Duitse furie in Diksmuide

Op dinsdag 2 mei 1916, om 4 uur ’s morgens, schiet de streek aan het Ijzerfront wakker van het kanongebulder. De Belgische frontlinie tussen Diksmuide en de Dodengang ligt zwaar onder vuur. In de kantonnementen van Eggewaartskapelle, Kruis-Abeele en Steenkerke wordt alarm geblazen. De drie bataljons van het 2e linieregiment op rust moeten meteen optrekken naar de Ruiterstelling en de Dodengang. Daar vallen die dag liefst 600 obussen. Gelukkig kan het 2e linieregiment die dag een Duitse inval verijdelen. Verliezen : 6 doden en 16 gewonden. Aan de overkant van de Ijzer vallen wel drie Belgische voorposten in Duitse handen. Maar het 8e linieregiment zet alles op alles en kan ze nog dezelfde dag heroveren. De kost aan mensenlevens in het 8e linie is hoog : 30 doden en circa 120 gewonden.

Drie weken houdt de furie van de Duitse kanonnen ten noorden van Diksmuide aan. Op 9 mei 1916, wanneer hij aan de telefoon zit in één van de huisjes De Burg, bevindt René Deckers zich onverwachts te midden van een zondvloed van obussen. De ene na de andere telefoonverbinding wordt verbroken. Vijf, zes obussen van 105 mm ontploffen dicht in de buurt. Het huisje davert. Met de enkele telefoonlijnen die resten kan René Deckers de commandant van het 2e linieregiment (Sint-Jansmolen) en het hoofdkwartier van de 1e legerdivisie alarmeren. Wanneer ook die hun geschut in werking stellen, is het geweld voor de soldaten in eerste linies oorverdovend.

Het 2e bataljon heeft 2 Duitse aanvallen op de dodengang kunnen afslaan, zo luidt het op 12 mei 1916 in het dagboek van René Deckers.

De vijand toonde zich bijzonder stoutmoedig. Eén na één kropen de mannen over de strook van 17 meter die beide loopgraven van elkaar scheidt. De Duitser die de rij aanvoerde, poogde een mitrailleur aan het einde van de Dodengang te plaatsen. Maar zijn hoofd werd door een granaat afgerukt.

De Ruiterstelling bewijst in die periode zijn defensieve kracht. Diverse keren slagen de Duitsers erin om binnen te dringen in de Dodengang, terwijl hun artillerie de Ruiterstelling onder vuur neemt. Maar de aanvallers zijn niet opgewassen tegen het afweervuur van de hoger gelegen mitrailleursposten. Met blank wapen en handgranaten slagen manschappen van het 2e linieregiment er telkens in de Dodengang te heroveren.

bronnen 
Siegfried Debaeke, het drama van de Dodengang, de Klaproos
foto komt uit Daniël Vanacker, België in de grote oorlog, Roularta

Diksmuide_191605.jpg

 

 

De Eiffeltoren bekeken vanuit Duitse linies

Herbert Sulzbach heeft de paasdagen van 1916 in Frankfurt-am-Main kunnen doorbrengen. Hij bezoekt familie en gaat met vrienden op café om de oorlog te vergeten. Maar ook thuis is de oorlog erg aanwezig : hij verneemt er dat de bediende Berthold die voor zijn familie jarenlang heeft gewerkt, in Verdun is omgekomen. Uit zijn laatste brief bleek al dat Berthold ervan uitging dat hij niet levend van het front zou terugkeren.

Eenmaal terug in de linies begeeft Sulzbach zich naar Noyon, meer bepaald de Mont Saint-Siméon. Daar heeft hij begin mei 1916 een heel bijzonder zicht op Parijs.

Tegen de avond gingen we terug via de Mont Saint-Siméon : een observatiepost daar heeft je een heel mooi zicht tot ver in het vijandelijke hinterland. Onze sector nabij Noyon en de sector in Piémont zijn de meest vooruitgeschoven posities die het Duitse leger in handen heeft. En dus liggen ze ook het dichtste bij Parijs. Als ik nu zeg dat ik door de telescoop keek en de Eiffeltoren zag, dan begrijpen de lezers misschien – of misschien ook niet – hoe ik me voelde als ik dit beeld zag : Parijs in zicht ! En toch nog te ver om ernaar te reiken, ook al waren onze legers binnen de laatste tien kilometers van Parijs aan het begin van september 1914.

Guillaume_Apollinaire_Calligramme

 

Louis Barthas op de côte 304

Het bataljon van Louis Barthas krijgt op 11 mei 1916 het bevel naar de frontlinies van Verdun te gaan. De Franse soldaten vertrekken om acht uur ’s avonds. Om elf uur diezelfde avond komen ze aan in de loopgraaf. De helen nacht slepen de soldaten met plaatijzer, planken en takken om de loopgraaf af te dekken en te camoufleren voor vliegtuigen. Over de dag erna (12 mei 1916) , noteert Louis Barthas het volgende in zijn dagboek.

Toen het dag werd, bekeek ik deze beroemde heuvel aan de voet waarvan onze loopgraaf zich bevond. Maandenlang was hierom gevochten alsof er een diamantmijn in haar flanken verborgen lag. Helaas, de heuvel bevatte alleen maar duizenden lijken. Het was een hoogte die zich in niets onderscheidde van de naburige heuvels. Het schijnt dat hij ooi voor een deel bebost was. Maar nu was er geen spoor van begroeiing meer te zien. De aarde was omgewoeld en verwoest en bood alleen nog maar een desolate aanblik.

En dan moeten Louis Barthas en zijn kameraden iets verderop de helling stellingen opnieuw inrichten. Die stellingen liggen bijna midden op de helling. Bij de ingang van de loopgraven leest Barthas de naam :”Tranchée Rascas“.

Die plek was één grote berg van uit elkaar gereten mensenvlees. Op de plaatsen waar de aarde bloed had gedronken, krioelde het van de vliegen. Je zag geen lijken maar waarschijnlijk lagen ze onder een klein laagje aarde in de vlakbij gelegen granaattrechters. Hun aanwezigheid bleek uit de stank van rottend vlees. Overal lagen brokstukken, verbrijzelde geweren, gescheurde ransels, waaruit tedere brieven en angstvallig bewaarde dierbare herinneringen dwarrelden en door de wind werden verspreid.

De helen nacht moesten we de verbindingsgang begaanbaar en bewoonbaar maken. Toen het licht werd, was de hemel tot onze grote vreugde bewolkt. Laaghangende wolken bedekten heuvel 304 en we bleven de hele dag buiten het zicht van de vijand.

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen

Verdun_Cote304.jpg

Verwarring over de tijd

Stijn Streuvels twijfelt over het juiste uur en noteert op 5 mei 1916 in zijn dagboek :

In afwachting dat het met het uur in huis in orde komt en tot overeenstemming, houd ik er hier in huis drie verschillende uren op na. In de keuken is het oude Belgische tijd, in mijn werkkamer nieuwe Belgische tijd, en in de voorplaats wijst de hangklok de nieuwe Duitse tijd aan, ten behoeve van de ingekwartierde militairen.

Met het nieuwe zomeruur zijn de mensen nog altijd in de war : niemand kan ertoe besluiten zijn uurwerk door te draaien. En ik geloof dat het nog lang zal duren eer de boeren hun noenklokje zullen luiden om 11 uur.

Ingooigem blijft volgens oude gewoonte onvermurwbaar als het erom gaat nieuwe gebruiken in te voeren. Als er dan nog eenheid zou zijn in de besluiten : de knechtenschool (jongensschool) heeft het nieuwe uur in voege gebracht en de meisjesschool niet.

Zomertijd-Wintertijd

Barthas onderweg naar Verdun

Op 15 april 1916 trok het regiment na het ontbijt naar Noyelles-sur-Mer om daar op de trein te stappen. Officieel was de bestemming onbekend maar iedereen vermoedde dat het doel Verdun was, waar zonder ophouden een reusachtige veldslag plaatsvond. Daarom hoorden we tijdens de mars van tien kilometer naar Noyelles nauwelijks iemand zingen.

Om zeven uur ’s avonds zaten we in de trein, met veertig man samengeperst in beestenwagens zonder stro of banken. Zelfs de kolonel wist niet waar we naartoe gingen. Door elkaar liggend, zonder onze stijve benen te kunnen strekken brachten we in de wagon een akelige nacht door. Om zeven uur ’s ochtends reden we langs Bourget. ’s Middags waren we in Sézanne in Champagne. We reden steeds verder naar het oosten.

Om vier uur ’s middags kwam de trein aan in Vitry-le-François. We wisten nog steeds niet waar we naartoe gingen maar het zou nu wel vlug duidelijk worden : als de trein in de richting van Châlons reed, gingen we naar Champagne waar het op dat moment rustig was; reed hij verder naar het oosten, dan was er geen twijfel mogelijk : dan gingen we naar Verdun ! Het laatste was helaas het geval. Nog dezelfde avond stapten we uit op het station van Revigny.

Rond middernacht kwamen we in een dorpje aan (Villers-le-Sec) waar mijn afdeling in een kleine, half verwoeste loods werd ondergebracht. Als bed hadden we een beetje stro van twijfelachtig allooi. De dag daarop, op 17 april, mochten we rusten want we moesten hierna verder naar Verdun.

Op 18 april om acht uur ’s morgens verlieten we Villers-le-Sec. De regen viel weer bij bakken uit de hemel. ’s Middags arriveerden we in Noyers 

bron : Louis Barthas, oorlogsdagboeken, vertaald door Dirk Lambrechts, uitgeverij Bas Lubberhuizen

JeanLefort_leWagon

Jean Lefort – le Wagon

Duitsers eisen koeien op in Ingooigem

Net als in zoveel andere dorpen komen de Duitsers ook in Ingooigem koeien aanslaan, zo noteert Stijn Streuvels in zijn dagboek op 18 april 1916. De koeien en hun eigenaars staan alk vanaf 11 uur in de gietende regen te wachten. Drachtige koeien mogen weer mee naar huis met hun eigenaars.

Boeren die maar een of twee koeien hebben, mogen die meestal behouden. Bezit een boer meer koeien, dan merken de Duitsers er enkele met een schaar in het haar van de bil. De gemerkte koeien zullen bij nader bevel afgeleverd moeten worden bij de Duitse administratie.

Sommige boeren verbergen dieren. In de schuur van Streuvels bijvoorbeeld staat een jonge os van een buurman. Diens twee dochters houden de wacht met een knuppel in de hand om te beletten dat het dier zou beginnen te loeien en zo de aandacht zou trekken van speurende Duitse manschappen.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

DuitseSoldaten_Koe.jpg

Kresten Andresen hoort over de honger in Duitsland

Kresten Andresen is een Deen, die de pech heeft in voormalig Deens gebied in Sleeswijk-Holstein te wonen. Sinds de tweede Duits-Deense oorlog (1864) is het gebied van Denemarken naar Duitsland verhuisd. En dus kent het Duitse leger ook heel wat Deenstaligen. Peter Englund heeft de brieven en dagboeken van Kresten Andresen gelezen en noteert voor 28 maart 1916 het volgende.

Kresten Andresen beleeft zijn twintigste maand in uniform in Montigny, Frankrijk en is zijn oude hoop op een snelle vrede gaan verliezen. Hij is zeker niet de enige die frustratie voelt over deze oorlog die maar blijft doorzieken tegen steeds hogere kosten. In alle oorlogvoerende landen heerst inflatie en gebrek aan levensmiddelen, maar de hardst getroffen landen – naast Rusland – zijn Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Niet alleen de zeeblokkade van de geallieerden blijkt moorddadig effectief, ook de proviandering is getroffen door een administratieve lichtzinnigheid, door gebrek aan vervoer en door het feit dat zo veel boeren en landarbeiders onder de wapenen zijn geroepen.

Andresen heeft andere soldaten ontmoet die zijn teruggekeerd van hun verloven en ontstellende verhalen hebben gehoord.

Iemand vertelde over iets dat nog het meest op oproer leek in Bremen, waar grote hordes vrouwen etalages stuksloegen en de winkels bestormden.  Mortensen uit Skibelund heeft een man uit Hamburg ontmoet die thuis was weggegaan terwijl hij nog vier dagen van zijn verlof over had, omdat zijn vrouw hem niet meer te eten kon geven.

bronnen
Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

http://denstorekrig1914-1918.dk/28-marts-1916-kresten-andresen-bange-overgaa-andre-regimenter/

HungerErsterWeltkrieg

 

 

de honger laat zich voelen

Het tekort aan voedsel rukt op, zo moet ook Stijn Streuvels vaststellen :

Het kan zo niet langer voortduren, is de algemene overtuiging. De honger zal een eind maken aan de oorlog. Want bij de soldaten is het nog slechter gesteld dan bij de burgers. Men hoort het langs alle kanten, waar ze ingekwartierd zijn. De mensen geven van hun eigen kost omdat ze medelijden hebben met de dutsen.

Zo-even vertelt mijn gebuur dat de manschappen voor alle voedsel een soort soep kregen waarin een paar pruimen te zwemmen lagen. Vandaag was er een ander soort soep met twee stukjes aardappel. Een stuk droog brood daarbij maakt het menu uit voor de hele dag. En de officieren, die krijgen nu ook geen boter meer op hun brood.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Kuechendienst

Inkwartiering in Ingooigem

Stijn Streuvels ziet op 10 maart 1916 de soldaten arriveren die in Ingooigem moeten worden ingekwartierd.

Ze komen aan in de avond en het is een vreemd spektakel, die grijze zwerm in de deemstering. Het zijn versleten, moegegane mannen met doorgezakte leden onder de vracht van hun zware ransels, met slepende benen, haveloos gekleed en vuil. Op hun wezen en in de ogen zie je de gelatenheid van een trekhond die na een lange vermoeiende toch de belofte voelt van uitgespannen te worden en de verwachting zich te mogen neerleggen.

Op de deuren is het bekende schrift met krijgt en kan men zien hoeveel mannen in elk huis wonen, met onder aan het nummer van het legerkorps en het regiment.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

bataille-frontieres-allemands.jpg

Vreemde ruiters in de sneeuw

Stijn Streuvels mijmert bij het zien van Duitse ruiters die door de sneeuw trekken :

We zijn weerom ingesneeuwd ! En in de stilte van de namiddag trekt een colonne Duitse ruiters over de eenzame sneeuwweg. We hebben dat spektakel al zo dikwijls gezien en toch komt het me altijd even vreemd voor, alsof het de eerste maal was.

Die vreemde figuren in het landschap dat zo vertrouwd is, kunnen zich maar niet schikken tot een passend geheel. En terwijl ik erop te staren sta, lijkt het me een visioen uit een verre droom, opgewekt uit een oud boek.

De uitgestrekte effenheid doet me denken aan Russische steppen en de ruiters in hun grijze mantels met hun vreemde paarden, ze gelijken wel schimmen uit de Merovingische tijd, die in stilte voorbijtrekken. Terwijl de laatsten nog altijd aanstappen, zijn de eersten reeds verdwenen in de witte mist.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Mazurska1916