Landing in de baai van Suvla

Begin augustus 1915 zitten de Britten nog steeds klem op de 2 bruggenhoofden Kaap Helles en de Anzac-inham. Twee uitbraakpogingen van luitenant-generaal Aylmer Hunter-Weston – de slagen om het Gully ravin en de berg Achi Baba – hebben geen resultaten opgeleverd voor de Britten. Er zijn alleen heel wat soldaten gesneuveld : 8.000 Britsen en 24.000 Turkse militairen. Hunter-Weston is terug naar het thuisland gestuurd en opgevolgd door generaal Street.

Op 6 augustus 1915 landen Britse troepen in de baai van Suvla om een derde bruggenhoofd te vormen, ten noorden van de Anzac-inham. Vanuit die twee bruggenhoofden moeten de troepen de heuvelrug Sari Bair in een gecombineerde actie veroverd worden om ze aan elkaar te linken. Liman von Sanders weet al weken van tevoren dat er nieuwe invasieplannen klaar zijn, alleen kent hij de precieze plaats niet. Hij verspreidt zijn divisies zodanig dat er geen Turken in de buurt van de baai van Suvla liggen. Voor het leidinggeven aan de landing wordt sir Frederick Stopford aangewezen, een al wat oudere man die eerder dienst had gedaan als ceremonieel luitenant bij de Tower van Londen, en die geen gevechtservaring heeft. Dit nadeel wordt nog vergroot door het feit dat generaal Street bij Kaap Helles en generaal Birdwood in de Anzac-inham niet weten wat hun rol nu precies inhoudt. Beide generaals doen vanuit hun bruggenhoofd uitbraakpogingen maar zonder al te veel succes. De ANZAC-troepen veroveren wel de top van Chunuk Bair op 8 augustus 1915, maar Turkse soldaten onder leiding van Mustafa Kemal doen een tegenaanval en verdrijven de ANZAC-soldaten terug.

De landing bij de baai van Suvla is wel een succes. Slechts gehinderd door wat sluipschutters, komen 20.000 manschappen vlot aan land. Generaal Stopford wacht echter met het aanvallen van de heuvels tot de avond invalt en er wordt geen poging gedaan de heuvelrug van Tekke Tepe in te nemen. Stopford had geen idee hoe zwak de Turken in de buurt vertegenwoordigd zijn en is al blij met het consolideren van zijn positie in de plaatselijke heuvels. Sir Ian Hamilton, de opperbevelhebber over de strijdkrachten in dit gebied, probeert Stopford wel tot daden te bewegen, maar dat gebeurt pas als hij ter plekke komt op 8 augustus 1915. In die tussentijd geeft Liman von Sanders kolonel Mustafa Kemal de opdracht om de baai van Suvla af te sluiten. In zijn eigen energieke stijl doet kolonel Kemal wat van hem verwacht wordt. De Britten zijn dus weer gestopt, al bezitten ze nu een derde bruggenhoofd.

Suvla_landing_1915

slachtpartij in Siirt

Rafael de Nogales is een Zuid-Amerikaans avonturier die zich heeft aangemeld bij het Ottomaans leger. Op 18 juni 1915 in de ochtend hebben een paar Turkse officieren in zijn gezelschap verteld dat de voorbereidingen in Bitlis nu klaar waren en dat ze nog alleen wachtten op een order van hogerhand, dat het doden in Siirt daarna op elk moment kon beginnen. Als de Nogales in Siirt toekomt, ziet hij een heuvel vlak bij de hoofdweg. Hij noteert het volgende in zijn dagboek.

De heuvel was gekroond met duizenden halfnaakte en nog bloedende lichamen, die op stapels lagen, in elkaar vervlochten in een laatste omarming in de dood. Vaders, broers, zonen en kleinzonen lagen zoals ze gevallen waren door de kogels of jatagans van de moordenaars. Uit meer dan één opengesneden keel liep het leven weg in hartslagen van warm bloed. Zwermen gieren zaten op de hopen, pikten de ogen van doden en stervenden uit, wier verstijfde blikken nog angst en onuitsprekelijke pijn leken te weerspiegelen, alles terwijl de aasetende honden hun scherpe tanden zetten in ingewanden die nog pulseerden van het leven.

Het veld van lichamen strekt zich uit tot op de straat, en om zich een weg te banen moeten ze hun paarden ten slotte ove de ‘bergen kadavers’ laten springen. Gechoqueerd en verdoofd rijdt de Nogales Siirt binnen. Daar zijn de politie en het islamitische deel van de stadsbevolking druk bezig om samen de christelijke huizen te plunderen. Hij ontmoet enkele overheidspersonen van de streek, onder meer het hoofd van de gendarmes van de stad, die de massamoord persoonlijk heeft geleid. Opnieuw krijgt de Nogales bevestigd dat het vermoorden van alle christelijke mannen van boven de twaalf niet zoals eerder een tamelijk spontaan opvlammende pogrom is geweest, maar een goed geplande, centraal gestuurde operatie.

Hij krijgt een nachtkwartier toegewezen in een van de geplunderde gebouwen. De Nogales begrijpt nu dat de aanvallen niet alleen meerd e Armeniërs betreffen, maar ook andere christelijke groeperingen. Het huis is namelijk van een Syrische familie geweest. Het is volkomen leeggeplunderd, op enkele kapotgeslagen stoelen na. Van de vorige eigenaars is geen spoor te bekennen, behalve een Engels woordenboekje en een heel klein beeldje van de Maagd Maria, verborgen in een hoekje. Op de vloeren en muren zitten bloedspatten.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

armenian-genocide01

de verovering van Koet-el-Amara

Generaal Townshend

Generaal Townshend

Koet-el-Amara is in 1915 een belangrijke Turkse administratieve basis en een commercieel centrum, zo’n 160 km ten noorden van Qurna dat de Britten in december 1914 hebben veroverd. De nieuwe Britse opperbevelhebber ter plekke is sir John Nixon, die de Indiase “voorwaartse defensie” voluit steunde. Het land tussen Qurna en Koet-el-Amara staat grote delen van het jaar onder water, op sommige plekken bijna een meter. Nadat Nixon in april 1915 een Turkse aanval bij Shaiba heeft afgeslagen, vindt hij het tijd om Koet-el-Amara te veroveren. Hij stuurt sir Charles Townshend, die reeds in 1895 de bijnaam “Lucky” heeft gekregen, met de Poona divisie op pad met 500 platbodems die zoveel wapens meenemen als de schepen veilig kunnen vervoeren.

Op 31 mei 1915 vaart Townshed Qurna uit. Van verkenners hoort hij dat een grote Turkse macht zich richting Koet-el-Amara spoedt. Terwijl hij zijn artillerie achterlaat, zet Townshend snel de achtervolging in, in wat de populaire pers de ‘regatta’ (roeiwedstrijd) noemt. De volgende dag krijgt hij de Turkse achterhoede in zicht, maar die slaat op de vlucht. Op 3 juni 1915 arriveert Townshend met circa 10 mariniers en soldaten bij Koet-el-Amara. Hij bluft dat hij op de voet wordt gevolgd door een groot leger en weet de 2.000 Turken te bewegen zich over te geven. De hoofdmacht arriveert pas een tijdje later.

Britse troepen in Mesopotamie ontwapenen Turkse soldaten

Britse troepen in Mesopotamie

bron : Roel Tanja, een korte geschiedenis van de eerste wereldoorlog, BBNC uitgevers

William Henry Dawkins sneuvelt bij Gallipoli

William Henry Dawkins sneuvelt bij Gallipoli

Sinds de landing op Gallipoli van twee weken geleden (lees meer op deze pagina) is het mooi weer geweest, zij het met koude nachten. Twee dagen geleden begon er echter een grauwe motregen te vallen. En zo is het gebleven. Door de grote hoeveelheden mensen en dieren die tussen het strand en de loopgraven op de steile heuvels heen en weer lopen, zijn de paden vertrapt tot een kleverige brij, en het is moeilijk je over de natte, glibberige klei in de ravijnen voort te bewegen. William Henry Dawkins slaapt samen met zijn korporaal in een overdekte kloof op de strandhelling. Als hij op de ochtend van 12 mei 1915 wakker wordt, plenst het.

Iedereen kan zien dat de grootse operatie is vastgelopen. In feite hebben de geallieerden maar op twee punten echte bruggenhoofden weten te slaan : op het zuidelijkste puntje van het schiereiland, en hier, aan de westzijde van Gallipoli, bij Gaba Tepe. En dat terwijl Dawkins en de anderen eigenlijk op de verkeerde plek zijn geland, ruim een kilometer ten noorden van het beoogde punt. Wat in zeker opzicht een geluk was aangezien de Ottomaanse verdediging daar ongewoon zwak was.

(…)

Dat water een probleem zou worden, vooral nu het allerwarmste jaargetijde voor de deur stond, ja, dat wist men. Daarom hadden ze toen ze aan land gingen dekschuiten bij zich gehad die geladen waren met water uit Lemnos, water om in de allereerste behoeften te voorzien totdat de genietroepen hun waterbronnen in werking hadden gebracht. En Dawkins en zijn mannen hadden snel gewerkt, ze hadden diverse putten geslagen en speciale plaatsen ingericht waar mens en dier levensreddend vocht konden vinden.

Het is een gewone ochtend, grijs en nat. Dawkins stelt zijn soldaten in de gebruikelijke volgorde op en geeft de verschillende groepen hun opdrachten voor de dag. Een ervan is verder te gaan met het ingraven van de waterleidingen. Weinig glorieus werk, zeker geen motief voor indringende reportages in geïllustreerde tijdschriften, maar evenwel noodzakelijk. Deze ochtend wacht een van de groepen een ongewoon gevaarlijke etappe. Je kunt zien waar : over een afstand van ongeveer honderd meter liggen een stuk of dertig dode muilezels, door Turkse granaten geveld. Vooralsnog is het rustig en stil. Het is kwart voor tien.

Dan horen ze het gefluit van een granaat. Het is de eerste van die ochtend. Het projectiel explodeert vlak boven de hoofden van de soldaten die bij hun waterleiding neerhurken, maar het is een granaatkartets, dus de soldaten blijven ongedeerd : de lading ronde kogels, spuit door de lucht en komt vijftien meter verderop omlaag.

Een van de soldaten, Morey, draait zich om. Hij zit nog juist hoe Richard Henry Dawkins omvalt, op die speciale manier die zo kenmerkend is voor zwaargewonden, als de val niet wordt gestuurd door de gebruikelijke mechaniek van het lichaam, maar door de eenvoudige wetten van de zwaartekracht. Ze rennen naar hem toe. Dawkins is in zijn hoofd, keel en borst geraakt. Ze tillen hem op van de natte grond, dragen hem naar een veilige plek. Achter hen explodeert nog een granaat met een korte, droge knal. Ze leggen hem neer. Bloed vermengt zich met regenwater. Hij zegt niets. Hij sterft voor hun ogen.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Ik werk op een waterbedrijf. Bovenstaande passage heeft me dan ook getroffen omdat iemand op zoek naar water voor hem en zijn medemensen daarbij het leven laat. Ik plaats daarom een extra foto bij dit bericht over Australische waterdragers op Gallipoli. 

Water_carriers_w685

William Henry Dawkins gaat aan land bij Gallipoli

Op 25 april 1915 om half vier ’s ochtends wordt de Australische luitenant William Henry Dawkins wakker en neemt een warm bad. Ondertussen vaart het schip met gedoofde lantaarns naar het noordoosten. Als de zon aan de horizon verschijnt, gooien ze het anker uit; rondom hen schaduwen van omringende schepen, voor het het langgerekte schiereiland Gallipoli. Dan volgen het ontbijt en de voorbereiding voor de ontscheping. Ondertussen beginnen de kanonnen van de oorlogsschepen te bulderen. Dawkins en zijn manschappen stappen eerst over op een torpedojager die hen dichter bij het land brengt. Van de torpedojager stappen ze vervolgens over in grote houten sloepen, door motorboten getrokken.

Golven. Ochtengloren. Luide knallen. Hij ziet de eerste gewonden. Hij ziet kogels van ontploffende granaatkartetsen in vlagen omlaagspuiten en het wateroppervlak doorboeren waarbij honderden fonteintjes ontstaan. Hij ziet het strand dichterbij komen en springt uit de boot. Om 8 uur staan al zijn mannen bij het water opgesteld. Met de bajonetten op hun geweren. Dawkins noteert in zijn dagboek :

We wachten ongeveer een uur op het strand. De generaal en zijn staf komen langs. De eerste lijkt in een uitstekend humeur, wat een goed voorteken is. Niemand weet precies wat er is gebeurd. De rest van onze compagnie gaat aan land. Ik verplaats me met een patrouille zuidwaarts over het strand, op zoek naar water. We vinden een gat met water in de buurt van een Turkse hut, de bezittingen van de bewoners liggen overal verspreid. We trekken over een heuvelrug een diep ravijn in, maar infanteristen achter ons schreeuwen en we moeten keren. IK stuur een groep op pad om een put te boren in hetzelfde ravijn, en og een om een kleine bron bij het strand te herstellen. In het ravijn, in buurt van de hut, komen zwermen kogels neer die te hoog zijn gegaan en hun doel hebben gemist. De infanteristen op de heuvel voor ons roepen almaar koortsachtig dat we beschoten worden. Natuurlijk worden we dat.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Gallipoli_Landing-2

Rafael de Nogales Mendez maakt de belegering van Van mee

Rafael_de_Nogales_MendezRafael de Nogales Méndez is een Venezolaans avonturier die je vaak vindt waar er oorlog is. Tijdens de Groote Oorlog dient hij in het Ottomaanse leger. Op 25 april 1915 bevindt hij zich aan de rand van de oude Armeense stad Van, die in een van de noordoostelijke provincies van het Ottomaanse rijk ligt, vlakbij Perzië en in noordelijke richting niet meer dan ruim 150 kilometer van de grens met Rusland. In de stad is een opstand gaande. De Nogales maakt deel uit van de troepen die worden ingezet om die te onderdrukken.

De situatie is gecompliceerd. De Armeense opstandelingen hebben het oude ommuurde deel van de stad en de voorstad Aikesdan in handen. De troepen van de Turkse gouverneur beheersen de citadel op de rots boven de stad en de rest van de omliggende bebouwing. En ergens in het noorden bevindt zich een Russische legerkorps, op het moment tegengehouden door de moeilijk doordringbare bergpas bij Kotur Tepe, maar in elk geval in theorie minder dan een dagmars verderop. Aan beide kanten pendelt de stemming tussen hoop en wanhoop, tussen angst en vertrouwen. De christelijke Armeniërs hebben geen keuze; ze weten dat ze moeten volhouden tot het Russisch korps arriveert. En hun islamitische tegenstanders weten dat de strijd gewonnen moet worden voor de Russen zich aan de horizon vertonen en belegeraars en belegerden van plaats wisselen.

Dit verklaart deels de wreedheid van de gevechten. Geen van de partijen maakt gevangenen.(…) De opdracht om Van te onderwerpen is lastig. De Armeniërs verdedigen zich met de wilde, wanhopige moed van hen die weten dat nederlaag en dood synonieme begrippen zijn. Tegelijkertijd zijn veel van de vrijwilligers in De Nogales’ eenheid ongedisciplineerd, onervaren, eigenzinnig en gedeeltelijk volstrekt onbruikbaar in echte gevechten. Tot overmaat van ramp is het oude Van een regelrecht labyrint van bazaars, nauwe steegjes en huizen met lemen muren, even moeilijk te overzien als lastig te doordringen. Het onderwerpen van de stad is daarom in veel opzichten overgelaten aan de Ottomaanse artillerie.

Van_April_1915_cannons_captured_by_the_Armenians

De Nogales staat naast de gouverneur van de provincie, Cevdet Bey, en ziet hoe een dorp nabij Van bestormd wordt. Hij ziet hoe 300 Koerden te paard de vluchtwegen van de Armeniërs afsnijden. Hij ziet hoe de Koerden de overlevenden met een mes afmaken. Plotseling suizen er kogels door de lucht vlak naast De Nogales en de gouverneur. De schoten zijn afkomstig van een paar Armeniërs die op de grote Sint-Pauluskathedraal in het oude Van zijn geklommen. Tot nu toe hebben beide partijen dit oude heiligdom gerespecteerd, maar nu geeft de gouverneur het bevel de kathedraal aan stukken te schieten. Het kost 2 uur van vuren met kanonskogels voordat de hoge, oeroude dom instort in een wolk van stof. Op dit moment zijn er ook Armeense sluipschutters op de minaret van de grote moskee geklommen. Ditmaal is de gouverneur niet even snel met het geven van het bevel tot vuren. De Nogales twijfelt echter niet en geeft bevel tot vuren. “Op deze manier”, vertelt de Nogales, “zijn in de loop van één dag de twee voornaamste tempels van Van verwoest, die al negen eeuwen tot de beroemdste historische monumenten van de stad behoorden.”.

bron : Peter Englund, de schoonheid en het verdriet van de oorlog, Spectrum

Landing in Gallipoli

Eindelijk begint het tot de Britse kabinetsleden door te dringen dat de tactiek van de marinebombardementen op de forten bij de Dardanellen nooit tot een overwinning zal leiden. De laatste poging daartoe op 18 maart 1915 (lees meer daarover op deze pagina) was jammerlijk mislukt. Maar in plaats van het hele avontuur af te blazen, kiest men ervoor om het nu met grondtroepen te proberen. Lord Horiatio Kitchener, de minister van Oorlog, duidt zijn voormalige protégé sir Ian Hamilton aan om de troepen te leiden. Leden van het Griekse verzet gaven aan dat voor een verovering vah Gallipoli, het zuidelijke Europese schiereiland bij de Dardanellen, zo’n 150.000 mannen nodig zijn. Maar Kitchener vindt dat het ook wel met de helft van dat aantal kan.

GallipoliLanding01

De verdediging van Gallipoli wordt geleid door de Duitser Otto Liman von Sanders. Hij is bang dat een gebrek aan munitie en manschappen – hij heeft slechts 20.000 man tot zijn beschikking – wel eens een geslaagde invasie zou kunnen betekenen. Zijn vrees is ongegrond want Hamilton erft een gedesorganiseerde troepenmacht – de aangewezen Australische en Nieuw-Zeelandse militairen zijn zo groen als gras – en er is nauwelijks iets aan inlichtingenzerk gedaan. Het kost de Britten dan ook vijf weken om tot een invasie te komen, en Liman heeft alle tijd gehad om zijn voorbereidingen te treffen.

De landingen op 25 april 1915 vinden uiteindelijke plaats bij Kaap Helles, op het zuidelijkste puntje, en 15 km verderop bij Ari Burnu (ofwel de “Anzac”-inham). Bij Kaap Helles gaat prompt veel mis, vooral door het wanbeheer van generaal Aylmer Gould Hunter-Weston. Van de vijf landingspunten worden er drie veroverd. Om volstrekt onduidelijke redenen kiest Hunter-Weston ervoor om zich in te graven en niet op te trekken; waarschijnlijk omdat Hamilton daar geen duidelijke bevelen toe heeft gegeven. Bij de Anzac-inham gaat de populaire commandant William Birdwood wel direct verder het land in en hij weet bijna de hoogvlakte van Gallipoli te bereiken.

Gallipoli

Maar een resolute verdediging door Turkse reservisten, onder leiding van kolonel Mustafa Kemal Pasha, drukt Birdwoods mannen weer terug. Mustafa Kemal Pasha zal later grote roem verwerven als Kemal Atatürk, de vader van de Turkse staat.  Er vinden nog drie succesvolle afleidingslandingen plaats, zodat Liman von Sanders in eerste instantie geen idee heeft waar hij zijn mannen heen moet sturen. Maar dat wordt binnen enkele dagen duidelijk en hij kan zijn troepen concentreren waar het nodig is. Het blijkt echter niet genoeg te zijn om de Britten weer in zee te kunnen drijven. Ook hier ontstaat een loopgravenoorlog.

bron : Roel Tanja, een korte geschiedenis van de eerste wereldoorlog, BBNC uitgevers

de slag van Shaiba

SuleimanAskeriDe Turken vallen op 12 april 1915 Britse stellingen aan nabij Shaiba in Mesopotamie (wat later Irak zou worden en in 1915 nog deel uitmaakt van het Ottomaanse rijk). Het is de bedoeling om de Britten hier te verjagen en ze daarna ook uit de havenstad Basra te verdrijven. Deze belangrijke havenstad was in handen van de Britten na de slag om Basra (11 nov – 21 nov 1914). Met het invallen van de winter waren de gevechten gestaakt tot de lente van 1915.

De Turkse commandant Suleiman Askeri staat aan het hoofd van 4.000 Turkse soldaten en Arabische hulptroepen met een totaal van 14.000 man. Hij valt het Britse garnizoen van 7.000 soldaten  aan op 12 april 1915. De bombardementen en de aanvallen op de Britse stellingen leveren echter geen overwinning op en de Turken trekken zich terug in het bos van Barjisiyeh. Op 13 april vallen de Britten op hun beurt aan en zij slagen erin de Arabische troepen te verjagen. Tijdens de rest van de slag zullen de Arabieren niet meer deelnemen aan de gevechten. Op 14 april verlaten de Britten hun stellingen om de Turkse troepen op de vlucht te drijven. De ganse dag wordt er gevochten in het bos van Barjisiyeh. Na een stormaanval met bajonet slagen de Britten er toch in de Turken uit hun posities te verdrijven. Zo eindigt deze slag op 15 april. De Turken trekken zich terug en de uitgeputte Britten zetten de achtervolging niet in. Commandant Suleiman Askeri pleegt na de slag zelfmoord en wijt het verlies aan het gebrek aan ondersteuning vanwege de Arabische troepen.

Indische kanonniers tijdens de slag om Shaiba

Indische kanonniers tijdens de slag om Shaiba

bronnen

http://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_om_Basra

http://en.wikipedia.org/wiki/Battle_of_Shaiba

http://www.king-emperor.com/Photographs%20-%20Battle%20of%20Shaiba%201915.html

http://www.turkeyswar.com/campaigns/mesopotamia.html

Turken slaan Britten en Fransen terug bij Gallipoli

Bij een mislukte Britse aanval op de Dardanellen slagen achttien geallieerde schepen, waaronder ook drie Franse, er op 18 maart 1915 niet in om de Turkse vlooteenheid te verdrijven. Ze moeten zich terugtrekken, met achterlating van drie gezonken scherpen (waaronder de Franse Bouvet), terwijl drie andere behoorlijk beschadigd zijn. Blijkbaar hielden de geallieerden, onder leiding van viceadmiraal John de Robeck, geen of te weinig rekening met de aanwezigheid van mijnen in de relatief smalle zee-engte. Er waren dan ook nauwelijks mijnenvegers bij de geallieerde vloot. Voor de Turken is 18 maart 1915 dan ook een grote overwinning. Wie zich daarvan wil overtuigen, moet eens googelen op 18 mart 1915 Çanakkale (Turkse naam voor Gallipoli).

Turkse artillerie actief nabij Gallipoli

Turkse artillerie actief nabij Gallipoli

Britse hulp voor de Russen via de Dardanellen

In januari 1915 krijgen de Britten een Russisch verzoek om een geallieerde operatie tegen Turkije om de druk in de Kaukasus te verlichten. Zonder die hulp zien de Russen zich gedwongen troepen van het oostfront naar de Kaukasus te sturen. En daarmee zouden mogelijk Duitse troepen van het oostfront vrijkomen voor het westfront.

Winston Churchill als first Lord van de admiraliteit, heeft het idee opgevat om de via de Dardanellen een aanvoerroute tussen de westelijke geallieerden en Rusland veilig te stellen. Hij vraagt admiraal Sackville Carden om het plan uit te werken. Bedoeling is om met een aantal oudere schepen de Turkse forten langs deze zeestraat aan te vallen en uit te schakelen. Tevens moet er gedacht worden aan mijnen vegen, want sinds oktober 1914 is deze zeestraat door de Ottomanen verboden voor geallieerde schepen.

De campagne op de Dardanellen start dus als een louter marineoperatie. Maar in de loop van 1915 zou het uitgroeien tot veel meer en leiden tot een invasie van het Gallipoli schiereiland.

In januari en februari 1915 gebeurt het volgende :

13 januari : de Britse oorlogsraad besluit dat de Admiraliteit een marine-expeditie moet voorbereiden in februari om het schiereiland Gallipoli te bombarderen en in te nemen. Einddoel van deze expeditieis de inname van Constantinopel.

15 januari : de Franse duikboot Saphir zinkt in de Dardanellen nabij de stad Çannakale. De bemanning geraakt nog aan land maar kapitein Fournier gaat met zijn duikboot ten onder.

6 februari : Twee Britse marinebataljons worden naar de Egeïsche kust gestuurd om aan land te gaan en Turkse kanonnen te vernietigen.

16 februari : weer worden er twee marinebataljons gestuurd met als doel Turkse kanonnen op te sporen en te vernietigen.

19 februari : Britse oorlogsschepen beginnen de Turkse forten langs de Dardanellen te bombarderen. De schade blijft beperkt.

25 februari : Opnieuw Brits bombardement vanaf zee op de Turkse forten langs de zeestraat.

26 februari : de Britse schepen “Vengeance”, “Dublin” en “Basilik” bombarderen de Turkse forten aan de ingang van de Dardanellen. Franse en Britse mariniers gaan om 14u30 aan land in Kum Kale om de Turkse forten aan te vallen. Nadat ze 3 kanonnen vernietigd hebben, keren ze terug aan boord.

Gallipoli Map

bronnen

http://www.anzacsite.gov.au/5environment/timelines/100-events-gallipoli-campaign/january-february-1915.html#january-3

http://www.france-histoire-esperance.com/chroniques-des-dardanelles-1915-2015-2/

Andy Wiest, de geschiedenis van de eerste wereldoorlog, Deltas