de badinstallatie van De Panne

Eind oktober 1915 noteert Gaston Le Roy het volgende in zijn dagboek.

24 oktober 1915
De koude dagen breken aan. Wie er heeft, trekt zijn wintergoed aan. Mijn handschoenen van vorig jaar heb ik gevoerd met een lap van een oude onderbroek.

25 oktober 1915
Zonder spijt verlaten we de armzalige schuur, waar regen en wind vrije doortocht hadden en waar luizen en vlooien met duizenden woekerden. Het stro was gewoon verstoft. Nu overnachten we in De Linde (gehucht op de grens met Hoogstade en Pollinkhove), wel ver van het dorp maar het is er goed. Een wind- en regendichte zolder vormt de volgende tien dagen ons verblijf.

26 oktober 1915
We trekken naar De Panne voor een bezoek aan de badinstallatie. Ik herleef als gezuiverd en met ontsmette kleren. Ik krijg er ook vers ondergoed, wat ten zeerste welkom is, want bij gebrek aan een hemd droeg ik enige dagen een onderlijf.

De badinstallatie in De Panne bevond zich in de sloepenlaan. Na de oorlog werd het omgebouwd tot cinema Palace. Het plezier van nog eens een bad te kunnen nemen vinden we ook terug in het oorlogsdagboek van Fons Versmissen

bronnen

André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek, Lannoo

http://www.depanne.be/product/1410/42-t-bad

http://oorlogsdagboek14-18fonsversmissen.skynetblogs.be/

De Panne - sloepenlaan

De Panne – sloepenlaan

Fataal bombardement voor foerageurs

Louis Barthas ligt in de eerste linies nabij Neuville-Saint-Vaast en beschijft het volgende in zijn dagboek.

Op de 17e oktober 1915 om negen uur ’s avonds ontplofte een granaat op dertig meter afstand van onze plek midden in de loopgraaf. Twee ongelukkige foerageurs die hun groep van voedsel moesten voorzien, waren op slag dood. Een van hen was de arme kameraad Vieu uit mijn streek die in juli bij ons was gekomen. Hij behoorde tot mijn groep, maar na enige tijd was hij overgeplaatst naar de 18e compagnie waar zijn broer zat die foerageur was van de officieren. Deze laatste werd korte tijd later ook gedood. Het waren goed en eerlijke mensen, actief in de socialistische partij van hun dorp. Oorlog is niet bepaald ongunstig voor de kapitalistische burgerij !

Bij de aflossing werd de 18e compagnie die naast ons lag, zwaar getroffen; er viel een twintigtal doden of gewonden. Onze compagnie telde maar drie gewonden. Dit hadden we te danken aan het feit dat we zo dichtbij de Duitsers lagen dat hun artillerie niet op ons durfde te schieten uit vrees hun eigen loopgraven te raken.

bron : Louis Barthas, dagboeken, uit het Frans vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuijzen.

tekening van Leroux - cortège des cuistots

tekening van Leroux – cortège des cuistots

burgemeester van Eeklo blijft weg van de botermarkt

Victor Roegiers

Victor Roegiers

Victor Roegiers, de burgemeester van Eeklo, heeft wat schrik, de bevolking is namelijk niet tevreden over het optreden van het schepencollege als het gaat om de opeisingen door de Duitsers. Hij blijft op 7 oktober 1915 thuis van de botermarkt en werkt aan zijn dagboek.

’s Morgens veel mist, die optrekt rond 10 uur. Overdag mooi en droog weer. Geen kanongebulder te horen. Zo te zien meer volk dan anders op de marktdag, maar minder kramen.

Rond de markt is er bijzonder ongunstige beweging : bijna al de vrouwen en kinderen van de gisteren aangehouden meters en timmerlieden zijn opgekomen, wel wetende dat ik de donderdag altijd op de botermarkt ben. Ze willen tegen mij manifesteren en misschien aan de verrader – zoals ik gisteren genoemd werd – enig ongemak of ongeluk toebrengen.

Doch ze vonden me daar niet ! Daar ik mij aan onaangenaamheden verwachtte, was ik thuis gebleven gelukkiglijk.

bronnen

oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

http://freepages.genealogy.rootsweb.ancestry.com/~noemeetjesland/meetjesland/ons_meetjesland/1984_1/dagboek_Victor_Roegiers.htm

werken in de eerste linies

In het dagboek van Gaston Le Roy volgen rust en werk mekaar op.

29 september 1915
Op rust in Hoogstade, maar het regent zonder ophouden. Het land en de soldaten, alles en iedereen is mistroostig.

4 oktober 1915
Zes dagen later ben ik weer in de loopgraven. De weg, die me nu bekender voorkomt, schijnt korter te zijn. Bij aankomst ben ik niet eens vermoeid.

6 oktober 1915
Heel vroeg naar het werk. Tijdens de zes dagen in de loopgraven moeten we er ook twee van werken. We kuisen de stenen van de kerk van Nieuwkapelle, waarvan nog enkel vier afgebrokkelde muren en enkele pilaren rechtstaan. De stenen, die God weet hoe dikwijls, de zoete muziek van het Pax in terra gehoord hebben, zijn zwart verbrand en vergruisd door de haat van de mensen.

Een soldaat moet alles kunnen. Nu ben ik eens aardewerker en een andere keer zoals vandaag opperman bij de metselaars. Stenen kuisen of mortel maken, putten graven of zakjes verslepen.

bronnen

Gaston Le Roy, dagboek van een Vlaamse oorlogsvrijwilliger, Lannoo

de foto komt van http://www.europeana1914-1918.eu/nl/contributions/4672

Loopgraafwerken

Britse pantsertreinen in actie nabij Bergues

In het dagboek van Louis Barthas lezen we het volgende :

Op 20 september (1915) kwamen de onderofficieren en korporaals plotseling terug. Ze waren in Souix geweest voor een cursus van twee weken om granaten en andere geperfectioneerde projectielen – dat wil zeggen nog moorddadiger oorlogstuig – te leren hanteren. Hun terugkeer betekende dat ons verlof voorbij was. Inderdaad kwam het bevel dat we nog dezelfde avond om elf uur moesten vertrekken. Op het tijdstip van verzamelen ontbrak soldaat Lefèvre die al sinds het avondeten verdwenen was. Je kunt je wel voorstellen wat een moeite het heeft gekost om deze zuiplap naar Bergues te brengen waar we de trein moesten nemen met onbekende bestemming, naar een onzekere toekomst.

Om een uur ’s morgens kwamen we aan. We moesten onze geweren in de straat schuin tegen elkaar zetten. We mochten niet weg, want we konden elk ogenblik vertrekken. Maar dat gebeurde pas om zeven uur ’s morgens. Zes uur lang hadden we verkleumd op de stoep gelegen, of geijsbeerd om ons op te warmen. Er lag een witte laag rijp, wat je in deze tijd van het jaar in de Midi nooit ziet. Wie had het domme bevel gegeven acht uur te vroeg te vertrekken om zes kilometer verder een trein te nemen ?

Rond zeven uur vertrokken we eindelijk, waar naartoe wisten we niet. Naast het station zagen we grote kraters in de grond. Twee maanden geleden hadden de Duitsers, terwijl ze Duinkerken beschoten, bij wijze van proef en vrij van verzendkosten veertien enorme granaten afgevuurd op een afstand van zevenendertig kilometer. Toen we voorbij Vercqueil kwamen, hoorden we het gedaver van een beschieting. Het waren drie Britse pantsertreinen die La Bassée, Lens en Liévin bestookten.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Lubberhuizen

Railway_Gun_Maricourt_September_1916

Louis Barthas verdwaalt in Frans-Vlaanderen

Einde augustus 1915 zit Louis Barthas in een rustige frontsector in het departement Pas-de-Calais. Maar de rust duurt niet lang.

Op 27 augustus 1915 waren we in Sains-en-Gohelle. Dezelfde avond nog moesten we vertrekken naar de linies. Maar in de loop van de dag kwam een sensationeel tegenbevel. We moesten weg uit deze zone. Vertrek om 2 uur ’s nachts. (…)

Drie dagen later moesten we ’s middags op het station van Prenes-Camblain op de trein. De ransels vol met onverteerbare soldatenkoenen en blikken cornedbeef, genoeg voor drie dagen. (…)

De trein reed langs Hazebrouck en om acht uur ’s avonds stapten we uit in Bergues, zes kilometer van Duinkerken. We hoopten in Bergues te kunnen blijven maar tot onze grote ontgoocheling gingen we onmiddellijk verder in de donkere nacht door de eindeloze vlakten van Frans-Vlaanderen. Verder en verder.(…)

Het ronddwalende bataljon trok verder door de grote donkere vlakte. Tot overmaat van ramp begon het ook nog te gieten. De achterblijvers werden steeds talrijker en maakten van de duisternis gebruik om te kankeren. (…)

Voor de colonne uit marcheerde onze nieuwe majoor. Hij heette Leblanc. Klein, mager en ziekelijk als hij was, gaf een grapjas hem al vlug de bijnaam “Magere Hein”. Dat bleek een succes want de brutale soldaten zouden hem nooit meer anders noemen. Hij was onze gids, maar de man kon kaart lezen als een karper een brevier en hij vergiste zich voortdurend. (…)

Het resultaat was dat we midden in een stortbui om één uur ’s nachts in een veld stonden waar de weg ophield. Ik hoorde de majoor klagend toegeven:”Ik geloof dat we verdwaald zijn.”. Hij was er nog niet helemaal van overtuigd. Zijn ordonnansen moesten links en rechts een boerderij gaan zoeken waar hij met zijn officieren terecht kon. Wij mochten, edelmoedig als ze waren, vrijelijk gebruik maken van het modderige veld om daar in afwachting van de volgende dag te gaan liggen. We ontdekten vlakbij een grote schuur die de Voorzienigheid daar speciaal voor ons leek neergezet te hebben. De schuur was aan alle kanten open, het dak rustte op een paar oude balken in de grond. Vlakbij stonden een paar hooimijten. In een oogwenk waren ze uit elkaar gerukt en binnen een kwartier klonk uit de schuur luid gesnurk. Bijna het hele peloton sliep op een dik bed van hooi. Ik kan me niet herinneren in mijn leven ooit beter geslapen te hebben.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, uit het Frans vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen

De tekening hieronder is van Léon Broquet, “La bourasque à Sillery”.

broquet_bourrasque

Raoul Snoeck krijgt een gevaarlijke opdracht

Raoul Snoeck noteert in zijn dagboek op 30 augustus 1915 het volgende :

Een gevaarlijke opdracht vanmorgen : de commandant vraagt een vrijwilliger om op verkenning te gaan en prikkeldraad te plaatsen zo’n zestig meter voor onze voorpost : ik bied me aan, voer mijn opdracht uit en kom terug. Het is verschrikkelijk heet en weldra breekt een onweer los : donderslagen wisselen af met artilleriegebulder. De lucht knettert van elektriciteit en wordt doorkliefd door obussen en bliksems. ’s Avonds ben ik van wacht in dezelfde voorpost. Omstreeks acht uur vertrek ik op mijn eentje om het werk van ’s morgens te controleren. Ik ben nog geen tien meter ver of ik word verrast door een Duits zoeklicht. Een ogenblik verward in de prikkeldraad kan ik me niet meteen uit de voeten maken. De Duitsers nemen me onder vuur en ik krijg een kogel door mijn rechterdij. Uiteindelijke slaag ik er in me te bevrijden. Ik hink naar de dichtsbijzinde dokter om me te laten verzorgen. Daarna wil ik terug naar mijn post. Het is niet het moment om kleinzerig te zijn. Ik hoor in mijn luisterpost te zijn, maar de dokter verbiedt het me streng. Een wagen brengt me naar De Linde, waar men de wonde opnieuw verbindt.

Dit feit bezorgde de dappere Raoul Snoeck een welverdiende vermelding.

bronnen

Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

De tekening is overgenomen uit een website gewijd aan de kunst van de Groote Oorlog : http://www.dessins1418.fr/wordpress/portfolio/leon-broquet-les-guetteurs/

Les Guetteurs - Leon Broquet

Les Guetteurs – Leon Broquet

Nieuwe uniformen voor de Belgen

Raoul Snoeck noteert in zijn dagboek op 28 augustus 1915 te Pollinkhove het volgende :

Nieuwe uniformen. Chic ! Ze werden zoveel mogelijk vereenvoudigd. De biesjes zijn sober gehouden, wat de voorstanders van de vederbos misschien zal bedroeven. Maar de tijd van de parade is voorbij. Het voeren van een bollenoorlog verplicht de moderne soldaten zich te kleden in uniformen met camouflagekleuren. Veel officieren werden in het begin van de oorlog neergeschoten, omdat ze gemakkelijk herkenbaar waren. Natuurlijk mikt de vijand eerst op hen. Zoals de Engelsen zijn we allen in kaki, wel oversten als soldaten. Het uniformtype verschilt naargelang wapen en rang. De pet lijkt ons het eigenaardigst, maar ze is toch veel eleganter en praktischer dan ons vroeger hoofddeksel, en ze beschut ons tegen zon, wind en regen.

bronnen : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door Andre Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

De tekening hieronder komt uit Ivan Petrus Adriaenssens, Afspraak in Nieuwpoort, Lannoo

RaoulSnoeck19150828

Raoul Snoeck raakt gewond bij Drie Grachten

Raoul Snoeck noteert het volgende in zijn dagboek :

17 augustus 1915 : Ik raak gewond op verkenningstocht nabij Drie Grachten. Een kogel heeft de huidplooi van mijn knie doorboord, een centimeter meer naar links en het gewricht was verbrijzeld. Men brengt me naar de eerstehulppost.

20 augustus 1915 (divisie-eerstehulppost De Linde) : In de eerstehulppost hebben we op een gelegenheidspodium een klein feestje gebouwd. Iedereen doet zijn best om de zieken wat afleiding te bezorgen. Dokter Philippart zorg voor een heel origineel programma op autografisch papier. Als zoon, kleinzoon, achterkleinzoon, achterachterkleinzoon uit een drukkersgeslacht ben ik daarmee vertrouwd. Ik heb ook deelgenomen, liedjes gezongen zoals “langs de overs van de Ijzer” en “een drama in Falaise” en zelfs eem monoloog voorgedragen :”de teen van St-Guignolet”. Gelukkige heilige ! Bij hem hebben de Duitsers geen kogel door de knie gejaagd ! We genoten van enkele aangename uren.

23 augustus 1915 : Ik ben al enkele dagen niet meer aan het front en moet nog in de eerstehulppost blijven, omdat mijn wonde nog niet volledig genezen is. Maar ik verveel me stierlijk. Ik ben beslist niet geboren om ziek te zijn, verstoppertje spelen is niet mijn stijl. Aangezien ik geen breuken heb, is het niet nodig hier nog langer te beschimmelen. Ik wens terug te keren naar mijn compagnie. Dokter Philippart van ons bataljon vraagt me of ik gek word. Toch doe ik mijn zin.

bron : Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, Snoeck-Ducaju & Zoon

wachten op hulp

wachten op hulp

Bovenstaande foto komt uit het boek Van Daniel Vanacker, Belgie in de grote oorlog, Roularta

Onder de titel “wachten op hulp” lezen we de volgende tekst :

Soldaten houden een zwaargewonde kameraad gezelschap tot de brancardiers hem komen verzorgen en wegbrengen. Zo’n situatie beschreef Jan Gom Gheuens in zijn roman De miskenden :

Wij leggen de zwaarst gewonde, Smets Louis, op de kapotjas van Dupon en snijden al zijn kleren open. Zijn borst- en buikwonden zijn dodelijk. Zijn ogen zijn al gebroken:

  • Gelooft ge dat ik kan genezen ? vraagt hij ons.
  • Waarom niet, Louis ? Uw wonden zijn wat pijnlijk maar niet gevaarlijk ! liegen wij.
  • Nu zult gij niet meer naar het front moeten, Louis.

Louis loost een pijnlijke wacht. Zijn lichaam zakt tegen mijn borst, terwijl ik de wonden reinig. Lievens ondersteunt hem met een ransel. Hij laat uitgeput zijn hoofd achterover zinken en stamelt:”Geef mij wat te drinken!… Ik heb dorst.”.

Gaston Le Roy komt toe aan het Ijzerfront

Na maanden van militaire training in Normandië komt Gaston Le Roy eindelijk toe aan het front. In zijn dagboek beschrijft hij zijn vertrek uit Frankrijk als volgt.

15 augustus 1915 : Gelukkige dag. Met 150 man trekken we naar het front. Gelaarsd en gespoord begeven we ons om 3 uur in de morgen naar het station, toegejuicht door enkele burgers die zich op dit uur verwaardigen ons vertrek bij te wonen. Om 4 uur, na een laatste vaarwel aan de drie vrienden en de oversten die blijven en ons “goede moed” en “veel geluk” toewensen, komt de trein in beweging.

Een beschrijving van die dag zou bladzijden vergen. We reizen door vreemde streken, zien veel en maken veel plezier. Foligny, Coutances, Belvoil, Saint-Lô, Bayeux, Lisieux, Caen, Rouen, allemaal namen die ik me nog herinner. In Rouen stoppen we om te middagmalen. De wagons worden met allerlei groen versierd. We zingen, roepen en juichen als kinderen. ’s Avonds zijn we hees. (…)

16 augustus 1915 : Het is vroeger klaar dan ik heb verwacht. De trein stoomt maar verder. Tegen de middag komen we in Calais aan en worden er verder bevoorraad. We rijden Duinkerke voorbij tot in Adinkerke. Eindelijk zijn we terug op eigen bodem. Nog een lange mars en we bereiken houten barakken, waar we de nacht zullen doorbrengen. (…) Jammer dat wij “Bréhalais” (Gaston Le Roy had zijn training in Bréhal gekregen samen met zijn kameraden). niet bijeen mogen blijven. Wij worden over verschillende regimenten verdeeld.

17 augustus 1915 : Ik ben dus bij het 7e linieregiment van de 2e legerafdeling, 4e compagnie, 2e peloton, 2e sectie. Ze wachten er niet mee om ons op de proef te stellen. Vanavond trekken we naar de vuurlinie. We zijn natuurlijk erg nieuwsgierig. Traag gaat de dag voorbij.

Om 18u30 trekken we op, beladen met een zware rugzak. Drie uur hebben we nodig om bij de frontlijn te geraken. Het is pikdonker, dus onmogelijk ons voor te stellen hoe het eruit ziet. Heel stil. We kruipen in een soort kamertje, wat ze een abri noemen. Ik verneem dat het heel kalm is. We hoeven geen schot te lossen en bevinden ons op 2 km van de vijand. Sector Lo.

bron : André Gysel, Gaston Le Roy – dagboek, Lannoo

Vertrek Belgische recruten richting front

Vertrek Belgische recruten richting front