De machtigingswet van Marx

De regering Stresemann is in november 1923 een minderheidsregering en kan dus enkel aanblijven zolang de oppositie dat toelaat. En zowel van linkse als van rechtse partijen neemt de tegenstand tegen deze centrum regering toe. Op 22 november 1923 houdt Stresemann nog een toespraak in het parlement waarop de vertrouwensstemming volgt. Die stemming doet de regering na 103 dagen vallen.

Nochtans heeft Stresemann in deze korte periode veel werk verzet. Met het stoppen van het passieve verzet aan de Ruhr heeft deze regering de voorwaarden voor een ontspanning in de buitenlandse politiek gecreëerd. Met de invoering van de Rentebank en de rentemark is het gelukt de hyperinflatie in te dammen. En ten slotte blijkt deze regering tijdens een existentiële crisis met een roep om dictatoriale oplossingen, in staat geweest de Weimar republiek en de democratie te verdedigen.

De nieuwe kanselier wordt Wilhelm Marx. Die stelt op 4 december 1923 zijn nieuwe kabinet voor. Daarna bereidt hij ook de stemming over de nieuwe machtigingswet voor. Die stemming vindt plaats op 8 december en de wet wordt goedgekeurd met 313 tegen 18 stemmen. De machtigingswet die tot 15 februari 1924 van kracht zal zijn, geeft de rijksregering de macht om maatregelen te nemen die ze met het oog op de noden van de bevolking en het rijk noodzakelijk achten. Daarmee heeft de regering Marx het instrument in handen om het stabilisatiebeleid voort te zetten dat door de regering Stresemann is ingezet.

Het meest urgente is een rigoureuze vermindering van de uitgaven en een even drastische verhoging van de inkomsten. Tot eind maart 1923 wordt het personeelsbestand van de rijksoverheid met 25 procent verminderd. Bijna 400.000 ambtenaren, functionarissen en arbeiders worden ontslagen. De ambtenarensalarissen worden verlaagd tot een niveau dat ver onder dat van voor de oorlog ligt. De wekelijkse arbeidstijd in overheidsdienst wordt van 48 uur naar 54 uur verhoogd. Belastinginningen worden vervroegd naar december en belastingen worden herrekend. Tegelijk wordt de verdeling van inkomsten en uitgaven van het rijk en de deelstaten opnieuw bekeken. Al in het voorjaar van 1924 is de kritische fase van de stabilisatie overwonnen.

Bron : Volker Ullrich, Duitsland 1923 – het jaar van de afgrond, de Arbeiderspers

Invoering van de rentenmark

Half november 1923 bereikt de hyperinflatie in Duitsland haar bizarre hoogtepunt, en tegelijk haar einde. Op 14 november gaat de dollarkoers voor het eerst over de biljoenengrens, op 15 november staat hij op 2,52 biljoen. Op diezelfde dag wordt de nieuwe valuta, de rentenmark, uitgegeven, die half oktober door de coalitie nog is goedgekeurd. De datum van invoering heeft het kabinet tijdens de vergadering op 7 november vastgesteld. Minister van Financiën Luther heeft ervoor gewaarschuwd dat ook de rentenmark een totale mislukking zal worden als het niet lukt om de enorm gestegen uitgaven van het rijk tot een acceptabel niveau te brengen. Daarom moeten de betalingen voor het bezette gebied, waaronder als grootste post de steun voor de werklozen, gestaakt worden. In dezelfde kabinetsvergadering wordt Hjalmar Schacht tot rijkscommissaris van monetaire zaken benoemd. Hij wordt toegevoegd aan de minister van Financiën en mag in het vervolg aan alle kabinetsvergaderingen deelnemen om te adviseren. Na de plotse dood van de president van de Rijksbank Rudolf Havenstein op 20 november 1923 volgt Schacht hem op.

Samen lukt het Luther en Schacht om een succes te maken van de nieuwe valuta. Op de dag van de eerste uitgave op 15 november blijft de papiermark een wettelijk betaalmiddel, maar het mag niet meer worden gedrukt. Pas op 20 november wordt een vaste wisselkoers bekend gemaakt. Men besluit de koers van de dollar op 2,42 biljoen papiermark te stabiliseren en daarna de ruilverhouding tussen rentenmarkt en papiermark op één voor één biljoen vast te zetten. Dat betekent de facto een terugkeer naar de vooroorlogse dollarkoers van 4,20 mark.

Bron : Volker Ullrich, Duitsland 1923 – het jaar van de afgrond, De Arbeiderspers

hyperinflatie en honger

In oktober en november 1923 is er geen inflatie maar hyperinflatie in Duitsland. Tussen 1 augustus en 1 september is de dollarkoers van 1,1 naar 10,3 miljoen Mark gestegen, dus het tienvoudige. Tot 1 oktober stijft de koers naar 242 miljoen, dus het 24-voudige. Op 1 november 1923 is 1 dollar 130 miljard Mark waard. Op vier weken tijd is het dus 537 maal gestegen.

Die hyperinflatie merkt iedere Duitser aan de prijs van de voeding. De broodprijs verhoogt in de maand oktober van 2,4 miljoen naar 1 miljard. Een kilo boter stijgt van 240 miljoen naar 52,5 miljard en een kilo rundsvlees stijgt van 80 miljoen naar 48 miljard.

Er zijn genoeg voedingsmiddelen, maar de producenten willen hun producten niet omruilen tegen waardeloos papier. Als in Berlijn de broodprijs van 19 op 20 oktober verhoogt van 620 miljoen naar 1 miljard Mark, komen op de avond van de 19e een massa mensen bijeen om het brood aan de oude prijs te eisen. De massa roept de politie erbij, die de bakkerij binnengaat, er 20 broden vindt en die aan de massa geeft. Op andere plaatsen is de mensenmassa minder geduldig en stelen ze het brood.

Overal in Duitsland zijn er incidenten waarbij mensen met geweld aan eten willen geraken, omdat de Mark volkomen waardeloos is geworden. In Sorau gaat het er het ergste aan toe : daar sterven 12 personen bij rellen over voedsel.

bron : Frank Stocker, die Inflation von 1923, FBV

einde van de passieve weerstand

Als de regering Stresemann op 13 augustus 1923 aantreedt, is het Ruhrgebied sinds 7 maanden bezet. Tijdens die periode staken de arbeiders er en financiert de Duitse regering deze passieve weerstand. Deze weerstand is in de eerste weken en maanden succesvol. Het drijft de kosten voor de Franse bezetter omhoog terwijl die zelf weinig voordeel aan de bezetting heeft. Bovendien nemen Groot-Brittannië en de Verenigde Staten afstand van Frankrijk.

Maar noch de kostenfactor noch het isolement brengt de Franse eerste minister Poincaré op andere gedachten. Integendeel : de Franse bezettingsmacht treedt hard op. Honderden beambten, ondernemers en arbeiders worden voor het gerecht gebracht. Tienduizenden dienstweigeraars worden uit het bezette Ruhrgebied uitgezet. En de afzondering van het Ruhrgebied ten opzichte van de rest van Duitsland wordt steeds groter.

Maar het front begint af te brokkelen. Dat begint in het Rijnland dat al bezet wordt door de Fransen sinds 1919. Vandaar springt de verzetsmoeheid over naar het Rurhgebied, en dan vooral bij de kleine ondernemers. Die worden in tegenstelling tot arbeiders en beambten niet door de Duitse overheid verder uitbetaald. Zij zijn dan ook de grootste slachtoffers van de passieve weerstand.

Begin september laat Stresemann aan de Fransen weten dat hij wil onderhandelen over het einde van de passieve weerstand. Hij hoopt dat hij voor Duitsland steun kan vinden bij Groot-Brittannië tegen de Franse onverzettelijkheid. Een eerste contact met de Franse ambassadeur op 17 september 1923 geeft alvast aan dat die onverzettelijkheid bijzonder taai is. Als twee dagen later de Engelsen dan ook nog op dezelfde lijn zitten als de Fransen, is het gedaan met de Duitse hoop op onderhandelingsmarge.

De Duitse regering ziet zich door de reuzenhoge inflatie genoodzaakt om te kapituleren en een onvoorwaardelijk einde van de passieve weerstand af te kondigen. Die aankondiging aan het Duitse volk gebeurt op 25 september 1923. De overgrote meerderheid van de burgers verneemt dit met de nodige gelatenheid. Temidden van de financiële problemen is ieder vooral met het eigen overleven bezig. Als de regering het einde van de passieve weerstand afkondigt om de verdere economische ineenstorting te voorkomen, wordt dit door de meesten met opluchting begroet. Eind september verschijnt wat licht aan het einde van de tunnel, omdat de Duitse overheid een aantal lasten van zich kan afschudden om de financiële huishouding terug recht te trekken.

bron : Frank Stocker, die Inflation von 1923, FBV

noodgeld in Duitsland

Als Gustav Stresemann het ambt van rijkskanselier opneemt op 13 augustus 1923, is een dollar 4,5 miljoen Mark waard. Zes weken later is een dollar al 130 miljoen Mark waard. De prijs voor levensmiddelen stijgt in dezelfde periode navenant. De prijs van een roggebrood is gestegen van 32.000 naar 3,7 miljoen Mark. De aardappelprijs gaat van 50.000 naar 1,2 miljoen, rundvlees van 1,1 naar 76 miljoen en boter van 2,4 naar 168 miljoen Mark.

De Reichsbank moet naar aanleiding van de ongehoorde prijsstijgingen ook nieuwe geldbiljetten in omloop brengen. Er zijn al bankbiljetten van 50, 100 en 500 miljoen Mark. Het uiterlijk van die biljetten wordt hoe langer hoe eenvoudiger waarbij men slechts aan één zijde de biljetten bedrukt. Maar dat is niet voldoende. Er zijn billjetten van 1 miljard Mark in omloop gebracht. In feite gaat het hier om oude biljetten van 1000 Mark waaraan men een opschrift in rode letters heeft toegevoegd : “Eine Milliarde Mark”.

bron : Frank Stocker, Die Inflation von 1923, FBV

op zoek naar vreemde valuta

In de zomer van 1923 lijdt de Duitse Mark aan een sterke ontwaarding. Het geld is zo weinig waard dat mensen de bankbiljetten in de goot gooien. De enige manier om het eigen bezit te beschermen is vreemde valuta aankopen. Dat is ook de reden waarom Adolf Hitler in augustus 1923 naar Zwitserland trekt. Daar hoopt hij gelijkgezinden te kunnen overhalen om de NSDAP in Zwitserse franken te kunnen financieren.

bron : https://www.srf.ch/audio/tageschronik/heute-vor-100-jahren-adolf-hitler-in-zuerich?id=12443551

Inflatiecrisis in Duitsland

In Duitsland probeert de regering van Cuno in de zomer van 1923 wanhopig de inflatie te bedwingen. Het hoofdprobleem is dat deze regering het passief verzet in het Rijnland, bezet door Belgische en Franse soldaten, wil steunen door de lonen verder te blijven uitbetalen. Maar de inkomsten blijven uit en dus stijgen de schulden van Duitsland de hoogte in. Om die schulden de kunnen betalen, worden er Marken bijgedrukt.

Dom een idee te geven over het verschil tussen uitgaven en inkomsten van de Duitse regering : de eerste 10 dagen van augustus 1923 bedroegen de uitgaven 63 biljoen Mark, voor een totaal aan inkomsten van enkel 3,6 biljoen Mark. In de week van 11 tot 16 augustus stijgen de uitgaven tot 262 biljoen Mark, terwijl de belastingen 16 biljoen Mark opleveren. En de uitgaven stijgen verder : op 18 augustus 27 biljoen, op 19 augustus 33 biljoen en op 20 augustus 82 biljoen. De uitgaven overstijgen veruit de inkomsten.

Deze dramatische situatie resulteert in een duizelingwekkende inflatie. In november 1922 was 1 dollar 7.000 Mark waard. Op 30 juli krijgt men voor 1 dollar een miljoen Mark en op 12 augustus krijgt men voor 1 dollar 4,5 miljoen Mark. De voedingsprijzen zijn navenant gestegen. Een roggenbrood, dat in november 1922 55 Mark kostte, kost op 13 augustus 1923 meer dan 33.000 Mark. Een ei, dat in november 1922 nog 55 Mark kostte, kost er in augustus 1923 50.000 Mark. De aardappelprijs is gestegen van 16 Mark naar 50.000 Mark per kilo. Een kilo erwten van 365 naar 350.000 Mark, een kilo rundvlees van 620 naar 1,1 miljoen Mark.

Het stijgen van de voedselprijzen leidt in juli 1923 al tot voedselrellen. Maar het stelt ook de bedrijven voor onverwachte problemen. Ze moeten hun werknemers in 1.000 Mark biljetten betalen omdat de prijzen van goederen belachelijk hoog is. En de hoeveelheid biljetten die uitbetaald moeten worden, passen daardoor niet meer in de standaard loonzakjes. De firma Henkel kiest ervoor om de lonen in papierkorven mee te geven.

Omdat de prijzen stijgen, moeten er ook nieuwe biljetten worden gedrukt. Begin juli brengt de Reichsbank een biljet van 500.000 Mark in omloop. Drie weken later al volgen de biljetten met een waarde van 1 miljoen en van 5 miljoen Mark. Wie beschikt over dollars of andere buitenlandse deviezen, kan deze iedere dag omruilen tegen Marken. Wie dit dagelijks doet na het bekendmaken van de koers (rond 15 uur), kan zo in zijn dagelijks levensonderhoud voorzien. Wie echter geen toegang heeft tot buitenlandse deviezen, ziet zijn ganse spaarcenten verloren gaan.

Dit vertaalt zich ook in een politieke crisis. Die wordt zo groot dat de regering Cuno op 12 augustus 1923 moet aftreden.

Bron : Frank Stocker, die Inflation von 1923, FBV

hongerrevolte

De inflatie in Duitsland begint hoe langer hoe meer te drukken op het dagelijkse leven. Het aankopen van levensmiddelen wordt hoe langer hoe duurder tot de mensen het niet meer kunnen houden. In de zomer van 1923 heerst er een hongerrevolte in Duitsland door de waanzinnige inflatie.

De eerste revolte begint op 9 juli 1923 in Nowawes, ten oosten van Potsdam op 30 kilometer van Berlijn. In de vroege ochtend verzamelen duizenden zich om naar de wekelijkse markt te gaan. Ze zijn woedend en uitgehongerd en dwingen de handelaren hun goederen veel goedkoper te verkopen. Vlees wordt verkocht aan 10.000 Mark in plaats van 40.000 Mark. Tegen de middag komt de politie toe en verdrijft de menigte. Maar ze trekken de binnenstad in om verder inkopen te doen. Een schoenhandelaar wordt gedwongen laarzen te verkopen aan 10.000 Mark terwijl hij die zelf aan 100.000 Mark heeft aangekocht.

Deze hongerrevolte en het bijbehorende geweld nemen toe in de maanden juli en augustus. In Breslau breken er op 20 juli relletjes uit waarbij handelszaken geplunderd worden. Daags daarop zijn samenscholingen verboden. Het blijft rustig tot de eerstvolgende zaterdag. Dan zijn er weer rellen waarbij de politie schiet. Zes mensen verliezen het leven. 1200 burgers worden gearresteerd.

De handelaren reageren op de rellen door hun waren niet meer op de markten aan te bieden. Eind juli is er op bepaalde markten nog maar een vierde te krijgen van wat gewoonlijk werd aangeboden. Huisvrouwen moeten noodgedwongen met een lege boodschappentas terug naar huis. Miljoenen lijden honger. Als reactie trekken grote groepen hongerlijders naar de boeren om hen te dwingen vlees te geven aan veel lagere prijzen. En die reactie roept weer een tegenreactie op : de boeren richten eigen milities op die patrouilleren om hun boerderijen veilig te stellen.

In deze uiterst gespannen situatie zien de communisten hun kans schoon om de revolutie voor te bereiden. Midden augustus 1923 roepen ze op tot een algemene staking.

Bron : Frank Stocker, die Inflation von 1923, FBV

nieuw dieptepunt voor de Duitse Mark

De Reichsbank moet na maanden haar akties om de Duitse Mark te ondersteunen , opgeven en het gevolg is er naar. De D-Mark gaat verder de dieperik in. Op 13 juni 1923 is 1 dollar 100.000 Mark waard. Voor de oorlog was 1 dollar 4,20 Mark waard. Onderstaande afbeeldingen, gepubliceerd door de Twitter account “Die Inflation von 1923” geeft duidelijk weer hoe zeer de Mark aan waarde verliest en wat de gevolgen zijn voor het dagelijkse leven in Duitsland in 1923.

bronnen
https://twitter.com/inflation1923
https://en.wikipedia.org/wiki/June_1923

de Reichsbank in het passief verzet

Na de Franse bezetting van het Duitse Ruhrgebied organiseert de Duitse regering het passief verzet. Ze roept de Duitse werknemers op om te staken en belooft alle lonen verder uit te betalen. Dat vraagt natuurlijk een ernstige financiële inspanning. En dus speelt de Duitse Reichsbank haar rol in dit passief verzet.

Vlak na start van de bezetting in januari 1923 is de koers van de Mark gezakt. Vanaf eind januari grijpt de Reichsbank aktief in de markt in om deze trend te stoppen. Dat doet ze op twee manieren. Aan de ene kant beperkt ze het bedrijfskrediet, met name het deviezenkrediet. Dit zou de ondernemingen moeten dwingen terug te vallen op hun eigen deviezen. Aan de andere kant intervenieert de Reichsbank ook rechtstreeks op de valutamarkt door vreemde valuta, vooral dollars en ponden, te verkopen en marken op buitenlandse beurzen te kopen. Het verhoogt dus de vraag naar de Mark kuntsmatig waardoor de prijs stijgt.

In het begin werkt dit vrij goed, en de Reichsbank is in staat om deze markaankopen grotendeels uit haar eigen dollar- en pondbezit te doen. Hoe sterker de verkoopdruk op de Mark, hoe meer ze het moet tegengaan en hoe meer Mark ze moet opkopen. Daarom deponeert de Reichsbank goud uit haar bezittingen ter waarde van 164 miljoen goudmarken bij buitenlandse centrale banken. Wanneer ze niet genoeg deviezen heeft om marken in het buitenland op te kopen, koopt ze de markposities op krediet en borgt ze met het goud dat is opgeslagen bij de centrale bank van het betreffende land. Als de Mark op de lange termijn in waarde zou blijven stijgen, zou de Reichsbank de dollars later voor een kleiner bedrag kunnen terugkopen en de lening kunnen terugbetalen.

Maar het tegendeel gebeurt door de langdurige bezetting. De Mark blijft in waarde dalen en de Reichsbank moet hoe langer hoe meer dollars verkopen om Marken te kunnen opkopen. De Duitse goudvoorraden bij de buitenlandse centrale banken smolten als sneeuw voor de zon. Uiteindelijk moet de Reichsbank deze ondersteuningsakties stopzetten, waarna de koers van de Mark de diepte induikt. Aan een afslossing van het krediet valt al niet meer te denken en het goud dat als waarborg dient, is voor Duitsland verloren.

Bron : Frank Stocker, die Inflation von 1923, FBV