nieuwe training voor Raoul Snoeck

In november 1916 was Raoul Snoeck reeds in Frankrijk voor een opleiding (Lees hier). In de december 1916 zit hij niet meer in Criel maar in het militaire kamp van Mailly.

8 december : Om vijf uur ’s avonds verlaten we Adinkerke en komen ’s anderendaags na de middag aan in Mailly op 80 km van Verdun. Bailly is een groot kamp, uitgestrekt over een lengte van 28 tot 32 km in een vallei met dennenbossen. Er zijn hier enorm veel Russen. We moeten een maand blijven en dagelijks oefenen.

12 december : Heel ons bataljon is in Mailly, in de Champagnestreek, om de nieuwe Franse tactiek van aanvalsgolven te leren. Sinds vier dagen maken we loopgraven voor de oefeningen.

13 december : Onze compagnie krijgt negen mitrailleurs, waarvoor telkens drie man nodig zijn : een eerste om het te dragen, een tweede voor de munitie en de derde om te schieten. Gezien mijn speciale opleiding in het mitrailleren in het kamp van Criel, word ik in mijn peloton aangeduid om die ploegen te bevelen.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju en zoon

camp_de_mailly_1916

 

 

cursus mitrailleur in Criel

Raoul Snoeck wordt op cursus gestuurd naar Criel (Normandië).

15 november 1916 : Ik ben in Criel voor inwijding in het gebruik van de mitrailleur, hoewel ik absoluut niet de bedoeling heb me in dat regiment te laten inlijven. Het is een reglement en iedereen moet het gehoorzamen. Voor de rest ben ik er gelukkig om, ik ben van nature erg nieuwsgierig en verlang zoveel mogelijk te leren. In het leven weet je nooit genoeg.

18 november 1916 : ’s Morgens theorie, ’s namiddags oefeningen met de mitrailleur. Bij terugkeer van de rotskust, waar wij schietoefeningen hielden, worden we in het kamp opgewacht door een fotograaf. Hij maakt een kiekje van ons bij de mitrailleur. Ik stuur die foto naar mijn ouders, ze zullen blij zijn met die prettige oorlogsherinnering.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

raoulsnoeck_november1916

Mijmeringen aan het Ijzerfront

Raoul Snoeck vraagt zich af hoe het zal zijn later, om weer burger te zijn. Op 9 november 1916 noteert hij in zijn dagboek.

Alvorens ons hier te begraven had iedereen in het burgerleven een sociale betrekking of beroep. De meesten waren landbouwers of werklieden. Er zijn weinig geletterden bij de mensen die ons omringen en ondanks de maatschappelijke verschillen, gelijken we erg op elkaar. We spreken dezelfde taal doorspekt met het bargoens van de loopgraven. Door het gedwongen samenleven hebben we dezelfde smaak, dezelfde manieren ontwikkeld en vragen ons af hoe het zal zijn als we in het burgerlijk leven terugkeren.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei uit het Frans vertaald door Andre Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

belgischesoldaten_rustpauze_1916

Een brief vanuit bezet gebied

Veel Belgische militairen kijken elke dag uit naar de komst van de postbode (2e man van links, met helm en fiets). Misschien brengt hij eindelijk een teken van leven van de geliefden. Vier jaar lang is het rechtstreekse contact tussen de Ijzerstreek en het bezette land nagenoeg helemaal verbroken. Vier jaar lang horen velen niets van hun achtergebleven familie en weet de familie niet of haar frontsoldaat nog in leven is. Correspondentie tussen beide kanten van de frontlinie is erg moeilijk maar niet onmogelijk. Daarvoor doet men een beroep op smokkelaars of kennissen in het neutrale Nederland, die wel met het bezette land kunnen corresponderen.

postbedeling_belgischleger

Op 1 november 1916 is Raoul Snoeck bij de gelukkigen. In zijn dagboek noteert hij :

Ik krijg nieuws van mijn ouders. Tussen de regels lees ik hun angst. Moeder schrijft in elke brief:”Wees voorzichtig, stel je niet teveel bloot aan het gevaar, hou je goed warm.”. Ik heb juffrouw Bulthé van Holland gevraagd hen zoveel mogelijk gerust te stellen. Helaas ! Onze ouders vrezen het ergste en denken dat we voortdurend in de strijd betrokken zijn, de bajonet op het geweer en de pet op het oor. Wild, bebloed en groots. Het is volstrekt niet altijd zo, hoewel een soldaat steeds gevaar loopt. We scheppen plezier in het vechten want we houden van actie, en aan het front zijn we vrolijk en talrijk. Vinden we na de strijd iedereen aanwezig in het kantonnement, wat doet het dan deugd te beseffen dat we enkele ‘grijzen’ gemold hebben en daarmee onze plicht vervuld. (…)

Overigens heb ik in het ergste voorzien. Vrienden bezitten mijn adres voor het geval me iets fataals zou overkomen, zodat ze mijn ouders kunnen verwittigen. Na het nemen van die voorzorg praten we er niet meer over, het is een stilzwijgende overeenkomst.

bronnen
Daniël Vanacker, Belgie in de Grote Oorlog, Roularta Books
Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

Raoul Snoeck mag naar Parijs

Op 7 september 1916 noteert Raoul Snoeck nog het volgende :

Wij hebben een periode van verschrikkelijk slecht weer achter de rug. De maand augustus en de eerste dagen van september waren erbarmelijk. Het bleef maar regenen. De weiden veranderden in echte slijkpoelen. De ongezonde mist van de Polders bezorgde me een korte, hevige koortsaanval. Ik was erg teneergedrukt.

2 weken later is Raoul al veel opgewekter, en met reden : hij mag naar Parijs !

20 september 1916 : Morgen vertrek ik naar Parijs. Wat ben ik gelukkig terug naar ‘Panam’ te mogen. Ik poets al mijn spullen want aan het front ben ik vuil en vies, en ik wil netjes zijn als ik met verlof ga. Ik heb een paar bruine beenkappen gekocht, die niet helemaal de kleur van mijn schoenen hebben. Om ze bleker te maken laat ik ze door de makkers met schuurpapier behandelen. Ze wrijven date het een plezier is en er wordt wat afgelachen.

21 september 1916 : Paul, mijn ordonnans, brengt me met de fiets naar het station, want ik wil mijn gepoetste schoenen niet vuil maken. Als je netjes bent, word je weer koket en daarbij, als ik in Panam respect wil afdwingen voor het kleine België, dan mag ik zeker niet weerzinwekkend overkomen bij de vriendelijke Parijzenaars, wat dacht je wel ?

bron : Raoul Snoeck, in de modderbij van de Ijzervallei, vertaald door André Gysel, SNoeck Ducaju & zoon

Poilu_Marianne.png

Overval op Duitse loopgraaf

Raoul Snoeck noteert op 18 juli 1916 het volgende in zijn dagboek :

Vandaag zijn we met een compagnie doorgestoten tot in een ver vooruitgeschoven Duitse loopgravenkop. De aanval werd voorafgegaan door een artilleriebombardement en is volledig geslaagd. We hebben de vierentwintig Duitsers die de versterkte bunker bezetten met dolken omgebracht. De loograaf werd ondersteboven gekeerd door onze artillerie. We vonden er halfbedolven uiteengereten lijken, de overlevenden bewaarden nog schrikbeelden van angst in de ogen. Als je het nog niet bent, zou je gek worden van dergelijke gruwelen. Maar tijdens de actie geven we niet toe aan sentimentaliteit. We zijn beneveld door kruitgeur, haat en overleveingsinstinct. In het begin van de oorlog zijn we al te dikwijls slachtoffer geweest van onze goedhartigheid. Maar de tijden zijn veranderd, teveel beproevingen hebben ons gestaald !

Onderstaande schilderij is van François Flameng en heeft als titel “tranchée conquise”.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & Zoon

flameng_tranchee_conquise.jpg

Flameng – tranchée conquise

andere gevechtstechnieken aan Ijzerfront

Terwijl de slag aan de Somme in alle hevigheid woedt, is er aan het Ijzerfront weinig beweging te merken. Dat betekent echter niet dat er geen gevechten zijn, integendeel. Maar waar de geallieerde soldaten nog met de bajonet op het geweer naar voor stormen aan de Somme, daar krijgen de Belgische soldaten aan het Ijzerfront andere wapens uitgedeeld. En deze wapens zijn eerder bedoeld voor snelle overvallen op vijandelijke loopgraven. Raoul Snoeck noteert op 2 juli 1916 het volgende in zijn dagboek.

Vandaag hebben we grote messen gekregen, een soort dolken. Ze werden verdeeld onder de beste soldaten van elke compagnie. Velen onder ons durven ze nauwelijks hanteren, op mij maken ze een vreemde indruk. We zijn verrast dit nieuwe moorddadige wapen in handen te krijgen, waarmee we ons in de toekomst moeten verdedigen. De bajonet is te lang en te hinderlijk. En zeggen dat we beschaafde mensen zijn, niet te geloven. De Duitsers bedienen zich al lang van dit soort wapens. Zij hebben ons gedwongen soldaat te zijn en naar hun voorbeeld moordenaars te worden. Dumdumkogels, duikboten die eerzame reizigers aanvallen, brandbommen, stikgas, alle middelen zijn goed. Maar dat belet niet dat wij hen vroeg of laat wel zullen liggen hebben.

bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

loopgraafdolken.jpg

emotionele roetsjbaan voor Raoul Snoeck

Mei 1916 is een emotionele roetsjbaan voor Raoul Snoeck met hoogtes en laagtes, gevaar aan het front, verlof in Parijs en ziekte.

6 mei 1916 Wat een rotweer. De regen zet alles onder water, we verzuipen in onze loopgraven. Het moreel is goed. Ik voorzie een derde oorlogswinter. Het is verschrikkelijk maar wat kunnen wij eraan verhelpen ? (…)

10 mei 1916 De laatste dagen hebben de Duitsers heel regelmatig hun aanvallen op de Dodengang vernieuwd. De bestormingen worden voorafgegaan door hevige bombardementen met torpedo’s, bommen en obussen.

16 mei 1916 Aan een brave kerel van de compagnie vroeg ik of hij mijn oppasser wou worden. Altijd had hij dat aan anderen geweigerd, maar hij antwoordde :”U bent een goed mens, ik wil wel uw ordonnans zijn.”. Hij heet Paul Vandenberghe, een eenvoudige jongen uit het Roeselaarse platteland. Zijn broers zijn bekende wielrenners. Hij zal mijn taak een beetje verlichten. Net zoals ik is hij soldaat van de klasse 13, we zijn al samen sinds het begin van de oorlog.

19 mei 1916 Ik ben voor zeven dagen met verlof in Parijs. Zoals gewoonlijk amuseer ik me goed. Ik maak van de gelegenheid gebruik om me te laten fotograferen met helm en in legerjas. Ik reken erop dit krijgshaftig portret aan mijn familie te kunnen toesturen.

26 mei 1916 Opnieuw in het kantonnement. Ik verlaat Parijs altijd met spijt in het hart, wan tik moet er zulke goeie vrienden achterlaten. Ze zijn erg toegewijd en ontvangen me als een zoon of een broer. De dagen die ik bij hen in de mooie Lichtstad doorbreng, doen al het andere vergeten. Ah ! Wat is Parijs toch mooi !
En nu vooruit ! Op naar een nieuwe periode van strijd en ellende.

30 mei 1916 Ik vertoon verschijnselen van bronchitis, griep, influenza, alles ineens. Tien dagen ben ik compleet van de kaart geweest. Ik denk veel aan mijn ouders. Hoe ongerust zouden ze niet zijn, mochten ze weten dat ik ziek was !
Mijn verwonding heeft me zes maand achter het front gehouden. Ik mag niet klagen. Wie nog nooit het front verlaten heeft, is nog ongelukkiger dan ik.
De laatste weken doorworstel ik een zwarte periode, ik val ten prooi aan verschrikkelijke buien van neerslachtigheid. Soms ben ik zo bedroefd dat niets me kan troosten. Ik heb geen veerkracht meer, geen energie, misschien is het lafheid. Maar wie nooit gezondigd heeft, mag de eerste steen werpen. De moedeloosheid maakt me kapot.

bron : Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, SNoeck-Ducaju & zoon

RaoulSnoeck_Parijs_Mei1916

deze foto liet Raoul Snoeck in mei 1916 in Parijs maken

Cultuur voor de piot in Auvours

Op 3 februari 1916 noteert Raoul Snoeck in zijn dagboek :

Sinds zeven dagen ben ik in Auvours, morgen vertrek ik naar Dieppe. Ik rouw er niet om. Temidden van die bossen is het verschrikkelijk mistroostig, ik dacht er gek te worden. Voeding, huisvesting en verzorging zijn slecht, nog erger dan aan het front. Auvours is een doorgangskamp voor alle gewonden en zieken die nog aan het front terugkeren.

Als Raoul Snoeck iets later was toegekomen, had hij nog kunnen kennis maken met De Kring. De Legerbode beschrijft op 8 februari 1916 hoe er ook tijdens de oorlog aandacht is voor de culturele verheffing van de militairen : in het kamp van Auvours wordt een kring gesticht waartoe alle soldaten toegang hebben.

De Kring bestaat uit een harmonie, een symfoni, een toneelafdeling, een zangafdeling en een sportafdeling. Verstrooiing en vermaak zullen dan ook op veelvuldige wijze verschaft kunnen worden. Op de vergaderingen zullen er muziek, zang, voordrachten en toneelstukken gegeven worden. Het is de vereniging van alle mannen van goede wil en toewijding, die de leefbaarheid van De Kring zullen verzekeren. De vergaderingen zullen dan eens tweetalig, dan eens uitsluitend Vlaams of Frans zijn.

bronnen
oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds
Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

auvours-lemans-camps

 

 

 

Raoul Snoeck op herstelverlof

Raoul Snoeck is al een hele tijd gewond in een hospitaal. Even vreest hij zelfs voor de amputatie van een been… Maar op 3 januari 1916 noteert hij in zijn dagboek :

Ik ben genezen. Ik had reeds veertien dagen eerder kunnen vertrekken, kreeg ik niet die celvliesontsteking, een kwalijke verwikkeling. Al bij al was het bijna een geluk gewond te zijn. Want ondertussen gingen twee wintermaanden voorbij die ik bij de kachel kon doorbrengen. Ik ontvang een brief van juffrouw Bulthé uit Holland. Ze heeft vernomen dat ik een onderscheiding gekregen heb en behandelt me in alle toonaarden als dappere held. Kom, zo heldhaftig is dat nu ook weer niet, ik heb zoals zovelen enkel mijn plicht gedaan. Daar hoef ik niet fier op te zijn. In de loopgraven vragen we niets liever dan actie, nietsdoen is moordend. Op verkenning wreken de Duitsers zich door gaten in ons vel te schieten.

Het zal duren tot maart 1916 voor Raoul Snoeck weer aan het front is. In die periode passeert hij ook in Parijs waar hij onderstaande foto laat maken.

bron : Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon

RaoulSnoeck_Jan1916