Op 3 november 1915 noteert Raoul Snoeck het volgende in zijn dagboek :
Ze brengen ons naar het station. De reeds gevormde hospitaaltrein is nog bijna leeg. Hij omvat wagons die zijn ingericht als gelegenheidsambulances met brancards voor zwaargewonden en enkele wagons van tweede en derde klasse voor lichtgewonden. Iedereen neemt plaats zoals hij kan. De beste gevallen helpen de anderen. Na een tijd is de trein volgepropt met soldaten van alle legeronderdelen, die door elkaar uitgestrekt liggen met omzwachtelde hoofden, armen en benen. Van alle kanten worden brancards aangebracht met doodsbleke soldaten. Je hoort geen enkele kreet, soms ontsnapt een klacht of een diepe “ah” aan de opgeklemde tanden. Een groot aantal gewonden ligt op het perron, wachtend om in een wagon gehesen te worden. Ik bekijk al die ongelukkigen, er bestaan niet genoeg woorden om die pijnlijke tonelen op te roepen, ik voel afschuw en medelijden tegelijk.
We komen aan in Rennes om acht uur ’s morgens. De gewonden worden uit de wagons gehaald, de vormeloze massa geslacht mensenvlees weggebracht, het is akelig.
bron
Raoul Snoeck, In de modderbrij van de IJzervallei, uit het Frans vertaald door André Gysel, Snoeck-Ducaju & zoon
