willen ze de geallieerde soldaten vastpinnen en voorkomen dat ze de Fransen versterkingen kunnen sturen nu die in Verdun zwaar onder vuur liggen.

Op 20 mei 1916 heeft Firmin Deprez nog een vergadering in Izenberge met aalmoezeniers en brancardiers. Daar wordt op aandringen van Firmin een tekst opgesteld met de titel Wat Vlaamsche studenten kunnen doen. Het is een oproep om de actie niet uit te stellen tot de oorlog voorbij is, er moet nu al gewerkt worden. Daar is Firmin rotsvast van overtuigd. Op die vergadering wordt zijn allerlaatste foto genomen, die we aan deze pagina toevoegen.

In de nacht van 21 op 22 mei 1916 sneuvelt Firmin door de kogel van een Duitse scherpschutter. Voor Joris Lannoo is dit een harde slag. Hij herinnert zich Firmin als ‘een wandelende apostel voor allen : zijn godsvrucht, zijn Vlaamse overtuiging en verantwoordelijkheidsgevoel als bevelvoerder van een infanteriepeloton, mochten allen tot voorbeeld en bevinding strekken. Hij was de man van de rechte lijn op elk gebied en al de soldaten waren vol achting voor hem’.

Op de begrafenis in Oostvleteren dagen ook vele studiegenoten uit Leuven op, waar Firmin rechten had gestudeerd. Joris Lannoo is er niet bij omdat hij zijn sector aan de Ieperlee niet kan verlaten. De pers achter het front bericht vanaf 26 mei 1916 uitvoerig over de dood van Firmin Deprez. Daarnaast zetten verschillende studiekringen hun schouders onder Heldenhulde, een initiatief voor gesneuvelde Vlaamse soldaten dat Joris Lannoo van bij het begin steunt en waarvoor hij zich actief zal inzetten.

bron : Romain Van Landschoot, een Vlaamse viking aan het front, Lannoo

 

emotionele roetsjbaan voor Raoul Snoeck

Mei 1916 is een emotionele roetsjbaan voor Raoul Snoeck met hoogtes en laagtes, gevaar aan het front, verlof in Parijs en ziekte.

6 mei 1916 Wat een rotweer. De regen zet alles onder water, we verzuipen in onze loopgraven. Het moreel is goed. Ik voorzie een derde oorlogswinter. Het is verschrikkelijk maar wat kunnen wij eraan verhelpen ? (…)

10 mei 1916 De laatste dagen hebben de Duitsers heel regelmatig hun aanvallen op de Dodengang vernieuwd. De bestormingen worden voorafgegaan door hevige bombardementen met torpedo’s, bommen en obussen.

16 mei 1916 Aan een brave kerel van de compagnie vroeg ik of hij mijn oppasser wou worden. Altijd had hij dat aan anderen geweigerd, maar hij antwoordde :”U bent een goed mens, ik wil wel uw ordonnans zijn.”. Hij heet Paul Vandenberghe, een eenvoudige jongen uit het Roeselaarse platteland. Zijn broers zijn bekende wielrenners. Hij zal mijn taak een beetje verlichten. Net zoals ik is hij soldaat van de klasse 13, we zijn al samen sinds het begin van de oorlog.

19 mei 1916 Ik ben voor zeven dagen met verlof in Parijs. Zoals gewoonlijk amuseer ik me goed. Ik maak van de gelegenheid gebruik om me te laten fotograferen met helm en in legerjas. Ik reken erop dit krijgshaftig portret aan mijn familie te kunnen toesturen.

26 mei 1916 Opnieuw in het kantonnement. Ik verlaat Parijs altijd met spijt in het hart, wan tik moet er zulke goeie vrienden achterlaten. Ze zijn erg toegewijd en ontvangen me als een zoon of een broer. De dagen die ik bij hen in de mooie Lichtstad doorbreng, doen al het andere vergeten. Ah ! Wat is Parijs toch mooi !
En nu vooruit ! Op naar een nieuwe periode van strijd en ellende.

30 mei 1916 Ik vertoon verschijnselen van bronchitis, griep, influenza, alles ineens. Tien dagen ben ik compleet van de kaart geweest. Ik denk veel aan mijn ouders. Hoe ongerust zouden ze niet zijn, mochten ze weten dat ik ziek was !
Mijn verwonding heeft me zes maand achter het front gehouden. Ik mag niet klagen. Wie nog nooit het front verlaten heeft, is nog ongelukkiger dan ik.
De laatste weken doorworstel ik een zwarte periode, ik val ten prooi aan verschrikkelijke buien van neerslachtigheid. Soms ben ik zo bedroefd dat niets me kan troosten. Ik heb geen veerkracht meer, geen energie, misschien is het lafheid. Maar wie nooit gezondigd heeft, mag de eerste steen werpen. De moedeloosheid maakt me kapot.

bron : Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, SNoeck-Ducaju & zoon

RaoulSnoeck_Parijs_Mei1916

deze foto liet Raoul Snoeck in mei 1916 in Parijs maken

Duitse furie in Diksmuide

Op dinsdag 2 mei 1916, om 4 uur ’s morgens, schiet de streek aan het Ijzerfront wakker van het kanongebulder. De Belgische frontlinie tussen Diksmuide en de Dodengang ligt zwaar onder vuur. In de kantonnementen van Eggewaartskapelle, Kruis-Abeele en Steenkerke wordt alarm geblazen. De drie bataljons van het 2e linieregiment op rust moeten meteen optrekken naar de Ruiterstelling en de Dodengang. Daar vallen die dag liefst 600 obussen. Gelukkig kan het 2e linieregiment die dag een Duitse inval verijdelen. Verliezen : 6 doden en 16 gewonden. Aan de overkant van de Ijzer vallen wel drie Belgische voorposten in Duitse handen. Maar het 8e linieregiment zet alles op alles en kan ze nog dezelfde dag heroveren. De kost aan mensenlevens in het 8e linie is hoog : 30 doden en circa 120 gewonden.

Drie weken houdt de furie van de Duitse kanonnen ten noorden van Diksmuide aan. Op 9 mei 1916, wanneer hij aan de telefoon zit in één van de huisjes De Burg, bevindt René Deckers zich onverwachts te midden van een zondvloed van obussen. De ene na de andere telefoonverbinding wordt verbroken. Vijf, zes obussen van 105 mm ontploffen dicht in de buurt. Het huisje davert. Met de enkele telefoonlijnen die resten kan René Deckers de commandant van het 2e linieregiment (Sint-Jansmolen) en het hoofdkwartier van de 1e legerdivisie alarmeren. Wanneer ook die hun geschut in werking stellen, is het geweld voor de soldaten in eerste linies oorverdovend.

Het 2e bataljon heeft 2 Duitse aanvallen op de dodengang kunnen afslaan, zo luidt het op 12 mei 1916 in het dagboek van René Deckers.

De vijand toonde zich bijzonder stoutmoedig. Eén na één kropen de mannen over de strook van 17 meter die beide loopgraven van elkaar scheidt. De Duitser die de rij aanvoerde, poogde een mitrailleur aan het einde van de Dodengang te plaatsen. Maar zijn hoofd werd door een granaat afgerukt.

De Ruiterstelling bewijst in die periode zijn defensieve kracht. Diverse keren slagen de Duitsers erin om binnen te dringen in de Dodengang, terwijl hun artillerie de Ruiterstelling onder vuur neemt. Maar de aanvallers zijn niet opgewassen tegen het afweervuur van de hoger gelegen mitrailleursposten. Met blank wapen en handgranaten slagen manschappen van het 2e linieregiment er telkens in de Dodengang te heroveren.

bronnen 
Siegfried Debaeke, het drama van de Dodengang, de Klaproos
foto komt uit Daniël Vanacker, België in de grote oorlog, Roularta

Diksmuide_191605.jpg

 

 

Brutale bloedprocessie in Brugge

Als het geen oorlog was, zou in Brugge op 8 mei 1916 de Heilig Bloedprocessie plaatsvinden. Naar verluidt had admiraal Ludwig von Schröder gezegd : “De Bruggelingen zullen dit jaar een feest hebben van het Heilig Bloed dat ze nog lang zullen onthouden.” Hij zou daarmee gedoeld hebben op de drie terechtstellingen die ‘s namiddags doorgingen.

Julius Delaplace, Julius De Sloovere en Charles Titeca worden alle drie geëxecuteerd omwille van spionage. Net voor  de aanvang van de terechtstelling excuseert de commandant van het executiepeloton zich bij de verplicht aanwezige Brugse burgerlijke autoriteiten :”Het is droevig voor u als voor ons.”.

FusillesdeBruges