Hasselt verliest een wetenschapper

In het ziekenhuis van Calais begeeft de gezondheid van Louis Stappers het helemaal en hij overlijdt op 30 december 1916. Hoewel pas 33 jaar oud is hij al een vooraanstaand wetenschapper.

De jongeman uit Hasselt heeft dan reeds twee belangrijke expedities achter de rug. In 1907 maakt hij met poolreiziger Adrien de Gerlache een reis door de Noordelijke Ijszee waar hij biologisch onderzoek doet. In 1911 stelt het ministerie van Koloniën hem aan als zendingshoofd van een expeditie die als opdracht heeft de levensvoorwaarden in de Congolese wateren te onderzoeken.

Bij het uitbreken van de oorlog zet Stappers zijn wetenschappelijke studies stop en neemt dienst als militair geneesheer. Zijn in Congo al aangetaste gezondheid is niet bestand tegen het leven achter de Ijzer, hij wordt ziek en moet het front verlaten. De verzorging in Calais kan niet meer baten.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

LouisStappers.jpg

nieuwe training voor Raoul Snoeck

In november 1916 was Raoul Snoeck reeds in Frankrijk voor een opleiding (Lees hier). In de december 1916 zit hij niet meer in Criel maar in het militaire kamp van Mailly.

8 december : Om vijf uur ’s avonds verlaten we Adinkerke en komen ’s anderendaags na de middag aan in Mailly op 80 km van Verdun. Bailly is een groot kamp, uitgestrekt over een lengte van 28 tot 32 km in een vallei met dennenbossen. Er zijn hier enorm veel Russen. We moeten een maand blijven en dagelijks oefenen.

12 december : Heel ons bataljon is in Mailly, in de Champagnestreek, om de nieuwe Franse tactiek van aanvalsgolven te leren. Sinds vier dagen maken we loopgraven voor de oefeningen.

13 december : Onze compagnie krijgt negen mitrailleurs, waarvoor telkens drie man nodig zijn : een eerste om het te dragen, een tweede voor de munitie en de derde om te schieten. Gezien mijn speciale opleiding in het mitrailleren in het kamp van Criel, word ik in mijn peloton aangeduid om die ploegen te bevelen.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju en zoon

camp_de_mailly_1916

 

 

de allerlaatste brief uit Hasselt

In Hasselt schrijft Jan Segers uit Kinrooi op 16 december 1916, kort voor hij geëxecuteerd wordt, nog een aanvulling bij de brief die hij gisteren opstelde voor zijn vrouw.JanSegers_19161216.jpg

Beminde vrouw, ik heb nu nog een klein verzoek te doen van na mijn dood enige missen te laten doen in Rekem en ook in Aldeneik. Zo sterf ik wel en moet ik hopen dat gij aan mijn wensen zult voldoen.

Nu, beminde vrouw, zijn we te communie geweest, hebben twee missen gehoord en nu sterven wij voor God en vaderland, de 16de december om 7u Belgische tijd in de nieuwe kazerne te Hasselt.

Zo, beminde vrouw, omhels ik het portret van u en mijn kinderen een laatste maal en zeg u vaarwel tot in de eeuwigheid.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

 

het verhaal achter een gedenksteen

In de buurt van herberg d’Hemelstrate in Reningelst (Poperinge) gooit een Duits vliegtuig drie bommen waarvan er een terechtkomt op het huisje van de familie Bulteel. Kapelaan Achiel Van Walleghem vertel in zijn dagboek op 5 december 1916 over de verschrikkelijke gevolgen.

Vier kinderen slapen op de zolder. Een ervan, een jongetje van 4 jaar, is op slag dood. Een meisje van 13 dat afgrijselijk gewond is, sterft nog dezelfde avond in het hospitaal van Couthove; Een jongetje van 9 raakt ook zeer erg gewond, maar geneest gelukkig na 3 maanden. Een andere jongen is ongedeerd.

Beneden slapen vader en moeder en tussen hen in het jongste kind. Het kind is dood an afgrijselijk verminkt. Als bij wonder hebben vader en moeder niet het minste letsel.

bron : oorlogskalender 2014-2018, davidsfonds

bulteel_19161205

Oproer in Boom

In Boom eisen de Duitsers op 17 november 1916 183 werkloze arbeiders op. Ook de verslaggever van het Davidsfonds kijkt toe.

Wanneer rond de middag de 183 opgeëiste inwoners van Boom, begeleid door een dozijn pinhelmen, door de Lepoldstraat naar Willebroek stappen, heeft daar een vijandige betoging plaats die op een bepaald ogenblik in een algemene opstand dreigde over te slaan. Een zwarte volksmassa raasde en huilde op het voetpad :”Smeerlappen, moordenaars”.

Juffrouw C. Nagels uit Reet, onderwijzeres in de buitenschool van de Zusters der Presentatie, wordt uit de massa gehaald maar ze geeft de pinhelm zo’n klinkende muilpeer, dat het hele Duitse piket toeschiet en in allerhaast hun kommandant ontbiedt. Het meisje wordt gevankelijk meegevoerd, beboet en acht dagen opgesloten in de gevangenis van Antwerpen.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

De tekeningen komt uit “25 maanden op de Duitse Pijnbank” van Honoré Staes

HonoréStaes_Weggevoerden.jpg

cursus mitrailleur in Criel

Raoul Snoeck wordt op cursus gestuurd naar Criel (Normandië).

15 november 1916 : Ik ben in Criel voor inwijding in het gebruik van de mitrailleur, hoewel ik absoluut niet de bedoeling heb me in dat regiment te laten inlijven. Het is een reglement en iedereen moet het gehoorzamen. Voor de rest ben ik er gelukkig om, ik ben van nature erg nieuwsgierig en verlang zoveel mogelijk te leren. In het leven weet je nooit genoeg.

18 november 1916 : ’s Morgens theorie, ’s namiddags oefeningen met de mitrailleur. Bij terugkeer van de rotskust, waar wij schietoefeningen hielden, worden we in het kamp opgewacht door een fotograaf. Hij maakt een kiekje van ons bij de mitrailleur. Ik stuur die foto naar mijn ouders, ze zullen blij zijn met die prettige oorlogsherinnering.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

raoulsnoeck_november1916

Mijmeringen aan het Ijzerfront

Raoul Snoeck vraagt zich af hoe het zal zijn later, om weer burger te zijn. Op 9 november 1916 noteert hij in zijn dagboek.

Alvorens ons hier te begraven had iedereen in het burgerleven een sociale betrekking of beroep. De meesten waren landbouwers of werklieden. Er zijn weinig geletterden bij de mensen die ons omringen en ondanks de maatschappelijke verschillen, gelijken we erg op elkaar. We spreken dezelfde taal doorspekt met het bargoens van de loopgraven. Door het gedwongen samenleven hebben we dezelfde smaak, dezelfde manieren ontwikkeld en vragen ons af hoe het zal zijn als we in het burgerlijk leven terugkeren.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei uit het Frans vertaald door Andre Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

belgischesoldaten_rustpauze_1916

Een brief vanuit bezet gebied

Veel Belgische militairen kijken elke dag uit naar de komst van de postbode (2e man van links, met helm en fiets). Misschien brengt hij eindelijk een teken van leven van de geliefden. Vier jaar lang is het rechtstreekse contact tussen de Ijzerstreek en het bezette land nagenoeg helemaal verbroken. Vier jaar lang horen velen niets van hun achtergebleven familie en weet de familie niet of haar frontsoldaat nog in leven is. Correspondentie tussen beide kanten van de frontlinie is erg moeilijk maar niet onmogelijk. Daarvoor doet men een beroep op smokkelaars of kennissen in het neutrale Nederland, die wel met het bezette land kunnen corresponderen.

postbedeling_belgischleger

Op 1 november 1916 is Raoul Snoeck bij de gelukkigen. In zijn dagboek noteert hij :

Ik krijg nieuws van mijn ouders. Tussen de regels lees ik hun angst. Moeder schrijft in elke brief:”Wees voorzichtig, stel je niet teveel bloot aan het gevaar, hou je goed warm.”. Ik heb juffrouw Bulthé van Holland gevraagd hen zoveel mogelijk gerust te stellen. Helaas ! Onze ouders vrezen het ergste en denken dat we voortdurend in de strijd betrokken zijn, de bajonet op het geweer en de pet op het oor. Wild, bebloed en groots. Het is volstrekt niet altijd zo, hoewel een soldaat steeds gevaar loopt. We scheppen plezier in het vechten want we houden van actie, en aan het front zijn we vrolijk en talrijk. Vinden we na de strijd iedereen aanwezig in het kantonnement, wat doet het dan deugd te beseffen dat we enkele ‘grijzen’ gemold hebben en daarmee onze plicht vervuld. (…)

Overigens heb ik in het ergste voorzien. Vrienden bezitten mijn adres voor het geval me iets fataals zou overkomen, zodat ze mijn ouders kunnen verwittigen. Na het nemen van die voorzorg praten we er niet meer over, het is een stilzwijgende overeenkomst.

bronnen
Daniël Vanacker, Belgie in de Grote Oorlog, Roularta Books
Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

geen rustige Allerheiligen aan de Ijzer

Gaston Le Roy noteert op 1 november 1916 in zijn dagboek :

Bij terugkeer van de keuken naar de eerste lijn merkten we enkele explosies op langs de kant van de vijfde divisie. De beschieting schoof op naar onze schuilplaats aan F.A.. Niet enkel granaten maar ook vleugelbommen ontploften donderend op de grond. Ons geschut wachtte niet om de granaatwerpers wat terug te gooien.
Toen we de eerste lijn naderden, verergerde het nog. Met moeite kreeg de adjudant de mannen vooruit. Met enkele makkers bleef ik ook enige tijd vanaf de tweede lijn het spel gadeslaan. De zon dook onder, het werd nacht en nog steeds is het een razend sissen van weg- en aanvliegende moordtuigen. Een rood streepje van de brandende wiek maakte de bommen zichtbaar in de lucht. Angstige wachtten we het einde af, meer dan eens dacht ik dat mijn laatste ogenblik gekomen was, maar het ging voorbij. Ik geloof zelfs dat er bij ons geen enkel slachtoffer viel.

Nu is het weer rustig. Er klinkt zelfs geen geweerschot. Wie hier vannacht zou aankomen, zou nooit kunnen vermoeden dat op deze plek enkele uren geleden zoveel mensen in doodsangst verkeerden. Er wordt gelachen en geschertst.

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

BelgischeArtillerie02.jpg

Taalstrijd achter de linies

Gaston Le Roy noteert in zijn dagboek op 3 oktober 1916 :

opinionwallonneWegens een pas verschenen Waal strijdblad, L’Opinion Wallonne, hadden we hier een felle woordenwisseling. Het leek op een herberg waarin twee partijen vlak voor de verkiezingen een meeting hielden. Mijn vriend, de sergeant, een Walensympathisant, eindigde met de veelbetekenende woorden :”We hebben jullie altijd onder de duim gehouden en willen strijden voor het behoud van die onderdrukking.”. Zulke discussies zijn uiterst goed voor onze Vlaamse jongens. Hun ogen gaan open. De zitting wordt besloten met een Vlaamse Leeuw. Van beide kanten zijn we tevreden met onze openbaringen. Naar de loopgraven. Met een van bloed doortrokken kous en schoen kom ik er aan. Arme Voet !

bron : André Gysel, Gaston le Roy – dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger tijdens WO 1, Lannoo