Odon ontmoet zijn neef Cyriel tijdens de repos in Alveringem

Odon Van Pevenaege schrijft in zijn dagboek over de laatste dagen van november het volgende :

Na twee dagen zonder enige actie, gingen we de Fransen aflossen. Zij lagen juist voor Diksmuide. Het was het 93e Régiment Territorial dat mijn bataljon moest vervangen. Ze maakten de rechterkant van de sector uit. Er werd ons gezegd dat we 2 dagen tranchée en dan 4 dagen repos zouden hebben. Zo ging het ook. Na 2 dagen werden we afgelost door de karabiniers. Aangezien er 3 regimenten in een divisie zijn, hadden we 2 dagen tranchée en 4 dagen repos. Maar de mannen vroegen om 3 dagen tranchée en 6 dagen repos te doen. Onze generaal stemde daarmee in. Zo moesten we minder over en weer lopen. Mijn werk in de tranchée was erg gemakkelijk. Ik was délégué bij mijn pelotonchef. Die 2 dagen waren snel voorbij en we waren weinig gebombardeerd geweest.

Tijdens onze 4 dagen repos in Alveringem kregen we versterking van enkele oude soldaten die uit de forten van Antwerpen overgekomen waren naar Frankrijk. Bij die mannen bevond zich mijn neef Cyriel Van Pevenaege, maar omdat we elkaar al lang niet meer gezien hadden, herkende ik hem niet. Maar hij herkende mij wel. Zo waren die 4 dagen snel voorbij.

Cyriel Van Pevenaege (links op de foto)

Cyriel Van Pevenaege (links op de foto)

Cyriel Van Pevenaege was de neef van Odon. Tijdens hun jeugd hebben ze elkaar veel gezien, maar tijdens hun jeugdjaren minder. Zo komt het dat Odon Cyriel niet had herkend, maar andersom dus wel. Cyriel overleefde de oorlog, en het was hij die in 1918 het dagboek, de foto’s, de paternoster en het naamplaatje van Odon mee naar huis bracht.

bron : Odon, oorlogsdagboek van een Ijzerfrontsoldaat, door Ivan Adriaenssens, uitgeverij Lannoo.

Odon gaat na zijn rustperiode terug naar de eerste linie

Odon Van Pevenaege noteert op 15 november 1914 een aantal gebeurtenissen die duidelijk over een aantal dagen gespreid zijn. (bron : “Odon – oorlogsdagboek van een Ijzerfrontsoldaat”, Ivan Adriaenssens, uitgeverij Lannoo)

Na die twee weken (rust) keerden we terug naar Fortem. Hier verbleef onze compagnie vlak bij de kerk van Oeren. De hele nacht regende het zonder ophouden. ’s Anderendaags gingen we verder in de richting van Lampernisse. We werden ernaartoe geleid langs kleine binnenwegen. Toen we in deze parochie arriveerden, kregen we repos in een stuk bietenveld, tot verdere orders zouden volgen. Het weer was niet goed en er dreigde voortdurend regen. Rond 16u kwam dan het bevel om voorwaarts te gaan. We gingen weer in de richting van Oostkerke. Achter het dorpsplein gekomen volgden we de spoorweg naar Diksmuide. Zo gingen we tot aan het gehucht Oude Bareel, baan Diksmuide-Oudekapelle en Diksmuide-Pervijze, dat wil zeggen de Drijstraat. Hier gekomen nam mijn bataljon de weg van Oudekapelle en na enkele honderden meters draaidenb we het veld in, richting Diksmuide. Het was een aardeweg, die ons door het vlakke land leidde. Het was er zo vuil dat er veel makkers hun schoenen verloren. Ik moest mijn geweer gebruiken als wandelstok. Desondanks viel ik in een gracht vol water. Het weer was ook al niet goed. Men zei dat we hier maar tweehonderd meter van de eerste linie waren en dat we ons tijdens de dag moesten schuilhouden. Als de vijand ons zag, zouden ze beginnen bombarderen. (…)
Na te hebben gegeten deed ik mijn natte schoenen uit om van sokken te veranderen en zonder veel gerucht te maken vertelden we elkaar onze belevenissen. Het duurde niet lang voor we sliepen. Toen ik ontwaakte, was het al licht. Ik ging door een kier van de deur loeren om het terrein te bekijken zonder zelf gezien te worden. De Fransen die op de eerste linie zaten, waren tranchees aan het graven.

Soldaten graven loopgraven - uit het boek "Odon"

Soldaten graven loopgraven – uit het boek “Odon”

Odon en Raoul genieten van relatieve rust

EInd oktober 1914 waren ze nog allebei verwikkeld in hevige gevechten. Maar sinds de onderwaterzetting zijn de gevechten geluwd. Odon Van Pevenaege noteert het volgende in zijn dagboek :

2 tot 15 november 1914 – Pas na lange tijd gingen we naar Lampernisse en vervolgens naar Fortem. Om 2 uur ’s ochtends kwamen we eindelijk in Wulveringem aan. Ons bataljon moest in Het Zwaantje kantonneren (gehucht van Wulveringem) . Onze compagnie werd gelegerd op de hoeve van de burgemeester. Wij verbleven hier een veertiental dagen. In die periode ging de compagnie enkele dagen werken in Oeren en in Fortem aan het kanaal. Daar ging ik met de andere clairons naar de dagelijkse repetitie in een hoeve, vlakbij het dorpsplein.

Wulveringem - gehucht het Zwaantje

Wulveringem – gehucht het Zwaantje

In het dagboek van Raoul Snoeck staat het volgende te lezen :

28 oktober 1914. Om vier uur ’s morgens mogen we ons uit de gevechtszone terugtrekken. De Fransen zijn er ! Het werd tijd. We zijn op, halfdood van vermoeidheid, kou en ontbering. Enkel 65 van de 215 man in mijn compagnie hebben het overleefd.  We blijven slechts overeind door loutere vastberadenheid. Het 2e linie verzamelt in een weide van Booitshoeke (langs de weg Pervijze – Veurne). Met wat rest van ons regiment trekken we ’s nachts naar de Panne. (…)
1 november 1914 Al drie dagen ben ik in De Panne, met drie weken verschrikkelijke strijd achter de rug. Hier is het betrekkelijk rustig, uitgezonderd op patrouille, waar men ons zoals het hoort op geweerschoten onthaalt. (…)
2 november 1914 We leggen loopgraven aan in Wulpen, waarin we ook verblijven.
7 november 1914 We vertrekken om  de loopgraven in Ramskapelle te bezetten, waar we een dag van piket zijn. Daarna volgt een dag wacht en vervolgens een dag rust in Wulpen. De kou is geweken, nu volgt een vieze modderdooi. De loopgraven zijn herschapen in riolen.

Ramskapelle 1914

Ramskapelle 1914

bronnen :

Ivan Petrus Adriaenssens, Odon, Lannoo

Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, vertaald uit het Frans door André Gysel, Snoeck-Ducaju

Odon onder vuur in Pervijze

bron : Odon, oorlogsdagboek van een Ijzerfrontsoldaat door Ivan Petrus Adriaenssens

20 oktober 1914
’s Morgens om 4 uur was het réveille en zodra we gerassembleerd waren, trokken we in de richting van Pervijze. Toen we hier op het dorpsplein kwamen, was de 4e linie er al. Vanhier gingen wij in de richting van Ramskapelle, maar halfweg werden we nogmaals in het veld geleid. Hier maakten we tranchées om ons te kunnen verwarmen, want het was erg koud. We kregen voor de eerste keer Frans brood te eten. Eén brood voor zes man. Dat we content waren, hoeft ge niet te vragen. (…) Tegen de avond werd er gezegd dat we naar de slag moesten, waar niemand zin in had. Iedereen was bevreesd want sinds onze aankomst in Oostkerke was het bombardement nog niet gestopt. (…) Rond 21 uur van de avond van de 20e oktober kwam het bevel om te vertrekken. We gingen door Ramskapelle en trokken in de richting van de Ijzer. Buiten Ramskapelle gekomen moesten wij alweer wachten. We bleven daar liggen tot 2 uur ’s nachts.

21 oktober 1914
(…) We vulden allemaal onze gourde met wateren zakten af in de richting van Pervijze, staken het dorpsplein en de spoorweg over naar de vijand toe. Toen we enkele minuten voorbij het station waren, merkte de vijand ons op en werden de schrapnels voor ons niet gespaard. (…) Onmiddellijk gaf de luitenant ons het bevel ons aan de kant in een gracht te verschuilen. (…) We bleven hier tot omstreeks 14 uur. Er werd oneindig veel geschoten. Rond die tijd gingen wij in tirailleur het veld door. Op een vijfhonderdtal meter voor ons was de vijand een plek aan het bombarderen dat het horen en zien verging. (…)
Het was het bataljon van majoor graaf d’Oultremont. Ze waren nog met 150 man. Men vertelde mij dat ze een aanval gelanceerd hadden en dat dit alles was wat overschoot van dat bataljon. Hun majoor was ook doodgeschoten. Alle mannen waren erdoor aangedaan en zeiden dat het schandalig was om een aanval te doen op zeshonderd meter van een vijand die hen opwachtte met mitrailleurs.

22 oktober 1914
Rond 3 uur ’s ochtends werden we afgelost door het 9e linieregiment. We waren in de zevende hemel toen het zover was. Het duurde dan ook niet lang of we gingen ervandoor. Aan Pervijze-station gekomen was het “halt”. Hier kregen we rantsoen zoveel we wilden.

23 oktober 1914
Rond 7 uur ’s morgens begon de vijand onze tranchée te bombarderen met stukken van 150 tot 210. Commandant De Kempenaar, die mijn bataljon commandeerde, liet ons van plaats veranderen. We gingen nu achter het plein van Pervijze in een gracht liggen, maar de obussen leken ons te volgen. Aan allek kanten zag ik onze arme soldaten terugtrekken. We werden goed bij elkaar gehouden door enkele moedige officiers. (…)
Wij kregen het bevel om vooruit te gaan tot aan de spoorweg. Er was niemand die dat bevel graag opvolgde, iedereen was uitgeput. Toen we aan de spoorweg kwamen, begon de vijand met een afgrijselijk bombardement. De Duitsers mikten voortdurend op de spoorweg. Ook de kerk van Pervijze werd zwaar getroffen.

tekening uit het boek "Odon"

tekening uit het boek “Odon”

vluchtelingen en soldaten in Lier

Soldaat Odon van Pevenaege uit Maarke-Kerkem neemt in Lier de trein richting front. Hij ontmoet er vooral vluchtelingen :

Odon Van Pevenaege

Odon Van Pevenaege

Bij het station staat het vol vluchtelingen met pak en zak. Wie ik ook aanspreek, iedereen roept dat hij nog nooit zoveel mensen bij elkaar zag. Het grootste aantal vluchtelingen komt uit Zemst, want de Duitsers zaten in die gemeente.
Rond 21 uur komt de trein. We vertrekken naar Antwerpen centraal. Nog nooit heb ik een mooier station gezien. De stationshal is volgepropt met vluchtelingen. We moeten weer wachten, maar intussen krijgen we goed te eten en te drinken. Om 22u30 brengt een trein ons naar Sint-Amands. Wij weten niet waar naartoe. Burgers vertellen ons dat de grenadiers hier in de vooravond gepasseerd zijn.

bron : kalender 2014-2018, Davidsfonds

station van Lier

station van Lier