makkers rouwen om Firmin Deprez

Firmin Deprez was samen met Joris Lannoo (de latere uitgever) ingedeeld bij het 6e linieregiment in de sector Noordschote. Hun compagnieën lagen vlak naast elkaar. ALs student in de rechten werd Firmin Deprez eens opgeroepen om een andere soldaat te verdedigen voor de krijgsauditeur. Inzake de Vlaamse taalkwestie was Firmin duidelijk wat radicaler dan Lannoo. Begin april 1916 had hij Jeroom Leuridan opgezocht in de sector Pervijze, niet zo ver van dez beruchte petroleumtanks in Diksmuide. Leuridan noteerde op 13 april 1916 in zijn dagboek dat er aan en achter het front heel wat commotie was bij de Vlaamse soldaten. Er was toen al veel beweging onder de Vlamingen aan het front, maar nog geen volwaardige ‘frontbeweging’.

FirminDeprez1916In mei 1916 zijn de Duitsers extra actief aan het Ijzerfront en elders in België. Met hun gedurige aanvallen willen ze de geallieerde soldaten vastpinnen en voorkomen dat ze de Fransen versterkingen kunnen sturen nu die in Verdun zwaar onder vuur liggen.

Op 20 mei 1916 heeft Firmin Deprez nog een vergadering in Izenberge met aalmoezeniers en brancardiers. Daar wordt op aandringen van Firmin een tekst opgesteld met de titel Wat Vlaamsche studenten kunnen doen. Het is een oproep om de actie niet uit te stellen tot de oorlog voorbij is, er moet nu al gewerkt worden. Daar is Firmin rotsvast van overtuigd. Op die vergadering wordt zijn allerlaatste foto genomen, die we aan deze pagina toevoegen.

In de nacht van 21 op 22 mei 1916 sneuvelt Firmin door de kogel van een Duitse scherpschutter. Voor Joris Lannoo is dit een harde slag. Hij herinnert zich Firmin als ‘een wandelende apostel voor allen : zijn godsvrucht, zijn Vlaamse overtuiging en verantwoordelijkheidsgevoel als bevelvoerder van een infanteriepeloton, mochten allen tot voorbeeld en bevinding strekken. Hij was de man van de rechte lijn op elk gebied en al de soldaten waren vol achting voor hem’.

Op de begrafenis in Oostvleteren dagen ook vele studiegenoten uit Leuven op, waar Firmin rechten had gestudeerd. Joris Lannoo is er niet bij omdat hij zijn sector aan de Ieperlee niet kan verlaten. De pers achter het front bericht vanaf 26 mei 1916 uitvoerig over de dood van Firmin Deprez. Daarnaast zetten verschillende studiekringen hun schouders onder Heldenhulde, een initiatief voor gesneuvelde Vlaamse soldaten dat Joris Lannoo van bij het begin steunt en waarvoor hij zich actief zal inzetten.

bron : Romain Van Landschoot, een Vlaamse viking aan het front, Lannoo

 

emotionele roetsjbaan voor Raoul Snoeck

Mei 1916 is een emotionele roetsjbaan voor Raoul Snoeck met hoogtes en laagtes, gevaar aan het front, verlof in Parijs en ziekte.

6 mei 1916 Wat een rotweer. De regen zet alles onder water, we verzuipen in onze loopgraven. Het moreel is goed. Ik voorzie een derde oorlogswinter. Het is verschrikkelijk maar wat kunnen wij eraan verhelpen ? (…)

10 mei 1916 De laatste dagen hebben de Duitsers heel regelmatig hun aanvallen op de Dodengang vernieuwd. De bestormingen worden voorafgegaan door hevige bombardementen met torpedo’s, bommen en obussen.

16 mei 1916 Aan een brave kerel van de compagnie vroeg ik of hij mijn oppasser wou worden. Altijd had hij dat aan anderen geweigerd, maar hij antwoordde :”U bent een goed mens, ik wil wel uw ordonnans zijn.”. Hij heet Paul Vandenberghe, een eenvoudige jongen uit het Roeselaarse platteland. Zijn broers zijn bekende wielrenners. Hij zal mijn taak een beetje verlichten. Net zoals ik is hij soldaat van de klasse 13, we zijn al samen sinds het begin van de oorlog.

19 mei 1916 Ik ben voor zeven dagen met verlof in Parijs. Zoals gewoonlijk amuseer ik me goed. Ik maak van de gelegenheid gebruik om me te laten fotograferen met helm en in legerjas. Ik reken erop dit krijgshaftig portret aan mijn familie te kunnen toesturen.

26 mei 1916 Opnieuw in het kantonnement. Ik verlaat Parijs altijd met spijt in het hart, wan tik moet er zulke goeie vrienden achterlaten. Ze zijn erg toegewijd en ontvangen me als een zoon of een broer. De dagen die ik bij hen in de mooie Lichtstad doorbreng, doen al het andere vergeten. Ah ! Wat is Parijs toch mooi !
En nu vooruit ! Op naar een nieuwe periode van strijd en ellende.

30 mei 1916 Ik vertoon verschijnselen van bronchitis, griep, influenza, alles ineens. Tien dagen ben ik compleet van de kaart geweest. Ik denk veel aan mijn ouders. Hoe ongerust zouden ze niet zijn, mochten ze weten dat ik ziek was !
Mijn verwonding heeft me zes maand achter het front gehouden. Ik mag niet klagen. Wie nog nooit het front verlaten heeft, is nog ongelukkiger dan ik.
De laatste weken doorworstel ik een zwarte periode, ik val ten prooi aan verschrikkelijke buien van neerslachtigheid. Soms ben ik zo bedroefd dat niets me kan troosten. Ik heb geen veerkracht meer, geen energie, misschien is het lafheid. Maar wie nooit gezondigd heeft, mag de eerste steen werpen. De moedeloosheid maakt me kapot.

bron : Raoul Snoeck, In de modderbrij van de Ijzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, SNoeck-Ducaju & zoon

RaoulSnoeck_Parijs_Mei1916

deze foto liet Raoul Snoeck in mei 1916 in Parijs maken

Duitse furie in Diksmuide

Op dinsdag 2 mei 1916, om 4 uur ’s morgens, schiet de streek aan het Ijzerfront wakker van het kanongebulder. De Belgische frontlinie tussen Diksmuide en de Dodengang ligt zwaar onder vuur. In de kantonnementen van Eggewaartskapelle, Kruis-Abeele en Steenkerke wordt alarm geblazen. De drie bataljons van het 2e linieregiment op rust moeten meteen optrekken naar de Ruiterstelling en de Dodengang. Daar vallen die dag liefst 600 obussen. Gelukkig kan het 2e linieregiment die dag een Duitse inval verijdelen. Verliezen : 6 doden en 16 gewonden. Aan de overkant van de Ijzer vallen wel drie Belgische voorposten in Duitse handen. Maar het 8e linieregiment zet alles op alles en kan ze nog dezelfde dag heroveren. De kost aan mensenlevens in het 8e linie is hoog : 30 doden en circa 120 gewonden.

Drie weken houdt de furie van de Duitse kanonnen ten noorden van Diksmuide aan. Op 9 mei 1916, wanneer hij aan de telefoon zit in één van de huisjes De Burg, bevindt René Deckers zich onverwachts te midden van een zondvloed van obussen. De ene na de andere telefoonverbinding wordt verbroken. Vijf, zes obussen van 105 mm ontploffen dicht in de buurt. Het huisje davert. Met de enkele telefoonlijnen die resten kan René Deckers de commandant van het 2e linieregiment (Sint-Jansmolen) en het hoofdkwartier van de 1e legerdivisie alarmeren. Wanneer ook die hun geschut in werking stellen, is het geweld voor de soldaten in eerste linies oorverdovend.

Het 2e bataljon heeft 2 Duitse aanvallen op de dodengang kunnen afslaan, zo luidt het op 12 mei 1916 in het dagboek van René Deckers.

De vijand toonde zich bijzonder stoutmoedig. Eén na één kropen de mannen over de strook van 17 meter die beide loopgraven van elkaar scheidt. De Duitser die de rij aanvoerde, poogde een mitrailleur aan het einde van de Dodengang te plaatsen. Maar zijn hoofd werd door een granaat afgerukt.

De Ruiterstelling bewijst in die periode zijn defensieve kracht. Diverse keren slagen de Duitsers erin om binnen te dringen in de Dodengang, terwijl hun artillerie de Ruiterstelling onder vuur neemt. Maar de aanvallers zijn niet opgewassen tegen het afweervuur van de hoger gelegen mitrailleursposten. Met blank wapen en handgranaten slagen manschappen van het 2e linieregiment er telkens in de Dodengang te heroveren.

bronnen 
Siegfried Debaeke, het drama van de Dodengang, de Klaproos
foto komt uit Daniël Vanacker, België in de grote oorlog, Roularta

Diksmuide_191605.jpg

 

 

Achtung ! Lebensgefahr !

Den draad, de elektrische afscheiding op de grens tussen België en Nederland, is bedoeld om de doorgang van mensen en goederen in beide richtingen onmogelijk te maken : Belgische vluchtelingen of smokkelaars, Duitse deserteurs, spionnen die uit Groot-Brittannië kwamen en via Nederland naar het oorlogsgebied willen.

Soms is er ook een echte ongeluksvogel bij de slachtoffers van deze hoogspanningsdraad : neem nu reservist Heinrich Metser, uit het infanteriebataljon Neuss. In de buurt van Castelré (niet ver van Baarle-Hertog) wil hij gewoon een konijntje (eveneens een slachtoffer) van tussen de draad halen. Het wordt niet eens zijn galgenmaal maar zijn onmiddellijke dood.

dodendraad03

Brutale bloedprocessie in Brugge

Als het geen oorlog was, zou in Brugge op 8 mei 1916 de Heilig Bloedprocessie plaatsvinden. Naar verluidt had admiraal Ludwig von Schröder gezegd : “De Bruggelingen zullen dit jaar een feest hebben van het Heilig Bloed dat ze nog lang zullen onthouden.” Hij zou daarmee gedoeld hebben op de drie terechtstellingen die ‘s namiddags doorgingen.

Julius Delaplace, Julius De Sloovere en Charles Titeca worden alle drie geëxecuteerd omwille van spionage. Net voor  de aanvang van de terechtstelling excuseert de commandant van het executiepeloton zich bij de verplicht aanwezige Brugse burgerlijke autoriteiten :”Het is droevig voor u als voor ons.”.

FusillesdeBruges

boete voor verstopte duiven

In Het Volk staat op 6 mei 1916 een stukje over twee Belgen die zich niet hielden aan het Duitse decreet over duiven. In plaats van ze in te leveren bij de bevoegde overheid, waren de beestjes goed verborgen. Een militaire patrouille vond de dieren echter tijdens een huiszoeking.

Omdat het gemeentebestuur van Ingooigem had nagelaten om zelf huiszoekingen te doen, krijgt het als dwangstraf een boete van 3000 mark opgelegd.

Duitsers_Duiven

 

Verwarring over de tijd

Stijn Streuvels twijfelt over het juiste uur en noteert op 5 mei 1916 in zijn dagboek :

In afwachting dat het met het uur in huis in orde komt en tot overeenstemming, houd ik er hier in huis drie verschillende uren op na. In de keuken is het oude Belgische tijd, in mijn werkkamer nieuwe Belgische tijd, en in de voorplaats wijst de hangklok de nieuwe Duitse tijd aan, ten behoeve van de ingekwartierde militairen.

Met het nieuwe zomeruur zijn de mensen nog altijd in de war : niemand kan ertoe besluiten zijn uurwerk door te draaien. En ik geloof dat het nog lang zal duren eer de boeren hun noenklokje zullen luiden om 11 uur.

Ingooigem blijft volgens oude gewoonte onvermurwbaar als het erom gaat nieuwe gebruiken in te voeren. Als er dan nog eenheid zou zijn in de besluiten : de knechtenschool (jongensschool) heeft het nieuwe uur in voege gebracht en de meisjesschool niet.

Zomertijd-Wintertijd

laatste patrouille van Arthur Metz

ub-13-metzOberleutnant zur See Arthur Metz verlaat met de UB-13 Zeebrugge op 23 april 1916. Metz heeft de opdracht om gedurende een week de scheepvaart ter hoogte van Southwold aan te vallen. Na zijn vertrek raakt de Duitse admiraliteit elk spoor van UB-13 bijster. Vermoedelijk is de duikboot een dag na het vertrek in een Brits mijnenveld geraakt.

Britse rapporten bevestigen de Duitse vermoedens. Op 24 april 1916 zijn de Britten begonnen met een groot mijnenveld te leggen 18 mijl ten noorden van de Belgische kust. Daarmee willen ze het Belgische zeegebied zo goed mogelijk afsluiten voor U-boten. Die dag worden er ook verschillende ontploffingen gehoord in de netten. UB-10 is erin terechtgekomen en heeft bij verschillende pogingen om vrij te komen, mijnen tot ontploffing gebracht. Na acht uur spartelen kan UB-10 zichzelf bevrijden en veilig de basis te raken.
UB-13 heeft minder geluk. Ze raakt de ankerkabel van de drifter Gleaner of the Sea ter hoogte van de Thorntonbank. Door maneuvers om vrij te komen komt de duikboot in contact met een mijn in de sleep van het konvooi waarna die ontploft. Een patrouillerend watervliegtuig merkt wat er gaande is en werpt een bom op de plaats waar wrakstukken en olie aan de oppervlakte komen. Het wrak van de UB-13 blijft onontdekt tot de vroege jaren negentig van de vorige eeuw.

bron : Tomas Termote, oorlog onder water, Davidsfonds

 

Dodengang onder vuur

Duitse troepen vallen op 2 mei 1916 het loopgravenstelsel aan dat een eeuw later nog steeds bekend staat als de Dodengang. Na een hevig bombardement rukt de Duitse infanterie op. Vooral de Dodengang krijgt veel vijandelijke aandacht, want vandaar zou een indringer zich verder een weg kunnen banen in het Belgische loopgravenstelsel.

De strijd om deze loopgraven zal nog meerdere dagen aanhouden. De Belgische soldaten krijgen het bevel van hogerhand om deze belangrijke stelling te verdedigen tot de laatste man.

Toeristische tip : het loopgravenstelsel dat we kennen als de Dodengang (Ijzerdijk 65, Diksmuide) is gratis te bezoeken tijdens de openingsuren.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

Dodengang05

Duitsers voeren de zomertijd in

Op bevel van de Duitse overheid laat de burgemeester van Hasselt op 28 april 1916 affiches uithangen over de “Tijdsberekening”. We lezen over de zomertijd onder meer :

Wanneer dus op 30 april de horloge op 11 uur Duitse tijd staat, moeten alle openbare horloges op 12 uur Duitse tijd gesteld worden. Onder openbare horloges verstaat men niet alleen de torenhorloges en die op straten en pleinen aangebracht zijn, maar ook alle uurwerken die voor het algemeen verkeer toegankelijk zijn, bijvoorbeeld in inrichtingen van openbaar verkeer, hotels, banken, scholen, winkels enzovoort.

De aandacht wordt erop geroepen dat deze nieuwe vastgestelde tijden voor alle verordeningen van de Duitse militaire en burgerlijke overheden geldig zijn.

bron : oorlogskalender 2014-2018, Davidsfonds

DeutscheSommerzeit.jpg