Joris Lannoo in opleiding

In Octeville wordt Joris Lannoo op 10 januari 1916 voorlopig ingedeeld bij de 8e compagnie van het 5e linieregiment. Hij moet nu een tweetalige verklaring ondertekenen, een uittreksel uit de Code Pénal Militaire, waaraan het Nederlands in kleinere letters is toegevoegd. Voor mannen zoals Joris Lannoo kon het Frans geen probleem vormen : zij hadden het geleerd in hun collegejaren. Het betekent wel dat alleen zij die Frans kennen de ladder van de legerpromoties kunnen beklimmen en dat de grote meerderheid van de Vlaamse soldaten ter plaatse blijft trappelen door een discriminerende taalbehandeling waartegen ze nauwelijks iets kunnen inbrengen. Sergeant Lannoo spreekt zich niet uit over dat taalregime, maar hij zal dat anderhalf jaar later wel doen, en nog wel tegenover een minister.

Op 5 februari 1916 vertrekt Joris voor een maand naar het kamp van het Normandische Criel voor een speciale opleiding in het hanteren van nieuwe types van mitrailleurs en het bouwen van weerstandsnesten. Door de vastgelopen loopgrachtenoorlog kent de militaire technologie op het gebied van weerstandsnesten een snelle ontwikkeling. Zeker in de Belgische sector tussen Steenstrate en de Minoterie in Diksmuide is de noodzaak aan snelvurende mitrailleurs bijzonder hoog.

Na de korte opleiding in Criel moet Joris Lannoo onmiddellijk naar Fécamp voor de allerlaatste fase van de opleiding. Hij behoort dan, opnieuw voorlopig, tot het 12e linieregiment. De opleiding eindigt op 2 april 1916.

bron : Romain Vanlandschoot, Een Vlaamse Viking aan het front, Lannoo

JorisLannoo1916

Joris Lannoo begin 1916

Cultuur voor de piot in Auvours

Op 3 februari 1916 noteert Raoul Snoeck in zijn dagboek :

Sinds zeven dagen ben ik in Auvours, morgen vertrek ik naar Dieppe. Ik rouw er niet om. Temidden van die bossen is het verschrikkelijk mistroostig, ik dacht er gek te worden. Voeding, huisvesting en verzorging zijn slecht, nog erger dan aan het front. Auvours is een doorgangskamp voor alle gewonden en zieken die nog aan het front terugkeren.

Als Raoul Snoeck iets later was toegekomen, had hij nog kunnen kennis maken met De Kring. De Legerbode beschrijft op 8 februari 1916 hoe er ook tijdens de oorlog aandacht is voor de culturele verheffing van de militairen : in het kamp van Auvours wordt een kring gesticht waartoe alle soldaten toegang hebben.

De Kring bestaat uit een harmonie, een symfoni, een toneelafdeling, een zangafdeling en een sportafdeling. Verstrooiing en vermaak zullen dan ook op veelvuldige wijze verschaft kunnen worden. Op de vergaderingen zullen er muziek, zang, voordrachten en toneelstukken gegeven worden. Het is de vereniging van alle mannen van goede wil en toewijding, die de leefbaarheid van De Kring zullen verzekeren. De vergaderingen zullen dan eens tweetalig, dan eens uitsluitend Vlaams of Frans zijn.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

auvours-lemans-camps

 

 

 

LZ79 neergehaald door Franse luchtmacht

Op 29 januari 1916 stijgt Hauptmann Victor Gaissert vanuit Namen met de zeppelin LZ79 op voor een raid op Parijs. Vanaf Soissons wordt de zeppelin opgemerkt en 26 Franse vliegtuigen stijgen op om het luchtschip te onderscheppen. Zonder succes want de zeppelin vliegt veel te hoog en ook luchtafweerkanonnen kunnen hem niet tegenhouden.  Gaissert laat bommen vallen boven de Parijse wijken Belleville en Ménilmontant waardoor er zesentwintig slachtoffers vallen.

Op de terugweg naar Duitsland vliegt de zeppelin over Le Bourget en weer wordt er alarm geslagen. Korporaal Louis Vallin en sergeant Denebonde vallen de zeppelin aan. Dat verhaal vind je terug in de Franstalige website die hieronder vermeld staat. Maar het is de Belgische website die het verhaal vervolledigt. Vallin en Denebonde verliezen de zeppelin uit het oog. Het is luitenant Galliot en onderluitenant Jacques de Lesseps (zoon van de ingenieur die het Suezkanaal aangelegd had) die de zeppelin een uur lang achtervolgen. Tijdens die achtervolging schieten ze meermaals op het luchtschip dat almaar meer gas verliest. Op de ochtend van 30 januari 1916 daalt de zeppelin en is een noodlanding niet meer tegen te houden.Te Mainvault, vlakbij Ath, komt het 170 meter lange luchtschip  terecht op het dak van een boerderij in de rue du Chêne. Alle achttien bemanningsleden kunnen het wrak nog levend verlaten, maar het schip is reddeloos verloren.

bronnen
http://sam2g.fr/louis-vallin-et-lattaque-du-zeppelin/
http://www.bahavzw.be/database/content/lz-79-bij-mainvault

Zeppelin_Vallen_19160130

 

 

de lange terugweg naar het front

Louis Barthas mag op 10 januari 1916 de eerste linies verlaten om zijn familie in zuid-Frankrijk terug te zien (lees daarover zijn dagboek op deze pagina) . Op 21 januari 1916 is zijn verlof gedaan. Samen met 2 andere soldaten gaat hij terug naar de frontlinies. Maar die terugtocht duurt wat langer als eerst gedacht.

Bij onze aankomst in Toulouse was de trein voor de verlofgangers al vertrokken. De spoorwegbediendes zeiden vriendelijk dat we de sneltrein naar Parijs moesten nemen die op het punt stond te vertrekken. Deze vriendelijkheid kwam ons verdacht voor. En we hadden gelijk : men wilde het station van Toulouse zuiveren van die woelige troep soldaten. Bij elk volgend station werden één of twee wagons ontruimd. Onze beurt kwam nog. Een conducteur vroeg vriendelijk om onze verlofpas alsof hij hem wilde controleren. Maar toen de trein stilstond, liet hij ons uitstappen. Hij liet ons weten dat onze passen in het kantoor van de stationschef bewaard zouden worden, totdat de volgende avond de enige trein voor verlofgangers langs zou komen.

We zaten in Brive-la-Gaillarde vierentwintig uur in de ellende. Omdat het elke dag hetzelfde was, kwamen handige hotelbazen ons, verdwaalde soldaten, aan de uitgang van het station tegen betaling gastvrijheid voor de nacht aanbieden. We waren wel gedwongen de nacht in een hotel door te brengen.

De volgende dag bezochten we als nauwgezette toeristen Brive : de kerken, het museum, de rivier la Corrèze en het standbeeld van maarschalk Brune.

Om acht uur ’s avonds stapten we in een trein vol met verlofgangers die ons de volgende morgen afzette in de Gare du Nord in Parijs. Om negen uur ’s avonds stapten we uit op het station van Abbeville. In deze streek hield ons regiment rust, of was beter gezegd hier op oefening.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uit het Frans vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Lubberhuizen.

Permissionnaires01

Louis Barthas terug thuis

In het dagboek van Louis Barthas lezen we het volgende :

Op een avond, toen ik van de oefeningen terugkwam, hoorde ik dat ik nog dezelfde nacht met verlof mocht. Hoewel ik dit nieuws wel verwacht had, bracht het bericht me totaal in verwarring. Ik werd lijkbleek en kon geen hap meer door mijn keel krijgen. Koortsachtig bereidde ik mijn vertrek voor. (…)

Op 10 januari 1916 om 2 uur ’s middags nam ik met een tiental andere verlofgangers acht kilometer van Queux op het station van Auxi-le-Château de trein. De volgende dag stapte ik om tien uur ’s avonds uit op het perron van het station van Moux. Ik ademde met vreugde de lucht in van mijn geboortestreek. In werkelijkheid waaide er een ruwe koude wind vanuit de Montagne Noire. En toch leek me deze wind nog zachter dan de lichtste zomerbries.

De hemel was somber en de nacht pikdonker. De weg was modderig maar nooit was een wandeling zo heerlijk als deze vijftien kilometer die ik nog moest lopen om mijn dorp (Homps)te bereiken. Eindelijk kwam ik dichterbij, aan de rand van een klein plateau, “La Serre“. Ik moest nog een kleine vallei oversteken en dan zou ik er zijn. Ontroerd hield ik op kleine afstand mijn pas in. Ik zag de flikkerende elektrische lichten van mijn dorp.

Tussen al deze lichten stond het huis waar ik binnen enkele ogenblikken over de drempel zou stappen. Daar wachtten mijn moeder, vader, vrouw en twee kinderen angstig op mijn komst. Waarschijnlijk schrokken ze op bij het minste geluid van stappen in de straat. Tijdens de reis had ik hen telefonisch op de hoogte kunnen brengen van mijn aankomst.

Natuurlijk moest ik binnen zes dagen weer terug, misschien wel voor altijd. Ik zou iedereen van wie ik hield weer moeten verlaten. Maar op dit ogenblik was ik uitgelaten van vreugde om hen na bijna veertien maanden terug te zien.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uit het Frans vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen

Permissionaire

Raoul Snoeck op herstelverlof

Raoul Snoeck is al een hele tijd gewond in een hospitaal. Even vreest hij zelfs voor de amputatie van een been… Maar op 3 januari 1916 noteert hij in zijn dagboek :

Ik ben genezen. Ik had reeds veertien dagen eerder kunnen vertrekken, kreeg ik niet die celvliesontsteking, een kwalijke verwikkeling. Al bij al was het bijna een geluk gewond te zijn. Want ondertussen gingen twee wintermaanden voorbij die ik bij de kachel kon doorbrengen. Ik ontvang een brief van juffrouw Bulthé uit Holland. Ze heeft vernomen dat ik een onderscheiding gekregen heb en behandelt me in alle toonaarden als dappere held. Kom, zo heldhaftig is dat nu ook weer niet, ik heb zoals zovelen enkel mijn plicht gedaan. Daar hoef ik niet fier op te zijn. In de loopgraven vragen we niets liever dan actie, nietsdoen is moordend. Op verkenning wreken de Duitsers zich door gaten in ons vel te schieten.

Het zal duren tot maart 1916 voor Raoul Snoeck weer aan het front is. In die periode passeert hij ook in Parijs waar hij onderstaande foto laat maken.

bron : Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

RaoulSnoeck_Jan1916

de nachtmerrie van Raoul Snoeck

Op 31 oktober 1915 is Raoul Snoeck gewond afgevoerd van de eerste linie naar een hospitaal in Calais. Op 4 november 1915 komt hij toe in een hospitaal in Rennes. Op 20 november 1915 had Raoul nog genoteerd dat zijn wonde goed aan het genezen was (lees hier).

Maar in december loopt er iets mis. Zijn dagboek meldt het volgende.

10 december 1915
Mijn verwonding houdt me nog altijd in Rennes. Vandaag heb ik van thuis uit oude brieven met foto’s ontvangen. (…) Wat is het prettig nieuws te ontvangen van thuis, dat doet meer deugd dan een zwachtel. Ik stuur mijn ouders enkele interessante foto’s die ik hier heb genomen.

16 december 1915
We veranderen van hospitaal.

17 december 1915
Ik heb kennis gemaakt met een Franse dame, mevrouw Heyman. Haar echtgenoot is kapitein bij het Franse leger. Deze charmante vrouw komt dikwijls het hospitaal bezoeken om zieken te troosten.

18 december 1915Beenprothese
Ik ben moedeloos, heb niets te lezen en niets te doen en dagdroom over mijn familie. Schrijven is mijn enige afleiding. Ik noteer al mijn indrukken en neem veel foto’s.

19 december 1915
Wegens verhuis van hospitaal is mijn wonde drie dagen zonder verband gebleven. In de bil ontwikkelde zich een abces dat ontaardde in celweefelontsteking. De dokter is erg ongerust en ik trouwens ook, want ik zou niet graag hebben dat ze mij een poot afzetten.

Met dit bericht sluit Raoul Snoeck het jaar 1915 af. Hij zal terug beginnen schrijven op 1 januari 1916.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

 

Engels kerstverlof voor dokter Lievens

In het dagboek van dokter Lievens lezen we over zijn verlof in Engeland tijdens de kerstdagen van 1915.

23-12-1915
Overzet CalaisFolkestone met de cargo. Het is slecht weer en buitengewoon nevelig. We doen er zeven uur over. Ik word niet zeeziek. Ik kom aan in Londen omstreek 19u30 en vind Jozef Ide in het Empire Hotel. Hij ziet er heel goed uit. Hij ziet er heel goed uit en is heel tevreden met zijn situatie.

24-12-1915
Ik vertrek naar Coventry, naar Clément de Mont, Dalton Road 8. Hij woont er in een mooi knus huisje. De ontvangst is allerhartelijkst. Ik laat me fotograferen.

25-12-1915
Ik woon de goed gezongen hoogmis bij. Heel de kerk is versierd met hulst en maretak. ’s Avonds dineren we bij meneer Wheeler, 10 Grosvenor Road. Er wordt een prachtige kalkoen opgediend, maar die is opgevuld met gember, worsten, spek en Brusselse kool. Als dessert volgt de traditionele plumpudding. Tot slot drinken we nog een port. Daarna volgen gezelschapsspelen en een concert. Ik heb me heel goed geamuseerd.

26-12-1915
Ik denk veel aan mijn gezin. Nooit eerder wenste ik zo vurig om bij vrouw en kinderen te zijn. Ontbijt bij mevrouw Archer, waarna de jonge heer me met de auto laat kennismaken met de omgeving van Coventry, Stratford-on-Avon, het land van Shakespeare, en het domein van Lord Lee. Prachtige eikenbomen. Ontelbare herten. Om 17 uur drinken we thee bij mevrouw Blythe , the Belmont, Saint Patrick’s road. ’s Avonds ben ik bij meneer Hayward, South Hurst Rochester Road.

27-12-1915
Terugkeer naar Londen. Van harte dank ik de heer Clement en zijn vrouw die zo uitermate vriendelijk zijn geweest voor mij.

bronnen
André Gysel, dokter Lievens – dagboek van een arts, Lannoo
foto komt uit http://the-lothians.blogspot.be/2014_08_01_archive.html

BelgianSoldiers_LondonStation1915

Belgische soldaten wachten in een Londens station alvorens verder te reizen

Belgische munitiefabriek ontploft

In Graville-Sainte-Honorine, niet ver van Le Havre, heeft op 14 december 1915 de begrafenis plaats van de Belgische doden die hier vielen bij de ontploffing van een Belgische munitiefabriek drie dagen geleden. Van deze achttien dode militairen zijn er ondertussen elders een aantal begraven. Indertijd werd een monument voor hen opgericht, maar het overleefde de tijd niet.

Bij de ontploffing, die vele tientallen kilometers ver te voelen en te horen was, vielen ruim honderd doden en meer dan duizend gewonden. In totaal ging zowat 300 ton munitie de lucht in. De oorzaak van de explosie werd nooit achterhaald.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
http://broqueville.be/?p=304

greveline1

verbroedering bij verzopen loopgraven

Louis Barthas, de Franse korporaal, zit in de eerste linies nabij Agnez-lès-Duisans (Artois) als hij een zondvloed meemaakt. In zijn dagboek noteert hij het volgende.

Op een dag regende het zo overvloedig dat het water de schuilplaats binnenstroomde. Als een waterval gutste het over de treden van de twee trappen. Enkele mannen moesten zich opofferen om in die stortbuien een dam te bouwen die toch drie of vier keer door het water werd doorbroken. De rest van de nacht brachten we door met het gevecht tegen het water.

De volgende dag, 10 december 1915, moesten de soldaten op verschillende plaatsen uit de loopgraven komen om niet te verdrinken. De Duitsers waren gedwongen hetzelfde te doen. Toen kregen we een eigenaardig schouwspel te zien : twee vijandelijke legers, oog in oog met elkaar, die geen enkel schot losten.

Gemeenschappelijk leed smeedt de harten aaneen en doet de haat verdwijnen. Tussen onverschillige mensen en zelfs tegenstanders ontstaat sympathie. Degenen die dat ontkennen, hebben niets begrepen van de menselijke psychologie. Fransen en Duitsers bekeken elkaar en zagen dat ze allemaal gelijk waren. We lachten naar elkaar, begonnen met elkaar te praten, handen te schudden, tabak, koffie en wijn uit te wisselen. Hadden we maar dezelfde taal gesproken !

Op een dag klom een reus van een Duitser op een heuveltje en hield een toespraak waarvan alleen de Duitsers de woorden verstonden, maar wij wel degelijk de betekenis, want hij brak met een gebaar van woede zijn geweer op een boomstronk in tweeën. Van twee kanten brak applaus uit en de Internationale weerklonk.

bronnen 
Dirk Lambrechts, oorlogsdagboeken van Louis Barthas, uitgeverij Bas Lubberhuizen
de foto komt van http://loic-dessins.webnode.fr/la-grande-guerre/

loicdessins01